← Nederland

ECLI:NL:PHR:2003:AF3313

Nr. 02422/01M Zitting: 7 januari 2003 Mr. Vellinga Conclusie inzake: [verdachte]

  1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens zware mishandeling veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 180 uren en een gevangenisstraf van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van f. 10.000,-- . Voor dat bedrag is tevens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 35 dagen hechtenis, een en ander onder de bepaling dat indien aan de ene betalingsverplichting is voldaan de andere betalingsverplichting komt te vervallen.
  2. Namens verdachte heeft mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk, twee middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Bij brief van 27 september 2002 heeft de advocaat medegedeeld dat hij het eerste middel intrekt.
  4. Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring in het licht van het bepaalde in art. 6 EVRM, 14 IVBP, en 359 en 415 Sv onvoldoende met redenen is omkleed, en wel omdat het Hof zonder meer is voorbijgegaan aan de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van twee onafhankelijke getuigen, die zeer kort na het incident ter plekke aanwezig waren, welke verklaringen samen met de ter plaatse aangetroffen sporen tot de conclusie moeten leiden dat aangeefster (het slachtoffer) liegt.
  5. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat: "hij op 13 april 1999, aan boord van het marinefregat Hr.Ms.de Ruyter, in het Caribisch gebied voor de kust van Curaçao, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (eerst en tweede graads brandverwondingen van ongeveer 15% van het lichaamsoppervlak) heeft toegebracht, door die [slachtoffer] opzettelijk te overgieten met hete koffie."
  6. Voor het bewijs heeft het Hof onder meer gebezigd: - de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij - na een woordenwisseling met het slachtoffer - een emmer met hete koffie oppakte toen het slachtoffer binnenkwam, dat zij scheldend op hem toe kwam en dat de hete koffie gedeeltelijk op haar terecht kwam, - de verklaring van het slachtoffer, inhoudende dat verdachte de emmer met hete koffie in zijn handen had en naar haar toe gooide, en - de verklaring van [getuige 1], luidende: "Toen ik op 13 april 1999 in het "caf" kwam zag ik een flinke hoeveelheid koffie op de vloer liggen. Ik vroeg [verdachte]: "Wat is dat ?". Hij zei: "Koffie die ik over [slachtoffer] heb gegooid; we hadden mot met elkaar". Ik hoorde [verdachte] zeggen: "Ik heb de koffie over haar heen gegooid". Tevens zei hij nog: "Levend verbrand is ze"."
  7. Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, dient vooropgesteld te worden dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing behoeft, behoudens bijzondere gevallen, geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden (o.a. HR 17 sept. 2000, 02308/01, AE6118, rov. 4.3).
  8. Anders dan de steller van het middel wil bestaat het substantieel bewijs in de onderhavige zaak niet louter uit de verklaringen van verdachte en het slachtoffer. Het Hof heeft voor het bewijs ook gebezigd de verklaring van [getuige 1], die aan duidelijkheid niet te wensen overlaat.
  9. Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting de geloofwaardigheid pogen aan te tonen van de verklaring van verdachte ter terechtzitting, dat het slachtoffer de koffie over zich heen heeft gekregen omdat zij "laag bij hem inkwam" en niet omdat hij de koffie over haar heen gooide. Hij heeft dit gedaan aan de hand van de verklaringen van de ter terechtzitting gehoorde getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die verklaren over de inrichting van het vertrek waar het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden en over de plaats waar de koffie op de vloer lag. Uit die verklaringen zou volgen dat de koffie is aangetroffen op een plaats die niet te verenigen is met de toedracht zoals die door het slachtoffer is geschetst.
  10. De raadsman is in zijn poging niet geslaagd. Het Hof heeft niet alleen geloof gehecht aan de verklaring van het slachtoffer, maar ook aan die van de getuige [getuige 1]. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is niet van dien aard dat dit oordeel van het Hof nadere motivering zou behoeven. De raadsman heeft in zijn pleitnota wel aangevoerd dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] objectieve getuigen zijn, maar waarom de getuige [getuige 1] dat niet ook is, laat hij in het midden. Daar komt nog bij dat de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] slechts de situatie schetsen die zij aantroffen in het vertrek waarin het bewezenverklaarde feit heeft plaatsgevonden, terwijl de getuige [getuige 1] verklaart over hetgeen verdachte hem heeft gezegd, namelijk dat hij koffie over het slachtoffer heen heeft gegooid. Het oordeel van het Hof is dan ook allesbehalve onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering.
  11. Het middel faalt.
  12. Het middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
  13. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.