Nr.00642/02 Mr Jörg Zitting 28 januari 2003 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(2000)2, p. 117 e.v., m.nt. Y. Buruma, en recent nog HR 14 januari 2003, LJN AE9038).
- Het middel berust dus op een onjuiste rechtsopvatting voor zover het ervan uitgaat dat indien de werkgever van verzoeker onrechtmatig heeft gehandeld door verzoeker te (laten) observeren of door de wijze waarop dit is geschied, dit tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou leiden. In dit verband lijkt mij de betrokkenheid van de 'bijklussende' politieagent bij het onderzoek door het detectivebureau niet relevant, nu deze niet handelde in zijn hoedanigheid van opsporingsambtenaar en voorts is vastgesteld dat de politie niet eerder dan op het moment van aangifte van de wijze van onderzoek op de hoogte is gekomen. 's Hofs oordeel dat zijn privé-daden het openbaar ministerie (en de politie) niet kunnen worden aangerekend voor wat betreft de vervolging van deze zaak, is m.i. dus juist.
- Met zijn oordeel dat de werkgever bevoegd was tot het (laten) observeren van verzoeker heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de onderwerpelijke handelingen niet onder enige strafrechtelijke bepaling vallen. Dit oordeel is juist. De gewraakte opnamen zijn gemaakt vanaf de openbare weg en dus niet in een van de door artikel 139f Sr genoemde ruimtes. Van enige onrechtmatigheid in strafrechtelijke zin is dus geen sprake. In zoverre faalt het middel.
- Het middel voert nog aan dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van de vraag of de observaties onrechtmatig waren omdat deze een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verzoeker inhielden.
- Uit het hierboven onder 6 vermelde volgt dat niet beslissend is of het onderzoek door het detectivebureau een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrachten (kennelijk wordt hier gedoeld op artikel 8 EVRM) en dus onrechtmatig waren, maar of een en ander een zodanige schending oplevert van beginselen van een behoorlijke procesorde of van de rechten van de verdediging, dat bewijsuitsluiting moet volgen. Het zou hier dus niet moeten gaan om de enkele schending van die rechten - want dan was het constateren van de onrechtmatigheid van het handelen voldoende geweest - maar om een 'gekwalificeerde' schending. Het moet gaan om een aperte of, in de woorden van Buruma onder het aangehaalde arrest, een flagrante schending van die rechten (cf. opnieuw HR 14 januari 2003).
- Opmerking verdient dat het redresseren van onrechtmatig optreden van particuliere opspoorders waarvoor geen rechtvaardigingsgrond bestaat (zie M. Kremer, Onrechtmatig verkregen bewijs in civiele zaken, diss. Groningen 1999, p. 129 e.v.) in eerste instantie een zaak van de benadeelde partij is, aan wie hiertoe de bevoegdheden tot aangifte (indien van een strafbaar feit sprake is), tot het doen van een klacht (die tot beboeting of het intrekken van een beveiligingsvergunning zou kunnen leiden), of het indienen van een civiele schadeclaim ten dienste staan. De omstandigheid dat een politieagent (in strijd met de regels) in de concrete zaak 'bijkluste' kan daarbij een factor van belang zijn. Overigens is het niet zo dat de Staat geen enkele rol heeft bij het bevorderen van de eerbiediging van de privacy door particuliere opspoorders, zeker niet indien in ogenschouw wordt genomen dat de particuliere sector op dit punt de overheidssector kwantitatief kan overvleugelen. De bevordering van die eerbiediging valt echter niet aanstonds door het uitsluiten van bewijs tegen iemand die voor een strafbaar feit wordt vervolgd te verwachten, terwijl het argument van de handhaving van de 'rule of law' evenmin aanstonds in het vizier komt, zolang de particuliere sector voor een concrete strafzaak door de Hermandad niet als haar verlengde arm is ingeschakeld.
- Het hof heeft met zijn oordeel omtrent de aard van het onderzoek tot uitdrukking gebracht dat dit geen inbreuk op verzoekers persoonlijke levenssfeer heeft betekend. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. De daaraan door het hof verbonden gevolgtrekking dat dit meebrengt dat bewijsuitsluiting achterwege moet blijven geeft, gelet op het bovenstaande, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ook in zoverre faalt het middel.
- Tot slot voert het middel aan dat de politie al eerder - dan het hof heeft vastgesteld - wist van het onderzoek door het recherchebureau en de wijze waarop dat werd uitgevoerd. Voor zover het middel hiermee doelt op de betrokkenheid van de 'bijklussende' politieagent faalt het op de hiervoor onder 7 vermelde gronden. Voor het overige faalt het omdat dit een stelling van feitelijke aard is die in cassatie niet op zijn juistheid kan worden onderzocht.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel stelt dat het hof niet is ingegaan op het verweer dat de bekennende verklaring van verzoeker niet voor het bewijs had mogen worden gebruikt omdat die bekennende verklaring de vrucht is van op onrechtmatige wijze verkregen bewijsmateriaal.
- Uit de bestreden uitspraak en wat hierboven onder 5 is opgemerkt blijkt dat deze stelling berust op een onjuiste lezing van 's hofs uitspraak. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
- Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop Uw Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG