Nr. 01738/02/P Mr. Vellinga Zitting: 4 februari 2002 Conclusie inzake: [veroordeelde = betrokkene]
(2)biedt aanwijzingen voor de door de steller van het middel bepleite toepasselijkheid van het artikel nadat het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg gesloten is. In de Memorie van Toelichting bij bedoeld wetsvoorstel wordt over de voorgestelde wijziging van art. 511c Sv het volgende opgemerkt: "In het in consultatie gegeven wetsontwerp was voorgesteld, de schikkingsbevoegdheid van de officier van justitie in die zin te verruimen, dat ook nadat een door de rechter opgelegde ontnemingsmaatregel onherroepelijk is geworden een schikking zou kunnen worden afgesloten. Mede naar aanleiding van het advies van de NVvR is ervan afgezien, deze wijziging in het onderhavige wetsvoorstel op te nemen. Inderdaad is het in ons bestel niet passend dat de officier van justitie een onherroepelijke uitspraak zou kunnen ontkrachten door alsnog, zonder inschakeling van die rechter, een veel lager ontnemingsbedrag overeen te komen. " Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het de officier van justitie in ons bestel ook niet vrijstaat een beslissing van een rechter opzij te zetten ook al is deze nog niet in kracht van gewijsde gegaan.
- Het middel dat ten onrechte uitgaat van toepasselijkheid van art. 511c Sv in hoger beroep is ondeugdelijk.
- Het eerste en derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. AG 1 Vgl. HR 16 april 2002, LJN AE1179 en AD9946 alsmede HR 23 juni 1998, ZD
- 2 Wetsvoorstel Wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, kamerstukken TK 2001-2002, 28 079, 1-3.