Nr. 00752/02 Mr. Vellinga Zitting: 5 november 2002 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]
(1)opgeworpen vraag of het wel verantwoord was in geval van een combinatie van verslaving en recidive tot vrijheidsbeneming over te gaan nu een brede evaluatie van drang-projecten nog moest plaatsvinden en men van de gunstige effecten van de SOV-maatregel dus nog allerminst zeker kon zijn. Daarop geeft de minister in de hiervoor aangehaalde passage als antwoord, dat als de SOV-maatregel geen gunstig effect sorteert, aan deze wettelijke voorziening het bestaansrecht komt te ontvallen.
- De wetsgeschiedenis bevat diverse passages waaruit blijkt dat de SOV-maatregel juist bedoeld is voor gevallen waarin een verdachte niet vrijwillig wil breken met een leven van verslaving en criminaliteit. Ik noem: "De voorgestelde voorziening houdt gedwongen opvang in een daarvoor specifiek bestemde inrichting in. Zij voorziet niet in een dwangbehandeling. Wel kan de gedwongen opvang de voorwaarden scheppen waaronder bij degene ten aanzien van wie de maatregel is opgelegd, de motivatie ontstaat voor een behandeling."(Kamerstukken II 1997-1998, 26023, nr. 3, blz. 2 "Een aspect van deze tussenevaluatie is dat de beperkingen die zijn verbonden aan het instrument van drang, weer eens zichtbaar zijn gemaakt en dat daarmee de noodzaak van dwang als aanvullend instrument naast drang wordt onderstreept. "(Kamerstukken II 1997-1998, 26023, nr. 3, blz.3) "Het gaat om personen die eigenlijk het contact met de samenleving, met het "normale" leven hebben verloren en die in het algemeen zelf niet meer in staat zijn tot een reflectie op de eigen situatie. Zelf zullen zij niet gauw de keuze maken om te proberen weer enigszins in het goed spoor te komen." (Kamerstukken II 1997-1998, 26023, nr. 3, blz.9)
- Door de maatregel op te leggen aan een verdachte die uitdrukkelijk niet wil breken met een leven van verslaving en criminaliteit heeft het Hof de maatregel toegepast in een geval waarvoor deze juist bedoeld is. Van miskenning van het karakter van de maatregel is daarom allesbehalve sprake.
- Ik wijs er tenslotte nog op dat de wetgever uitdrukkelijk aandacht heeft geschonken aan de mogelijkheid dat een verdachte geen gebruik maakt van de aan hem in het kader van de SOV-maatregel geboden voorzieningen. De memorie van toelichting wijdt daar de volgende passage aan: "Het voorliggende wetsvoorstel heeft twee doeleinden: overlastbestrijding en resocialisatie. De SOV zal worden opgelegd om beide doeleinden te verwezenlijken. Tot de doelgroep behoren niet daders waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen dat zij niet vatbaar zijn voor zorgvoorzieningen, gericht op hun (re)socialisatie. Indien tijdens de tenuitvoerlegging van de SOV blijkt dat het afstand nemen van drugs en het resocialiseren niet of in onvoldoende mate gelukken, wordt de maatregel op andere wijze tenuitvoergelegd. Onvoldoende succes bij verwezenlijking van het tweede doel levert geen grond op om de maatregel te beëindigen. Dat zou ook een ongewenste premie kunnen zijn op het niet meedoen aan de in de SOV geboden zorgvoorzieningen. De omstandigheid dat de SOV voor betrokkene geen effect heeft gehad, zal er wel toe leiden dat hij in de toekomst naar verwachting niet meer in aanmerking komt voor oplegging van de maatregel." (Kamerstukken II 1998-1999, 26023, nr 5, p. 13)
- Het middel faalt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. AG 1 Kamerstukken II 1998-1999, 26023, nr. 4, blz. 9