Nr. 00053/01 B en 00054/01 B Mr Fokkens Parket, 14 mei 2002 Conclusie inzake: [Verdachte] en [medeverdachte]
(1)? Ik meen dat er zwaarwegende argumenten zijn om de pro-forma zitting niet te beschouwen als het tijdstip waarvóór het sfo uiterlijk dient te zijn ingesteld. Kenmerkend voor de pro-forma zitting is immers dat het voorbereidend onderzoek in de strafzaak nog niet is afgerond. Juist in de loop van dat voorbereidend onderzoek, dat zich mede kan uitstrekken tot de vraag of wederrechtelijk voordeel is verkregen, kan de noodzaak ontstaan gebruik te kunnen maken van de bevoegdheden en de structuur van het sfo (Vgl. B.F. Keulen, Crimineel vermogen en strafrecht, Deventer 1999, p. 211 e.v.). Uitsluiting van de bevoegdheid nog een sfo in te stellen nadat de zaak op een pro-forma zitting is behandeld, zou een ernstige beperking opleveren van de mogelijkheden de omvang van door een verdachte verkregen wederrechtelijk voordeel vast te stellen in de zwaarste categorie strafzaken.
- De argumenten die de Minister heeft aangevoerd voor zijn standpunt dat het sfo vóór de terechtzitting in de eigenlijke strafzaak moet zijn ingesteld, verzetten zich niet tegen de mogelijkheid ook na een pro-forma zitting een sfo te openen. In de eerste plaats is de positie van de verdachte na de pro-forma zitting niet wezenlijk anders dan daavóór. Nog steeds is hij degene op wie het voorbereidend onderzoek dat voorafgaat aan de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting betrekking heeft. Nu de officier van justitie door een pro-forma dagvaarding uit te brengen juist te kennen geeft dat het voorbereidend onderzoek nog niet is afgesloten, is het ook niet in strijd met de zorgvuldigheid waarmee het middel van het sfo dient te worden ingezet, om na de de pro-forma zitting over te gaan tot de instelling van dat onderzoek. Ook de omstandigheid dat de officier van justitie uiterlijk bij zijn requisitoir kenbaar dient te maken of een sfo is ingesteld, is geen reden om het instellen van een sfo na de pro-forma zitting in strijd met het wettelijk systeem te achten. Uit het feit dat een pro-forma dagvaarding is uitgebracht volgt immers dat het onderzoek nog niet zover is dat een requisitoir kan worden gehouden.
- Ik kom dan ook tot de slotsom dat het sfo vóór de dag van de (eerste) terechtzitting in de strafzaak dient te zijn ingesteld, behoudens indien die eerste zitting een pro forma-behandeling in de zin van art. 282, vierde lid, Sv betreft. In dat geval dient het sfo uiterlijk vóór de eerstvolgende zittingsdag te zijn ingesteld (Vgl. De Groot en Simmelink in: Ontneming van voordeel in het strafrecht, 1997, p. 88). Dus ook indien de eerste zitting een regiezitting is, of als de behandeling van de zaak op verzoek van de verdediging wordt aangehouden, dient daaraan voorafgaand het sfo reeds te lopen.
- In het middel wordt bepleit dat - gelet op de tekst van art. 311, eerste lid, derde volzin, Sv - een sfo dient te kunnen worden ingesteld tot uiterlijk de dag van de terechtzitting waarop wordt gerequireerd. Dat lijkt mij in strijd met de systematiek van de regeling zoals deze uit de parlementaire behandeling naar voren komt. Die komt erop neer, zoals hierboven uiteen is gezet, dat een sfo zou moeten worden ingesteld vóór de aanvang van de terechtzitting in de hoofdzaak. De omstandigheid dat het onderzoek wordt geschorst tot een latere zittingsdag of zich over meer zittingsdagen uitstrekt, neemt niet weg dat het vooronderzoek op dat moment is afgesloten en de zaak verkeert in de fase van het onderzoek ter terechtzitting. De terechtzitting in de hoofdzaak is dus, ook als het onderzoek wordt aangehouden, aangevangen. De officier van justitie geeft door een gewone dagvaarding uit te brengen ook te kennen dat naar zijn oordeel het voorbereidend onderzoek is afgerond en dat de zaak inhoudelijk ter terechtzitting kan worden behandeld. Dat impliceert dat de mededelingen die op grond van art. 311, lid 1 Sv moeten worden gedaan over het eventuele voornemen een ontnemingsvordering in te dienen en over het ingesteld zijn van een sfo, ook gedaan kunnen worden.
- Ik keer terug naar de onderhavige casus. De strafzaak is op 11 juli 2000 en op 19 september 2000 behandeld, waarna het onderzoek is gesloten en op 3 oktober 2000 vonnis is gewezen. Over de precieze status van de terechtzitting van 11 juli 2000 bestaat enige onduidelijkheid. De Rechter-Commissaris heeft het over een pro forma-behandeling, terwijl de Rechtbank overweegt dat op 11 juli 2000 met de behandeling van de zaak een aanvang is gemaakt maar dat het onderzoek op verzoek van de verdediging is aangehouden omdat van de zijde van het Openbaar Ministerie vlak voor de zitting nog een groot aantal stukken aan het dossier was toegevoegd. Nu dit in cassatie niet wordt betwist, dient te worden uitgegaan van de juistheid van de vaststelling van de Rechtbank met betrekking tot hetgeen ter terechtzitting van 11 juli 2000 heeft plaatsgevonden.
- Gelet daarop en op het hiervoor onder 13 overwogene, geeft het oordeel van de Rechtbank dat de vordering ex art. 126, derde lid, Sv door de Rechter-Commissaris terecht is afgewezen omdat het sfo had moeten zijn ingesteld vóórdat op 11 juli 2000 met de behandeling van de zaak een aanvang was gemaakt, geen blijkt van miskenning van de te dezen toepasselijke maatstaf.
- Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Plv. 1 Een behandeling die tot doel heeft te voorkomen dat een in voorlopige hechtenis verkerende verdachte op vrije voeten moet worden gesteld omdat de maximale termijn waarin hij voor aanvang van de zitting van zijn vrijheid kan worden beroofd is verstreken, terwijl de zaak nog niet ter terechtzitting kan worden behandeld omdat het opsporingsonderzoek nog niet is afgerond.