Nr. 00458/02 Mr Jörg Zitting 28 januari 2003 Conclusie inzake: [verzoekster=verdachte]
(2)is daarbij niet van belang aangezien, zoals in het middel terecht wordt opgemerkt, alle raadsheren in een gerechtshof op grond van art. 3, derde lid van de inmiddels vervallen Wet op de samenstelling van de burgerlijke gerechten van rechtswege raadsheer-plaatsvervanger in de overige gerechtshoven zijn (thans art. 58, tweede lid, RO). Het middel had een punt gehad indien de ondertekenaren van het arrest geen raadsheer waren.
- Het middel, dat van een ander niveau is dan ik van de geëerde steller ervan gewend ben, is dus tevergeefs voorgesteld.
- Het tweede middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Overigens merk ik in dit verband nog op dat indien de ernstige gevolgen voor het slachtoffer inderdaad (mede) aanleiding zijn geweest om voorwaardelijk opzet aan te nemen, het hof bij zijn eindoordeel de belangen van het slachtoffer kennelijk minder doorslaggevend heeft geacht; door, anders dan de rechtbank en de eis van de A-G, de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren - in verband met diens medeschuld -, zal de uitkomst van deze zaak óók voor het slachtoffer weinig bevredigend zijn. 2 Ter geruststelling van verzoekster wil ik nog wel opmerken dat mij ambtshalve bekend is dat genoemde raadsheren zijn aangesteld bij het gerechtshof te Arnhem.