Nr. 02445/01 Mr. Vellinga Zitting: 3 december 2002 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1). In HR 17 dec. 1996, NJ 1997, 262 werd immers overwogen: "Nu het slachtoffer zonder eigen recht de verdachte in haar bewegingsvrijheid beperkte, terwijl de verdachte dit uitdrukkelijk niet wilde en meermalen had verzocht haar los te laten, was op dat moment ten aanzien van de verdachte reeds sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lijf, zoals bedoeld in art. 41, eerste lid, Sr." NLR, aant. 5 op art. 41 Sr, meent dat in het begrip "aanranding" ligt opgesloten dat de aantasting tegen iemands wil geschiedt, althans dat de aantasting een zo overrompelend effect heeft dat de rechthebbende geen gelegenheid heeft "zich eventueel akkoord te verklaren".
- Voor "aanranding" in de zin van art. 41 lid 1 Sr is dus niet vereist dat van het plegen van geweld in de zin van slaan, schoppen etc. sprake is. Iemand tegen zijn wil beperken in zijn bewegingsvrijheid is daarvoor voldoende. Zoals in de feitelijke vaststellingen van het Hof besloten ligt was dat het geval: het slachtoffer was doende verdachte tegen zijn wil in zijn bewegingsvrijheid te beperken, en haar gedrag was er zelfs op gericht daaraan enige duurzaamheid te geven. Nu het Hof desondanks oordeelt dat van "aanranding" in de zin van art. 41 lid 1 Sr geen sprake is omdat het slachtoffer bij dat beperken van de bewegingsvrijheid van de verdachte geen geweld gebruikte, geeft het in de overwegingen van het Hof besloten oordeel dat van "aanranding" in de zin van art. 41 lid 1 Sr geen sprake was, blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
- Ik heb mij nog afgevraagd of de verwerping van het beroep op noodweer door het Hof ook zo kan worden gelezen dat in het oordeel van het Hof besloten ligt dat ook de beperking van de bewegingsvrijheid van verdachte voorbij was toen hij het bewezenverklaarde feit pleegde. De onder de bewijsmiddelen opgenomen verklaring van het slachtoffer houdt immers in dat verdachte met een ruk opstond, zich met zijn vrije hand - dat moet zijn linker hand zijn; WHV - krachtig van haar losmaakte en haar toen met zijn geboeide rechter hand vol in het gezicht sloeg. Het Hof heeft echter vastgesteld dat het slachtoffer verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit vasthield. De beperking van verdachtes bewegingsvrijheid door het slachtoffer was dus - nog los van de vraag of die beperking al niet in het geboeid zijn van de rechter hand moet worden gezien - ten tijde van het bewezenverklaarde feit niet geëindigd.
- In de toelichting op het middel wordt ook geklaagd over de wijze waarop het Hof het beroep op noodweerexces heeft verworpen.
- Aan het beroep op noodweerexces heeft het Hof geen woorden gewijd. Kennelijk heeft het Hof gemeend dat het aan het beroep op noodweerexces niet toekwam omdat bij gebreke van een "aanranding" in de zin van art. 41 lid 1 Sr van een noodweersituatie geen sprake was. Gezien hetgeen ik hiervoor ten aanzien van het beroep op noodweer heb uiteengezet geeft ook de impliciete verwerping van het beroep op noodweerexces blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
- Het middel slaagt.
- Het tweede middel klaagt dat het Hof de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade - met uitzondering van de "vervangingskosten bril" - heeft toegewezen zonder in te gaan op het verweer dat, zoals blijkt uit de Terwee-bijlage bij het proces-verbaal PL1513/1997/14782, de materiële schade door de verzekeringsmaatschappij is vergoed.
- Hoewel bedoelde Terwee-bijlage spreekt van het "geheel of gedeeltelijk" vergoed zijn van de materiële schade, neemt dit niet weg dat dit verweer de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de materiële schade in de kern raakt. Immers, heeft de verzekering de vermogensschade vergoed, dan bestaat deze niet meer en valt deze ook niet meer van de pleger van een onrechtmatige daad te vorderen. Daarom had het Hof niet stilzwijgend aan dit verweer voorbij mogen gaan. Zie HR 14 april 1998, NJ 1998, 675 en HR 16 jan. 2001, NJB 2001, blz. 358, nr. 40, waarin de Hoge Raad eist dat op doorgaans minder vergaande verweren tegen de civiele vordering als beroepen op "medeschuld" en "eigen schuld" wordt ingegaan. In HR 25 okt. 2002, LJN AE4364, NJB 2002, blz. 2066, nr. 171 spreekt de Hoge Raad in een civiele zaak van het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging, dat elke rechterlijke beslissing ten minste zodanig moet zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Aan die eis voldoet de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in het licht van het gevoerde verweer niet.
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve vraag ik nog aandacht voor het volgende. Het Hof heeft zijn beslissing mede gegrond op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep vóór verwijzing. De wet biedt daarvoor echter geen steun. Omdat niet blijkt dat het Hof gebruik heeft gemaakt van de resultaten van dat onderzoek meen ik dat hier kennelijk van een vergissing sprake is. Daarom kan deze misslag zonder gevolgen blijven.
- Dat laatste zou ik niet willen zeggen van de wijze waarop het Hof hetgeen de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd in het proces-verbaal van de terechtzitting heeft verwerkt. Het Hof heeft volstaan met de melding dat de door de raadsman overgelegde pleitnotitie bij de stukken in het dossier is gevoegd en dat de inhoud wordt geacht deel uit te maken van het proces-verbaal.
- Tegen de werkwijze waarbij voor de inhoud van het pleidooi wordt verwezen naar de aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnotitie bestaat geen bezwaar. Daarmee maken de ondertekenaars van het proces-verbaal duidelijk dat is gepleit overeenkomstig de inhoud van die pleitnotitie. Door de aanhechting bestaat geen onzekerheid om welk stuk het gaat en kan dit stuk geen leven gaan leiden los van het proces-verbaal van de terechtzitting.
- Wordt volstaan met louter verwijzing naar een los, niet nader door de griffier geïdentificeerd of gewaarmerkt stuk in het dossier dan bestaat het gevaar dat niet duidelijk is of de in het dossier aanwezige pleitnota de pleitnota is die de griffier ter terechtzitting heeft vergeleken met het daadwerkelijk gevoerde pleidooi en waarop hij de door de raadsman ter terechtzitting gemelde verbeteringen en aanvullingen heeft aangebracht. Hoewel ik besef dat de door het Hof gevolgde werkwijze administratieve voordelen heeft, meen ik dat de te vrezen onduidelijkheden daar aan in de weg staan. Deze onduidelijkheden brengen mee dat onzekerheid kan ontstaan over de vraag wat wordt gedekt door in art. 327 Sv voorgeschreven ondertekening van het proces-verbaal van de terechtzitting door de voorzitter en de griffier. Daarom voldoet het proces-verbaal van de terechtzitting in casu niet aan de eisen van art. 326 en 327 Sv. Ook op deze grond moet het arrest van het Hof worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. AG 1 Vgl. Machielse, Noodweer in het strafrecht, diss. A'dam 1986, blz. 627, die opsluiting onder "aanranding" begrijpt, en De Hullu, Materieel strafrecht, Gouda Quint 2000, blz. 298.