Nr. 02407/01 Mr Machielse Zitting 24 september 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek. Niet uitgesloten is dat op grond van voormelde verdragsvoorschriften in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77). 3.
- De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren met inachtneming van de beperkingen zoals hiervoor onder 3.2 sub 2 overwogen. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem.
- In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan: - het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Utrecht van 5 april 2000 houdt in dat de verdachte in eerste aanleg op tegenspraak is veroordeeld; - mr. IJsseldijk heeft op 7 april 2000 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank; - de dagvaarding om ter terechtzitting te verschijnen is op 9 mei 2001 uitgereikt aan de verdachte in persoon; - de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2001 heeft buiten aanwezigheid van de verdachte plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft een VIPScontrole plaatsgehad die heeft uitgewezen dat de verdachte toen niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef. De verdachte blijkt sinds 21 mei 2001 voortvluchtig te zijn; - de behandeling van voornoemde terechtzitting heeft wel in aanwezigheid van de raadsman plaatsgevonden. Blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft de raadsman niet verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd; - de verdachte is in hoger beroep bij verstek veroordeeld; - bij akte van 1 augustus 2001 heeft mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht, die verklaarde daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd, beroep in cassatie ingesteld.
- Het middel behelst een klacht over de verwerping door het hof van een verweer inzake de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
- Het bestreden arrest houdt in dat de raadsman ter terechtzitting het volgende verweer heeft gevoerd: "dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder
- tenlastegelegde. Hij voert daartoe zakelijk weergegeven aan dat er sprake is van détournement de pouvoir nu de opsporingsambtenaren verdachte een stopteken hebben gegeven op grond van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl er tegen verdachte op dat moment al verdenking bestond in de zin van het Wetboek van Strafvordering. Het stopteken had derhalve niet op basis van de Wegenverkeerswet 1994 doch op basis van artikel 52 Wetboek van Strafvordering moeten worden gegeven. De opsporingsambtenaren hebben aldus ten onrechte gebruik gemaakt van hun controlebevoegdheid op grond van de Wegenverkeerswet 1994 zodat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van het onder
- tenlastegelegde, aldus de raadsman."
- De feiten en omstandigheden waarvan in cassatie moet worden uitgegaan kunnen bezwaarlijk tot de slotsom leiden dat zich een uitzonderlijk geval als bedoeld in het hiervoor onder
- geciteerde 3.2 voordoet. Het onder
- weergegeven verweer houdt evenmin een toelichting van de afwezigheid van de verdachte in, noch een verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld, over welke onderwerpen de raadsman, ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke machtiging van de verdachte om de verdediging te voeren, toch het woord mag voeren. Dit betekent dat het hof de raadsman in strijd met het wettelijk systeem in de gelegenheid heeft gesteld meer aan te voeren dan vorenbedoelde onderwerpen, zodat het verweer geen behandeling behoefde. Het middel moet dus buiten bespreking blijven.
- Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot cassatie aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden