ECLI:NL:PHR:2003:AF2847
Rolnummer C02/032HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 20 december 2002 Conclusie inzake [eiser] tegen [verweerder] Inleiding 1. In deze zaak gaat het om de vraag of een geëxecuteerde hypotheekgever de bevoegdheid toekomt de veilingkoop te ontbinden indien hij ná de toewijzing ter veiling doch vóór de levering aan de veilingkoper, zijn schuld aan de executerende hypotheekhouder voldoet en de veilingkoper in verzuim is met de betaling van de koopsom. Het Hof beantwoordde deze vraag - met de Rechtbank - ontkennend. Daartegen keert zich het cassatiemiddel.
Alleen de Rabobanken waren partij bij de overeenkomst van veilingkoop met [verweerder] en de omstandigheid dat [eiser] - na de toewijzing aan [verweerder] - zijn schulden aan de Rabobanken heeft afgelost, brengt niet mee dat [eiser] de bevoegdheid verkreeg om de koopovereenkomst met [verweerder] te ontbinden. Daaruit volgt dat aan [eiser] geen eigen recht op ontbinding toekomt en dat evenmin van subrogatie sprake kan zijn. Een dergelijke bevoegdheid tot ontbinding volgt ook niet uit de toepasselijke veilingvoorwaarden of de eisen van redelijkheid en billijkheid. Bij de uitoefening van hun contractuele bevoegdheden jegens [verweerder] hebben de Rabobanken mede rekening moeten houden met de gerechtvaardigde belangen van [eiser].
Ook indien de Rabobanken dat onvoldoende hebben gedaan, brengt dat niet mee dat aan [eiser] de bevoegdheid toekomt om de overeenkomst met [verweerder] te ontbinden.
Het cassatiemiddel 7. Het middel bestaat uit vijf onderdelen die zich alle keren tegen 's Hofs oordeel dat het standpunt van [eiser] dat hem in de gegeven omstandigheden de bevoegdheid toekwam om de koopovereenkomst met [verweerder] te ontbinden niet is te verenigen met het wettelijke stelsel zoals dat ligt besloten in art. 3:269 BW en (onder meer) art. 527 Rv. en dat een dergelijke bevoegdheid ook niet volgt uit de toepasselijke veilingvoorwaarden of de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het middel faalt naar mijn mening in al zijn onderdelen nu 's Hofs oordeel juist is. Ik licht dit als volgt toe.
Zie hierover uitgebreid: P.A. Stein, Vermogensrecht (losbl.), art. 268, aant. 7 en Asser-Mijnssen-Van Velten, Zakenrecht-III, 12e dr. 1994, nr. 296 e.v. Ook de wetgever heeft van deze, welhaast unaniem veroordeelde, leer uitdrukkelijk afstand genomen; hij heeft benadrukt dat de huidige wettelijke regeling inzake de executie door de hypotheekhouder berust op het uitgangspunt dat de hypotheekhouder handelt krachtens een eigen wettelijk recht tot parate executie; zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 823. De inhoud van dit recht alsmede de wijze waarop het kan worden uitgeoefend wordt geregeld in met name art. 3:268-275 BW alsmede in de bepalingen van in de tweede en vierde afdeling van de derde titel van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 514-529 en art. 544-549).
Uit hoofde van art. 3:268 BW heeft de hypotheekhouder het recht van parate executie indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt.
Art. 3:269 BW bepaalt dat de openbare verkoop tot het tijdstip van de toewijzing ter veiling kan worden voorkomen door voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt en van de reeds gemaakte kosten van executie. Soortgelijke bepalingen zijn opgenomen in art. 3:249 lid 2 BW (voor de pandhouder) en art. 58 lid 2 F. (voor de curator).
Art. 3:269 BW houdt vooral een bevestiging in van de algemene regel dat een schuldenaar zijn verzuim kan zuiveren door betaling aan te bieden van het verschuldigde en van de inmiddels tevens verschuldigd geworden schadevergoeding en kosten, welk aanbod de schuldeiser niet kan weigeren zonder in schuldeisersverzuim te geraken (art. 6:86 BW). Zowel aanvaarding als afwijzing van een zodanig aanbod hebben tot gevolg dat het verzuim vervalt (art. 6:61 BW) en daarmee de bevoegdheid tot executie (art. 6:62 BW en art. 3:268 BW). In zoverre mist het artikel dan ook zelfstandige betekenis; zo ook P.A. Stein, Vermogensrecht (losbl.), art. 269, aant. 2. Wél zelfstandige betekenis heeft het artikel met zijn bepaling van het uiterste moment waarop de schuldenaar (of een derde) het verzuim nog kan zuiveren.
De algemene regeling van art. 6:86 lid 1 BW brengt mee dat een schuldenaar - binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid - zijn verzuim steeds kan zuiveren zolang het verzuim niet is beëindigd door de omzettingsverklaring van art. 6:87 BW, door de uitoefening van de bevoegdheid tot ontbinding of door de omstandigheid dat nakoming blijvend onmogelijk is geworden: zie Parl. Gesch. Boek 6 BW, p. 307, Asser-Hartkamp, 4-I, nr. 527 en Asser-Hartkamp 4-II, nr. 376 en 379.
Art. 3:269 BW beperkt de bevoegdheid tot zuivering in geval van een executoriale openbare verkoop tot het moment waarop de koper door de toewijzing ter veiling een aanspraak op levering heeft verkregen. Dat is het tijdstip waarop de executie in beginsel onomkeerbaar is geworden; de executerende schuldeiser is dan uit hoofde van de krachtens eigen recht verrichte verkoop gehouden tot levering aan de koper die jegens de executerende schuldeiser een aanspraak op levering heeft; het zou niet stroken met de aan de executant toekomende bevoegdheid tot executie ingeval het dan nog in de macht van de schuldenaar zou liggen om door betaling de executie van zijn tot zekerheid strekkende goederen te verhinderen.
Dit wordt niet anders indien de veilingkoper in gebreke blijft de koopsom te betalen. Een dergelijke tekortkoming doet immers het recht van de veilingkoper op levering niet vervallen; zij kan slechts de bevoegdheid tot ontbinding doen ontstaan. Deze laatste bevoegdheid komt uitsluitend de executant toe nu hij krachtens eigen recht het verbonden goed heeft doen verkopen; zie Asser-Mijnssen-Van Velten, Zakenrecht III, nr. 321. Uit de specifieke wettelijke regeling die ziet op het geval van een tekortschietende veilingkoper, te weten die van de herveiling (art. 527-529 Rv), volgt evenmin dat de veilingkoper door niet tijdige betaling zijn aanspraak op levering verspeelt. De stelling dat de "geëxecuteerde" op enigerlei wijze het recht toekomt om de bevoegdheid tot ontbinding in plaats van of namens de executant uit te oefenen, vindt geen steun in het recht en zij kan evenmin op billijkheidsgronden worden aanvaard.
Reeds omdat de geëxecuteerde - mede gelet op art. 3:269 BW - voldoende gelegenheid heeft gehad om de executie te voorkomen, valt niet in te zien waarom zijn belang van rechtswege boven dat van de (eveneens) nalatige veilingkoper dient te worden gesteld. Ik teken daarbij aan dat hoewel de tekortschietende veilingkoper in beginsel geen recht heeft op clementie (vgl. HR 24 november 1995, NJ 1996, 160 alsmede art. 22 van de algemene veilingvoorwaarden), er niettemin goede redenen kunnen bestaan om hem enig uitstel te gunnen, bijvoorbeeld omdat hij bij het verkrijgen van volledige financiering is belemmerd door de geëxecuteerde, zoals in casu volgens [verweerder] het geval is geweest.
Het cassatiemiddel stuit, zoals gezegd, in zijn geheel op het voorgaande af. Ik meen daarom in het hierna volgende te kunnen volstaan met een betrekkelijk korte bespreking van de afzonderlijke klachten.
Anders dan middelonderdeel II stelt, heeft de omstandigheid dat de Rabobanken de hypotheek - na algehele voldoening van het hun verschuldigde - hebben doorgehaald niet tot gevolg dat de bevoegdheid tot uitoefening van de rechten uit de overeenkomst tot veilingkoop van rechtswege op [eiser] overgaat; deze gevolgtrekking kan evenmin worden ontleend aan art. 529 Rv., welke bepaling ziet op het geval dat de executie is voltooid en niet op de situatie dat het recht op levering nog bestaat. Anders dan het onderdeel concludeert, heeft het Hof met juistheid geoordeeld dat, in de gegeven omstandigheden, de behartiging van de belangen van [eiser] met betrekking tot de koopovereenkomst uitsluitend in handen was van de Rabobanken en dat het [verweerder] niet regardeert in hoeverre de Rabobanken zich de belangen van [eiser] hebben aangetrokken.
Ook de klacht van middelonderdeel III stuit in haar geheel af op het hetgeen hiervoor onder 8 werd overwogen. Het oordeel van het Hof dat art. 3:269 BW meebrengt dat er na het tijdstip van de toewijzing ter veiling niet meer kan worden gelost en dat de gevolgen van het tekortschieten van de veilingkoper uitputtend worden geregeld in de artt. 527 e.v. Rv., is - voor het gegeven geval - juist en kan, anders dan het onderdeel kennelijk meent, als rechtsoordeel niet met een motiveringsklacht worden aangevallen.
Middelonderdeel IV doet andermaal een vruchteloos beroep op art. 529 Rv. Niet valt in te zien waarom de vaststelling dat geen van de betrokkenen belang had bij een herveiling, zou meebrengen dat aan [eiser] een eigen actie, vergelijkbaar met die van art. 529 Rv., zou toekomen.
Middelonderdeel V ten slotte, strekt ten betoge dat het Hof op grond van de redelijkheid en billijkheid tot het oordeel had moeten komen dat [verweerder] in de gegeven omstandigheden geen onvoorwaardelijk recht op levering (meer) toekwam, althans dat hij dit recht gezien, art. 3:13 BW, niet kon uitoefenen, dan wel dat op [verweerder] de verplichting rustte om de geëxecuteerde zaak terug te leveren. Daargelaten of de relatie tussen [verweerder] als veilingkoper en [eiser] als geëxecuteerde kan worden aangemerkt als een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding (vgl. W. Snijders, WPNR 6365, p. 563), faalt deze klacht reeds omdat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk van mening was dat de gestelde omstandigheden onvoldoende zijn voor het oordeel dat eigendomsverkrijging door [verweerder] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Daarbij zij herhaald dat de omstandigheid dat het tot een veiling is gekomen, voor rekening van [eiser] komt en dat [verweerder] op die veiling een rechtsgeldig recht op levering heeft verkregen. Dat [verweerder] vervolgens gedurende zekere tijd in gebreke is gebleven de koopsom te voldoen en dat voorts die koopsom (wellicht) lager is dan de normale verkoopwaarde, betekent niet dat het voortbestaan of het uitoefenen van dat recht op levering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, laat staan dat die uitoefening misbruik van bevoegdheid jegens [eiser] zou opleveren. Onder deze omstandigheden bieden de redelijkheid en billijkheid ook geen grondslag voor een plicht tot terugleveren en dwingen zij evenmin tot een uitleg van art. 527 Rv. als door het middel wordt voorgestaan, te weten dat de executant wordt geacht de verkochte zaak ten laste van de veilingkoper onmiddellijk te hebben terugverkocht aan de eigenaar die te kennen heeft gegeven dat hij eigenaar wenst te blijven.
Overigens ziet dit betoog, dat met de tekst van het artikel evident onverenigbaar is, eraan voorbij dat art. 528 Rv. de koper, ook als hij in verzuim is, in staat stelt de herveiling af te wenden door vóór de verkoop alsnog aan de koopovereenkomst te voldoen. Voorzover het onderdeel in zijn voorlaatste alinea nog een klacht baseert op de ratio van art. 522 Rv., is deze reeds vanwege de aan art. 407 lid 2 Rv te ontlenen eisen van bepaaldheid en begrijpelijkheid vergeefs voorgesteld. Het aldaar betoogde miskent in elk geval dat [verweerder] reeds voor de aflossing een rechtsgeldig recht op levering had verkregen; van een "willekeurige onteigening" is dan ook geen sprake.
Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden