Rolnummer C02/035HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 24 januari 2003 Conclusie inzake [de vader] tegen [de moeder] zowel pro se als in haar hoedanigheid van moeder-voogdes over [het kind] Inleiding 1. In deze zaak heeft het Hof in navolging van de Rechtbank bewezen geacht dat thans eiser tot cassatie zijn minderjarige dochter seksueel heeft misbruikt toen zij nog pas 4 en later 5 jaar oud was. Het cassatiemiddel klaagt dat onduidelijk is op welke bewijsconstructie het Hof in zijn bestreden arrest het oog heeft gehad (op een omkering van de bewijslast op de voet van art. 177 slot (oud) Rv., thans art. 150 Rv., dan wel op het toelaten tot het leveren van tegenbewijs), in welk verband wordt geklaagd dat het Hof de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv. heeft miskend dan wel heeft miskend dat de verklaring die de dochter ten overstaan van een politiefunctionaris in het kader van de strafzaak tegen de vader heeft afgelegd, moet worden aangemerkt als een verklaring van een partij-getuige als bedoeld in art. 213 lid 1 (oud) Rv., thans art. 164 Rv. Het middel faalt. Voordat ik daarop inga, geef ik een kort overzicht van het verloop van het geding. 2. In dit geding heeft zich - voorzover in cassatie nog van belang - het volgende voorgedaan.
(1992), nr. 13 en voorts: HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813, HR 24 september 1993, NJ 1994, 226, m.nt HER onder NJ 1994, 227, HR 25 maart 1994, NJ 1995, 549, HR 9 oktober 1998, NJ 1999, 195, m.nt ARB, HR 7 april 2000, NJ 2001, 32, m.nt DA; alsmede: Pitlo-Hidma-Rutgers, Bewijs, 1995, nr. 29-31, G.J. Visser, TCR 1997, p. 73 e.v. en I. Giesen, NTBR 1998, p.
- Uit de overwegingen van Rechtbank zoals hiervoor onder 2 sub iv, v en vi weergegeven kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de Rechtbank met toepassing van de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv., thans art. 150 Rv., de bewijsconstructie van de bewezenverklaring behoudens tegenbewijs heeft gehanteerd. Dat ook het Hof daarvan is uitgegaan en dat het Hof vervolgens ook zelf deze bewijsconstructie heeft toegepast, blijkt duidelijk uit 's Hofs conclusie in rechtsoverweging 4 - een conclusie die volgt op een uitvoerige bespreking van het door de moeder bijgebrachte bewijs - dat de Rechtbank de vader terecht en op juiste gronden met het tegenbewijs heeft belast. 's Hofs overweging (in rechtsoverweging 2) dat de Rechtbank "tot een omkering van de bewijslast is gekomen" omdat aan de verklaringen uit het strafproces "voorshands slechts de conclusie valt te verbinden" dat wel degelijk sprake is geweest van seksueel misbruik, getuigt slechts van het hiervoor bedoelde minder zuivere gebruik van de term "omkering van de bewijslast". Uit het voorgaande volgt dat de middelonderdelen 2 en 4, die veronderstellen dat het Hof een uitzondering op de hoofdregel van art. 177 (oud) Rv. heeft aangenomen, feitelijke grondslag missen en voorts dat de middelonderdelen 1 en 3, met hun klacht dat 's Hofs overwegingen met betrekking tot de bewijslastverdeling onvoldoende duidelijk zijn, eveneens vergeefs zijn voorgesteld.
- Middelonderdeel 5 betoogt dat indien de rechtsoverwegingen van het Hof aldus moeten worden begrepen dat voorshands op grond van het bewijsmateriaal geoordeeld moest worden dat de stellingen van de moeder juist zijn en dat de vader tegenbewijs mocht leveren, 's Hofs verwerping in rechtsoverweging 5 van het beroep van de vader op art. 213 lid 1 (oud) Rv. blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting aangezien dan de verklaringen van de moeder en de dochter wel degelijk moeten worden aangemerkt als verklaringen bedoeld in dat artikel, derhalve verklaringen van een partij "omtrent door haar te bewijzen feiten".
- Ook dit middelonderdeel faalt. Art. 213 Rv. bepaalde, evenals het thans geldende art. 164 Rv., dat indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs te haren voordele oplevert, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze bepalingen hebben slechts betrekking op mondelinge getuigenverklaringen die worden afgelegd in de hoedanigheid van formele of materile procespartij; maatgevend is derhalve of er sprake is van een mondelinge getuigenverklaring die in de loop van het desbetreffende rechtsgeding ten overstaan van de rechter is afgelegd. Zie HR 22 december 1995, NJ 1997, 22 en 23, alsmede de noot van H.J. Snijders onder deze arresten; zie voorts de conclusie van mijn ambtgenoot Strikwerda in de zaak met rolnummer C01/141 waarin de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan. De door [het kind] ten overstaan van een politiefunctionaris afgelegde verklaring zoals weergegeven in het zich bij de stukken bevindende strafvonnis van de Rechtbank die daarbij citeert uit het desbetreffende proces-verbaal, is niet een getuigenverklaring die in de loop van het onderhavige rechtsgeding ten overstaan van een rechter is afgelegd. Het Hof heeft derhalve de grief van de vader dat de verklaring van [het kind] gezien art. 213 (oud) Rv. geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, terecht verworpen wat er overigens zij van de daartoe door het Hof gebezigde gronden. De in het middel vervatte klacht dat het Hof het beroep van de vader op art. 213 Rv. ten onrechte heeft verworpen omdat de verklaring van de moeder moet worden aangemerkt als verklaring als bedoeld in deze bepaling, ziet reeds eraan voorbij dat de vader - terecht - in appel niet heeft geklaagd dat "de verklaring van de moeder" (Rechtbank noch Hof hebben de "bewezenverklaring behoudens tegenbewijs" gebaseerd op verklaringen van de moeder) moet worden gekwalificeerd als een verklaring als bedoeld in art. 213 (oud) Rv. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden