← Nederland

ECLI:NL:PHR:2003:AF5456

Nr. 00816/02 Mr Machielse Zitting 25 februari 2003 Conclusie inzake: [verdachte]

  1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 5 maart 2002 terzake van
  2. "als getuige in een onder ede voor een commissie van onderzoek als bedoeld in artikel 1, tweede lid van de Wet op de Parlementaire Enquête afgelegde verklaring feiten tegen de waarheid voordragen, meermalen gepleegd" en
  3. "opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden terwijl hij weet of ernstige reden heeft vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
  4. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en samen met mr. I.J.K. van der Meer, eveneens advocaat te Amsterdam, een schriftuur van 116 pagina's ingediend, houdende vijftien middelen van cassatie. Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], onder griffienummer 00815/02 waarin ik heden eveneens concludeer.
  5. In deze zaak gaat het om wat (wellicht) het sluitstuk van wat de IRT-affaire zal gaan worden. De Tweede Kamer heeft op 22 november 1994 besloten een commissie in te stellen met de opdracht een onderzoek te doen naar: '- de aard, ernst en omvang van de zware, georganiseerde criminaliteit; - de feitelijke toepassing, de rechtmatigheid, het verantwoord zijn en de effectiviteit van de opsporingsmethoden; - de organisatie, het functioneren van en de controle op de opsporing.' Het primaire doel van het onderzoek was het verkrijgen van informatie met het oog op het normeren van de methoden die door de politie, bijzondere opsporingsdiensten en justitie kunnen worden gehanteerd.

(1)De parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden, naar haar voorzitter ook wel Commissie Van Traa genoemd (hierna afgekort als PEC), heeft op 1 februari 1996 haar eindrapport aan de voorzitter van de Tweede Kamer aangeboden. De verdachten [medeverdachte] en [verdachte] zijn door de PEC in het openbaar onder ede gehoord. De PEC heeft tegen beiden een proces-verbaal meineed opgemaakt dat is gedateerd 1 februari
  1. Dit proces-verbaal meineed is bij brief gedateerd 31 januari 1996 aan de Hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage aangeboden. Hierop is door de rijksrecherche een opsporingsonderzoek gestart. Dit heeft uiteindelijk geleid tot de veroordeling door het Gerechtshof 's-Gravenhage terzake van meineed. Verdachte is tevens veroordeeld voor het bedreigen van een getuige, die in deze zaak een cruciale rol heeft gespeeld. Ik onderscheid in deze zaak twee hoofdthema's. Het eerste betreft vragen met betrekking tot de bevoegdheden en werkwijze van de PEC en het tweede heeft artikel 285a Sr (intimidatie van getuigen) tot onderwerp. Daarnaast worden in de schriftuur nog wat losse onderwerpen aangesneden. 4.1 Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof het verweer dat het optreden van opsporingsambtenaren, de PEC en vervolgingsambtenaren onrechtmatig is geweest, waardoor beginselen van een behoorlijke procesorde ernstig zijn geschonden, op grond waarvan het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard, heeft verworpen op gronden die die verwerping niet kunnen dragen. 4.2 Het Hof heeft het verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen. 6.1.
  2. Volgens de verdediging is de aangifte van meineed door de Parlementaire Enquête Commissie Opsporingsmethoden (hierna afgekort als: PEC) onrechtmatig, aangezien deze steunt op onrechtmatig verkregen verklaringen van [betrokkene 1]. Het openbaar ministerie had zich ervan moeten vergewissen of de aangifte rechtmatig was en of de verklaringen waarop de aangifte steunde rechtmatig waren verkregen. De aangifte van meineed door de PEC is onrechtmatig, zo betoogt de verdediging, aangezien de aangifte is gebaseerd op en geschied met gebruikmaking van een verklaring van [betrokkene 1], aan wie zowel door de Rijksrecherche als door de PEC een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding was gedaan, en de gedane toezeggingen door de PEC zijn geschonden. In het bijzonder zijn in de aangifte opgenomen de persoonsgegevens van [betrokkene 1] en de door hem vertrouwelijk verstrekte informatie. Het doen van aangifte is in de visie van de verdediging een vorm van openbaarmaking. De aangifte is volgens de verdediging voorts onrechtmatig, nu [betrokkene 1] zijn verklaring ten overstaan van de PEC heeft afgelegd in een zogenaamd besloten gesprek. Een besloten gesprek is niet geregeld in de Wet op de Parlementaire Enquête (hierna afgekort als: WPE), biedt geen enkele waarborg aan betrokkenen en ontbeert mitsdien elke rechtskracht. [Betrokkene 1] is niet gewezen op zijn zwijg- c.q. verschoningsrecht dan wel zijn recht op rechtsbijstand. Er zijn voorts geen nadere afspraken gemaakt over het gebruik van de verklaring van [betrokkene 1]. Aldus is in strijd gehandeld enerzijds met het vertrouwensbeginsel en anderzijds (AM; is gehandeld) met schending van wezenlijke rechtsnormen. Een onrechtmatige aangifte als de onderhavige raakt het wettelijk parlementaire controlesysteem in zijn kern. De onrechtmatige aangifte van de PEC dient volgens de verdediging tot gevolg te hebben dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. De schending door de PEC begaan komt immers voor rekening van het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie had zich kunnen en moeten vergewissen of de aangifte en de verklaringen waarop de aangifte steunde rechtmatig waren verkregen. Door zonder kritische toets van de aangifte tot vervolging over te gaan handelde het openbaar ministerie op ernstige en verwijtbare wijze in strijd met de beginselen van een goede procesorde, waardoor de grondslagen van ons strafproces in de kern worden geraakt. 6.1.
  3. Bij de beoordeling van dit verweer moet worden vooropgesteld dat volgens vaste rechtspraak de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens - een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde opleverend - onrechtmatig optreden van de met opsporing en/of vervolging belaste ambtenaren slechts dan kan volgen indien daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan
(2). Er moet dus in de eerste plaats sprake zijn van een onrechtmatig optreden van de met opsporing en/of vervolging belaste ambtenaren. Dit onrechtmatig optreden moet voorts een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde opleveren. Vervolgens moet door dit onrechtmatig optreden aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak zijn tekort gedaan. Er moet dus een causaal verband zijn tussen het onrechtmatig optreden van de met opsporing en/of vervolging belaste ambtenaren enerzijds en de schending van het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak anderzijds. Tenslotte moet de schending van het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte zijn geschied. 6.1.
  1. Blijkens HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 kan - ook buiten de hiervoor bedoelde gevallen van veronachtzaming van de belangen van de verdachte - onder bijzondere omstandigheden aan een onrechtmatig optreden van de met vervolging belaste ambtenaren de processuele sanctie van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging worden verbonden. De handelwijze van het openbaar ministerie moet dan wel in strijd zijn geweest met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijke voorziene verdeling van bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter. 6.1.4.
  2. Het proces-verbaal van meineed d.d. 1 februari 1996 (hierna aangifte genoemd) houdt onder meer het volgende in: "De commissie is in haar onderzoek gestoten op het zogenoemde saptraject. Een sap- en limonadefabrikant, [betrokkene 1](hof: opgenomen zijn naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, alsook de volledige adresgegevens), heeft in zijn bedrijf in België sappen afkomstig uit dekladingen van door de CID Kennemerland doorgelaten drugstransporten verwerkt. Ook heeft [betrokkene 1] in 1993 in Ecuador een bedrijf opgericht om sappen te exporteren. [Betrokkene 1] verklaart dat hij dit met de [verdachte] en de [medeverdachte], chef van de regionale criminele inlichtingendienst van het Politiekorps Kennemerland besproken heeft. De [medeverdachte] heeft zich volgens [betrokkene 1] voorgedaan als [X]. Hij verklaart ook van hen geld ontvangen te hebben voor het opzetten van een bedrijf in Ecuador. [Verdachte] verklaart in het verhoor van de commissie op 2 november 1995 dat hij nooit met [medeverdachte] heeft gesproken over het geld dat hij, [verdachte], aan [betrokkene 1] heeft betaald of via hem is betaald." 6.1.4.
  3. Bij dit proces-verbaal van meineed zijn (blijkens het proces-verbaal van de Rijksrecherche, blz. 7/8) onder meer gevoegd een fotokopie van het ongecorrigeerde stenografische verslag van het besloten gesprek van de PEC met [betrokkene 1] op 30 oktober 1995 en het verslag van een door de Rijksrecherche opgenomen en afgeluisterd gesprek tussen [betrokkene 1] en [verdachte]. 6.1.4.
  4. Het ongecorrigeerde stenografische verslag is door de PEC niet aan [betrokkene 1] ter goedkeuring en/of correctie voorgelegd. 6.1.
  5. De eerste vraag die beantwoording behoeft, is de vraag of de met opsporing belaste ambtenaren onrechtmatig zijn opgetreden. Het hof stelt allereerst vast dat niet aannemelijk is geworden dat tijdens het feitenonderzoek door de Rijksrecherche aan [betrokkene 1] met het oog op de door hem af te leggen verklaringen een uitdrukkelijke, ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding is gedaan. Wèl is komen vast te staan dat aan alle gehoorde personen, onder wie [betrokkene 1], is toegezegd dat de af te leggen verklaringen niet zonder hun toestemming in enig strafrechtelijk onderzoek zouden worden gebruikt. Daarbij zal vooral gedacht zijn aan reeds gepleegde strafbare feiten en niet aan strafbare feiten die in de toekomst zouden worden gepleegd, zoals meineed. Het hof wijst in dit verband op de op 24 juli 1997 ten overstaan van de rechter-commissaris afgelegde verklaring van rijksrechercheur Koene, die in juli 1995 tot het Fort-team is toegetreden (punt 2), inhoudende: "Ik heb tevoren aan iedereen gezegd waar we mee bezig waren, te weten een oriënterend feitenonderzoek. Ik heb ook gezegd overeenkomstig de in het team afgesproken lijn dat als we een afgenomen verhoor in enig strafrechtelijk onderzoek zouden willen gebruiken, we zouden terugkomen om te vragen of de getuige daar toestemming voor gaf." Het hof refereert voorts aan de mededelingen van het openbaar ministerie in eerste aanleg (zie het schriftelijk requisitoir van de officier van justitie mr. Slits, blz. 7) en in hoger beroep (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 3 december 2001, blz. 3), waarin die toezegging is bevestigd. De Rijksrecherche heeft derhalve geen toezegging geschonden door de PEC te informeren over de door [betrokkene 1] in het feitenonderzoek afgelegde verklaringen en de PEC inzage te verschaffen in die verklaringen. De Rijksrecherche was daartoe zelfs verplicht, gelet op de informatieplicht vervat in artikel 3 WPE en de op grond van die wetsbepaling door de toenmalige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken in februari 1995 met de PEC gemaakte afspraken, onder meer inhoudende dat de commissie, in de persoon van haar voorzitter of bij ontstentenis de vice-voorzitter, alle gegevens die ter kennis komen van de commissie of haar medewerkers kan verifiëren door kennisname van niet-geanonimiseerde en niet-gecodeerde gegevens
(3). De door [betrokkene 1] tijdens het feitenonderzoek afgelegde verklaringen zijn derhalve op rechtmatige wijze ter kennis van de PEC gekomen. Van enig onrechtmatig handelen in dezen van de Rijksrecherche is niet gebleken. 6.1.6.
  1. Vervolgens moet antwoord worden gegeven op de vraag of de PEC onrechtmatig heeft gehandeld, welk handelen dan - volgens de verdediging - voor rekening van het openbaar ministerie dient te komen. Hiertoe overweegt het hof het volgende. 6.1.6.
  2. Blijkens de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel 13 837
(4), dat leidde tot de Wet van 7 september 1977, Stb. 549, tot wijziging van de WPE, dienen de verhoren van getuigen in het openbaar plaats te vinden, zij het dat om gewichtige redenen besloten moet kunnen worden van dat uitgangspunt af te wijken. Deze wijzigingswet leidde tot invoering van artikel 18a WPE. Indien de commissie tot een besloten zitting besluit, dient de getuige op geheimhouding te kunnen rekenen. Daartoe dient onder meer het derde lid van artikel 18a WPE, krachtens hetwelk de leden van een parlementaire enquêtecommissie geheimhouding dienen te bewaren omtrent hetgeen hun tijdens een besloten verhoor ter kennis komt. 6.1.6.
  1. De PEC heeft op 30 oktober 1995 een zogenaamd besloten gesprek met [betrokkene 1] gevoerd. De getuige De Graaf, de toenmalige vice-voorzitter van de PEC, heeft in dit verband ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 verklaard: "De wet maakt alleen onderscheid tussen openbare verhoren en besloten verhoren. Daarnaast zijn er overige verhoren en gesprekken. Er zijn voorgesprekken gehouden met zeer veel personen. Uit die voorgesprekken maakten we een selectie van mensen die we wilden verhoren. Deze Enquêtecommissie heeft als beleidslijn gehanteerd dat we zouden afzien van besloten verhoren. De ratio daarachter is dat de commissie niet kan gebruiken wat wordt verklaard tijdens een besloten verhoor. Als wij met mensen een gesprek aangingen, dan bespraken wij daarbij de mate van vertrouwelijkheid. We hebben [betrokkene 1] dus niet in een besloten verhoor gehoord en hem niet beëdigd, maar met hem een besloten gesprek gevoerd. We hebben dit niet gedaan om de geheimhoudingsplicht te omzeilen. Vanaf het begin heeft de commissie geweten dat het onmogelijk zou zijn om alle gesprekken onder het regiem verhoor te laten vallen. We hebben ervoor gekozen om die mensen in het openbaar te verhoren, die naar ons oordeel van belang waren voor de waarheidsvinding.", en ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2001 verklaard: "Het gesprek met [betrokkene 1] betrof geen getuigenverklaring in een besloten verhoor. Het stenografisch opgemaakt verslag van het gesprek diende ter ondersteuning van de PEC bij de voorbereiding van openbare verhoren". 6.1.6.
  2. De WPE geeft, evenals bijvoorbeeld het Wetboek van Strafvordering, uitsluitend een regeling van de verplichtingen en rechten van degenen die in de (formele) hoedanigheid van getuige of deskundige voor een parlementaire enquêtecommissie moeten verschijnen en door haar worden verhoord. Het verschijnen voor de commissie kan - op basis van vrijwilligheid - door middel van een schriftelijke oproeping plaatsvinden (artikel 4 WPE); indien men niet vrijwillig wenst te verschijnen dient dagvaarding plaats te vinden (artikel 5 WPE). De commissie kan haar bevoegdheid effectueren door een bevel tot medebrenging te laten uitvaardigen (artikel 13 WPE). Een getuige of deskundige is bovendien gehouden desverlangd de eed of belofte af te leggen (artikel 8 WPE) en dient in beginsel de vragen van de commissie te beantwoorden, tenzij zich een van de in de artikelen 18, 19, eerste lid, of 20, tweede lid, WPE bedoelde uitzonderingsgevallen voordoet. Een weigering om aan deze verplichtingen te voldoen kan leiden tot gijzeling (artikel 17 WPE) of strafvervolging (zie artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht). Naast de eerder genoemde verschoningsgronden voorziet de WPE - voor wat de rechtspositie betreft - alleen in de bevoegdheid van getuigen om zich bij het verhoor te laten bijstaan, bijvoorbeeld door een advocaat. Deze regeling van verplichtingen en rechten geldt zowel voor het openbare verhoor als voor het besloten verhoor dat is voorzien in artikel 18a, tweede lid, WPE. Uit hetgeen de getuige De Graaf verklaarde, alsmede uit Bijlage I - Werkwijze en procedures - (blz. 31/32) van het eindrapport van de PEC "Inzake opsporing", blijkt dat ter voorbereiding van die formele verhoren vele (voor)gesprekken door de commissie zijn gevoerd (die op hun beurt mede door interviews werden voorbereid). Die voorgesprekken, door in beginsel de voltallige commissie, "hadden een besloten, vertrouwelijk karakter. Van een gesprek vervaardigde de Stenografische dienst der Staten-Generaal een woordelijk verslag, dat aan de gesprekspartners ter goedkeuring werd voorgelegd".
(5)Op die gesprekken is de regeling van de verhoren in de PEC niet van toepassing; zij dragen dus een informeel karakter. 6.1.6.5. De WPE verzet zich volgens het hof niet tegen het voeren van genoemde besloten gesprekken, op basis van vrijwilligheid. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 1 juli 1991, Stb. 415, tot wijziging van de WPE, waarbij aan de vaste praktijk van een aan de verhoren voorafgaand dossieronderzoek een formeel-wettelijke basis werd gegeven
(6), blijkt niet dat de wetgever slechts informatieverschaffing door getuigen en deskundigen heeft willen toelaten. Zo stelden de indieners van het wetsvoorstel in hun memorie van antwoord
(7): "Voorts willen wij hier nog graag wijzen op een functie van de zgn. informele gesprekken met potentiële getuigen en deskundigen, die de drie na-oorlogse enquêtecommissies in hun procedures hadden opgenomen. Naast een middel voor de commissie om het ‹‹ informatieterrein›› te verkennen konden deze gesprekken ook als middel voor de getuigen en deskundigen dienen om zich, zij het in de beslotenheid, voor te bereiden op de gang van zaken tijdens de verhoren". De besloten gesprekken dienen dus onder meer "om het informatieterrein te verkennen" en maken deel uit van de procedures van alle na-oorlogse parlementaire enquêtecommissies. Aangenomen moet worden dat de wetgever het in 1991 nog niet nodig heeft geoordeeld om aan die informele gesprekken een formeel-wettelijke basis te verschaffen. Het stellen van vragen vindt immers zijn legitimatie in het informatierecht dat ieder lid van de Staten-Generaal op grond van de aard van zijn functie heeft. Zie ook de verklaring van de deskundige prof. Boon ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 12). De onderzoeksmethoden van parlementaire enquêtecommissies hebben zich sedert de totstandkoming van genoemde wet verder ontwikkeld. Uit de verklaring van de getuige De Graaf is gebleken dat door de PEC is afgezien van besloten verhoren in verband met de daaraan volgens deze commissie gekoppelde geheimhoudingsplicht. Juist in verband met de aard van het door haar te onderzoeken onderwerp heeft de PEC gebruik gemaakt van het besloten gesprek. Overigens heeft dit de PEC ertoe gebracht in haar Eindrapport te adviseren om de WPE in die zin te wijzigen dat de mogelijkheid moet worden geopend om "in zeer uitzonderlijke gevallen van een besloten verhoor onder ede een openbaar verslag te publiceren". In tegenstelling tot voorgaande enquêtecommissies heeft de PEC zich daarbij op het standpunt gesteld dat artikel 18b, eerste lid, WPE niet de mogelijkheid biedt tot het openbaar maken van een verslag van een besloten verhoor
(8). Volgens het hof kan hier worden gesproken van een voortschrijdend inzicht van de elkaar opvolgende parlementaire enquêtecommissies omtrent de te volgen procedures en te hanteren onderzoeksmethoden
(9). Contra legem is de praktijk van het besloten gesprek niet, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis, omdat voorop blijft staan dat "de volksvertegenwoordiging in ons staatsbestel het recht en vooral de plicht heeft alle inlichtingen te verkrijgen die nodig zijn om de waarheid te ontdekken"
(10). De stelling van de verdediging dat het besloten gesprek "elke rechtskracht ontbeert" wordt door het hof, gelet op het vorenoverwogene, niet onderschreven. 6.1.6.6. Gelet op de informele status van het besloten gesprek kan een dergelijk gesprek uitsluitend op basis van vrijwilligheid plaatsvinden. Een besloten gesprek valt naar haar aard in beginsel binnen het toepassingsbereik van de artikelen 10, eerste lid van de Grondwet, artikel 8, eerste lid, EVRM en artikel 17, eerste lid, IVBPR: de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Voorafgaande aan dit gesprek dient daarom het vrijwillige karakter van het gesprek door de commissie aan betrokkene te worden meegedeeld en dienen met betrokkene duidelijke afspraken te worden gemaakt over de mate van vertrouwelijkheid die terzake in acht zal worden genomen, opdat betrokkene weet waarmee hij instemt. Uitgangspunt behoort te zijn dat de commissie geheimhouding bewaart, tenzij betrokkene uitdrukkelijk toestemming geeft om het verslag van het gesprek of gedeelten daaruit openbaar te maken dan wel aan derden te verstrekken. Het vertrouwelijke karakter van het besloten gesprek brengt dit mee. Aan de vertrouwelijkheid van het besloten gesprek komt meer gewicht toe als betrokkene een concreet rechtens te respecteren belang, bijvoorbeeld in verband met de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en/of veiligheid, erbij heeft dat het besloten gesprek geheim blijft. Uit de met de toenmalige Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gemaakte afspraken
(11)blijkt dat de PEC zich heeft verplicht criminele inlichtingen, waaronder gegevens uit CID-registers, vertrouwelijk te behandelen om geen afbreuk te doen aan de belangen van opsporing van strafbare feiten en privacy. 6.1.6.7. Ten aanzien van het besloten gesprek met de getuige [betrokkene 1] is het navolgende gebleken. De getuige De Graaf heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 4) verklaard dat [betrokkene 1] zichzelf via de Rijksrecherche bij de PEC heeft aangemeld, dat hij zijn verhaal kwijt wilde en dat hij door de PEC niet was uitgenodigd. Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 december 2001 heeft de getuige De Graaf voorts verklaard: "Noch tijdens het gesprek noch anderszins is mij gebleken dat [betrokkene 1] niet uit vrije wil het gesprek met de PEC voerde". Op zijn beurt heeft [betrokkene 1] tegenover de onderzoeksrechter in de rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen in aanwezigheid van de Nederlandse rechter-commissaris verklaard dat hij aan De Wit had gevraagd "ervoor te zorgen dat hij naar Van Traa toe kon".
(12)Uit niets blijkt dat [betrokkene 1] zijn verklaring ten overstaan van de PEC niet in vrijheid heeft afgelegd. Die verklaring stemt voorts in grote lijnen overeen met die welke hij in het feitenonderzoek heeft afgelegd. De waarborgen die aan [betrokkene 1] toekwamen, en derhalve ook door de PEC in acht behoorden te worden genomen, hadden uitsluitend betrekking op hem toekomende waarborgen als burger, namelijk de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van hemzelf en zijn gezin, welk belang van [betrokkene 1] gevaar zou kunnen lopen in geval van openbaarmaking dan wel verstrekking aan derden van zijn volledige persoonsgegevens in combinatie met de door hem met betrekking tot het 'saptraject' verschafte informatie. 6.1.6.
  1. Uit het ongecorrigeerde stenografische verslag van het met [betrokkene 1] gevoerde besloten gesprek kan worden afgeleid dat met [betrokkene 1] enige afspraken zijn gemaakt over de mate van vertrouwelijkheid van het gesprek met het oog op de aanstaande openbare verhoren van [verdachte] en [medeverdachte], zij het dat die afspraken geenszins uitmunten door duidelijkheid. Zo heeft de toenmalige voorzitter van de PEC uitdrukkelijk aan het begin van het gesprek tegen [betrokkene 1] gezegd (blz. 1): "Het blijft wel een vertrouwelijk gesprek, dus wij zullen er niet direct uit citeren zonder uw toestemming. Na het gesprek zullen wij het er nog over moeten hebben hoe wij moeten omgaan met de kennis die u ons geeft." De getuige De Graaf heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 7), toen hem die passage werd voorgehouden, verklaard dat in plaats van na het gesprek had moeten staan: aan het einde van het gesprek, omdat maar één gesprek met de getuige [betrokkene 1] is gevoerd. In de loop van het gesprek benadrukte de voorzitter van de PEC vervolgens dat de naam van de getuige [betrokkene 1] "in het openbaar niet zal vallen" maar dat de commissie "er wel achter moet komen hoe het zit" (blz. 47). Verderop in het gesprek sprak de voorzitter (blz. 53): "[betrokkene 1], wij zullen uw naam helemaal niet noemen, want daar kunt u schade van lijden. Dat zou niet goed kunnen zijn. Maar de dingen die u nu vertelt, dat kunnen wij wel aan [verdachte] en [medeverdachte] vragen en ze daarmee confronteren", waarop [betrokkene 1] antwoordde: "Natuurlijk. Als [verdachte] daar zou zitten en ik daar, zou ik hem recht in zijn gezicht vertellen als hij blijft liegen. Ik ben een eerlijk mens. Je moet niet liegen. Alles moet toch verteld worden tegen u?" De voorzitter sprak daarop: "Dat is te hopen, ja. Maar u wilt dat zelf niet vertellen in het openbaar." [Betrokkene 1] antwoordde: "Omdat mijn belang anders is." De voorzitter vervolgde: "Voor een boel mensen is het niet in hun belang om bij ons te komen in het openbaar. Wij kunnen met u meer rekening houden, maar u wilt dat ook absoluut niet?" [Betrokkene 1] antwoordde: "Neen, ik moet verder. Maar als ik hier geconfronteerd word, als dat nodig is om de waarheid te vertellen." De voorzitter voegde daar nog aan toe: "Wij zetten u niet onder ede. Dat heeft ook een speciale reden, want dan zouden wij het eigenlijk helemaal niet gebruiken. Dan moet het sowieso helemaal geheim, alleen maar onder ons blijven. Wij kunnen er niet eens iemand mee confronteren, dus daarom doen wij dat niet. Maar alles wat u hier gezegd heeft, daar zou u ook voor zweren? U hoeft dat niet te doen, maar zou u dat wel doen?" [Betrokkene 1] antwoordde vervolgens bevestigend. In het vervolg van het gesprek verklaarde [betrokkene 1] (blz.66): "Ik heb gemeend de volledige waarheid te vertellen. Ik vind dat Haarlem ook de waarheid moet vertellen. Als u mij daarvoor nodig heeft in kruisverhoor, kom ik meteen. Dat is één. Twee, maar dat heeft u al verteld: wilt u er rekening mee houden dat na van Traa, sorry dat ik het zo zeg, er nog meer leven is." Iets verderop doet [betrokkene 1] de suggestie om hem maar 'limonadefabrikant' te noemen (blz. 66). Nadien vroeg de voorzitter nog eens (blz. 67): "Maar goed, u heeft er geen bezwaar tegen dat wij de heren confronteren met uw waarheid?", waarop [betrokkene 1] antwoordde: "Dat moet u doen". De voorzitter sprak vervolgens: "Maar dat is voor een deel ook in het openbaar, zij het dat wij uw naam afschermen", waarop [betrokkene 1] antwoordde: "Ik hoop dat [verdachte] dan niet met mijn naam naar boven komt om een of andere reden". De voorzitter zei vervolgens: Maar dat moet u zich wel goed realiseren, want zo moeten wij, misschien helaas voor u, wel ons werk doen. Wij begrijpen dat het in uw belang is, in het belang van uw privacy, om dat deel af te schermen dat u anders zou kunnen beschadigen. Maar er zijn hier natuurlijk wel een paar dingen over tafel gegaan waar wij de mensen mee moeten confronteren." [Betrokkene 1] antwoordde: "Moet dat allemaal in het openbaar?", waarop de voorzitter antwoordde: "Het principe, ja.". 6.1.6.
  2. Uit het verslag van het besloten gesprek valt af te leiden dat [betrokkene 1] na enig sturend optreden van de toenmalige voorzitter van de PEC wel inzag dat [verdachte] en [medeverdachte] tijdens de openbare verhoren zouden worden geconfronteerd met de door hem tijdens het besloten gesprek afgelegde verklaring en dat hij daar geen bezwaar tegen had, zij het dat hij zich bij voortduring bezorgd toonde voor zijn eigen veiligheid. Met het oog op die veiligheid is hem door de toenmalige voorzitter van de PEC toegezegd dat hij niet in het openbaar zou worden verhoord en dat hij bij de openbare verhoren als limonadefabrikant zou worden aangeduid. Aldus zou de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] ook niet worden geschonden, aangezien immers geen gegevens zouden worden geopenbaard die zouden leiden tot identificeerbare individuele gegevens van [betrokkene 1]. 6.1.6.
  3. Uit de processen-verbaal van de openbare verhoren van [verdachte] en [medeverdachte] blijkt naar 's hofs oordeel genoegzaam dat de PEC deze beperkte mate van vertrouwelijkheid in acht genomen heeft. 6.1.6.
  4. Niet is gebleken dat [betrokkene 1] voor, tijdens dan wel na het besloten gesprek op 30 oktober 1995 toestemming heeft gegeven om diens persoonsgegevens in combinatie met de door hem verstrekte informatie op te nemen in de aangifte van de PEC
(13). Beantwoording behoeft mitsdien de vraag of die toestemming ook nodig was, nu het ook voor de PEC toch wel duidelijk moet zijn geweest dat [betrokkene 1] in verband met de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van hemzelf en zijn gezin een rechtens te respecteren belang had om die combinatie van gegevens geheim te houden. 6.1.6.
  1. Het hof acht, gezien de verklaring van de getuige De Graaf ter terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2001 (blz. 8), aannemelijk dat de PEC zich verplicht voelde om aangifte te doen van meineed en dat de PEC, ook als [betrokkene 1] daarvoor geen toestemming zou hebben gegeven, diens naam in de aangifte zou hebben opgenomen. De PEC heeft derhalve bij het doen van aangifte aan het belang van een strafrechtelijk onderzoek naar de vermoede meinedige verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] doorslaggevende betekenis toegekend. Voor wat betreft het daaraan ondergeschikt gemaakte belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van [betrokkene 1] en diens gezin ging in ieder geval de getuige De Graaf ervan uit dat het doen van aangifte geen vorm van openbaarmaking was en dat de naam van [betrokkene 1] allang bij het openbaar ministerie bekend was, zodat er geen aanleiding was een gefingeerde naam te gebruiken. De vraag die het hof thans onder ogen moet zien is de vraag of die (belangen)afweging door de PEC rechtmatig was. 6.1.6.
  2. Daartoe overweegt het hof het volgende. Artikel 25, eerste lid, WPE bedreigt met straf het voordragen als getuige van een onder ede afgelegde verklaring tegen de waarheid. Artikel 24 WPE bepaalt dat, behalve ingeval van artikel 25, nimmer verklaringen voor een commissie als bewijs in rechte gelden, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd hetzij tegen derden. In het door artikel 25 WPE beoogde geval kunnen verklaringen ten overstaan van de PEC afgelegd dus als bewijs in rechte gelden. Artikel 25 WPE heeft daarbij het oog zowel op de meinedige verklaring zelf als op de verklaringen die nodig zijn voor het bewijs van de meinedigheid van die verklaring. In artikel 25 WPE wordt voorts geen onderscheid gemaakt tussen verklaringen die tijdens een openbaar verhoor en verklaringen die tijdens een besloten verhoor zijn afgelegd. De geheimhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 18a, derde lid, WPE geldt dus niet in geval van toepassing van artikel 25 WPE. Een andere uitkomst zou immers artikel 25 WPE in geval van een besloten verhoor tot een zinloze bepaling maken. Alsdan zouden immers noch de meinedige verklaring zelf noch de verklaringen die nodig zijn voor het bewijs van de meinedigheid van die verklaring in de aangifte kunnen worden opgenomen. Een getuige, gehoord tijdens een besloten verhoor van een parlementaire enquêtecommissie, is, behoudens in het geval aan de getuige krachtens de WPE of een verdragsbepaling een verschoningsrecht toekomt, verplicht te antwoorden (zie art. 15, tweede lid, WPE). Zoals hiervoor reeds uiteengezet, geldt de geheimhoudingsplicht ten aanzien van een besloten verhoor in geval van een vermoeden van meineed niet. De parlementaire enquêtecommissie is bevoegd bij de totstandkoming van de aangifte uit dat besloten verhoor te citeren. De vraag of deze situatie in geval van een besloten gesprek anders ligt, nu immers een besloten gesprek een informele status heeft en een dergelijk gesprek niet binnen het toepassingsbereik van artikel 24 WPE valt, beantwoordt het hof ontkennend. Naar 's hofs oordeel komt in geval van een besloten gesprek, gezien het grote belang dat de wetgever hecht aan een strafrechtelijk onderzoek terzake van een ten overstaan van een parlementaire enquêtecommissie gepleegde meineed, overeenkomstige toepassing toe aan het bepaalde in artikel 24 juncto artikel 25 WPE. Het valt mitsdien te billijken dat de PEC, nadat eenmaal het vermoeden van meineed met betrekking tot de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] was gerezen - en dat vermoeden ontstond pas toen [verdachte] en [medeverdachte] in de hoedanigheid van getuige tijdens een openbaar verhoor ten overstaan van de PEC onder ede werden gehoord - daarvan aangifte heeft gedaan en dit belang op dat moment zwaarder heeft laten wegen dan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van [betrokkene 1] en zijn gezin. Overigens beschikte het openbaar ministerie ten tijde van de aangifte al uit anderen hoofde over alle gegevens uit het 'saptraject', inclusief de naam en verdere persoons- en adresgegevens van [betrokkene 1]. 6.1.6.
  3. Nu de openbare verhoren van [verdachte] en [medeverdachte] aanstaande waren en er een gerede kans bestond dat zij bij hun eerder in het feitenonderzoek en bij de besloten gesprekken ten overstaan van de PEC afgelegde verklaringen zouden blijven, moet het voor de PEC duidelijk zijn geweest dat, als [verdachte] en [medeverdachte] tijdens de openbare verhoren de reeds door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, een verdenking terzake van meineed zou kunnen ontstaan en bij het opmaken van een proces-verbaal van meineed de persoonsgegevens van [betrokkene 1] niet zouden kunnen worden gemist. Daar staat tegenover dat de PEC jegens [verdachte] en [medeverdachte] blijk zou hebben gegeven van vooringenomenheid, indien zij [betrokkene 1] vooraf erop zou hebben geattendeerd dat, als [verdachte] en [medeverdachte] de door hen afgelegde verklaringen zouden bevestigen, mogelijk jegens hen aangifte van meineed zou worden gedaan. Het valt mitsdien te billijken dat de PEC tijdens het besloten gesprek van [betrokkene 1] ervan heeft afgezien [betrokkene 1] zelf te informeren hoe eventueel met zijn persoonsgegeven en de door hem verstrekte informatie zou kunnen worden omgegaan indien [verdachte] en [medeverdachte] bij de door hen afgelegde verklaringen tijdens de openbare verhoren zouden persisteren. 6.1.6.
  4. Het had volgens het hof de voorkeur verdiend indien de PEC voorafgaand aan alle besloten gesprekken, juist nu een besloten gesprek zo'n informeel en vertrouwelijk karakter heeft, aan betrokkenen zou hebben meegedeeld dat er niet zonder meer van mocht worden uitgegaan dat geheimhouding zou worden betracht ingeval tijdens een openbaar of besloten verhoor van een getuige een verdenking van meineed zou ontstaan. Betrokkene zou dan op grond van de gegeven informatie de vrijheid hebben gehad om geheel of gedeeltelijk af te zien van het afleggen van een verklaring. Het zou volgens het hof jegens [betrokkene 1] van een zorgvuldig overheidsoptreden hebben getuigd indien de PEC hem - voordat aangifte werd gedaan - daarover zou hebben geïnformeerd. Het hof kan zich - gelet op de veelvuldige contacten tussen de Rijksrecherche en [betrokkene 1] - niet voorstellen dat hij met het oog hierop voor de PEC niet bereikbaar zou zijn geweest. Zoals reeds overwogen, was toestemming van [betrokkene 1] niet vereist, vanwege het zwaarder wegende belang van het strafrechtelijke onderzoek terzake van meineed door [verdachte] en [medeverdachte]. Van enig als onrechtmatig te kwalificeren optreden van de PEC is derhalve in de zienswijze van het hof geen sprake geweest. Reeds aan de eerste voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging gestelde voorwaarde, te weten onrechtmatig optreden van de PEC, is dus volgens het hof niet voldaan. 6.1.6.
  5. Het hof overweegt voorts nog het volgende. Door het doen van aangifte door de PEC nam het strafrechtelijk onderzoek terzake van meineed een aanvang. De enkele opneming in die aangifte van de persoonsgegevens van [betrokkene 1] in combinatie met de door hem vertrouwelijk verstrekte informatie behoeft op zichzelf nog geen ernstig gevaar voor de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van [betrokkene 1] en zijn gezin op te leveren. Van enige openbaarmaking van die persoonsgegevens die een dergelijk gevaar zouden kunnen veroorzaken was ten tijde van de aangifte geen sprake. De PEC mocht er redelijkerwijs vanuit gaan dat ook de wettelijke regeling van het strafproces voldoende waarborgen bood om de identiteit van [betrokkene 1] geheim te houden. De getuige Coenen, de toenmalige griffier van de PEC, heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep van 22 november 2001 verklaard dat tijdens de persconferentie, waarin de aangifte van de PEC openbaar is gemaakt, de naam van [betrokkene 1] niet is genoemd. Niet aannemelijk is mitsdien geworden, dat de aangifte van de PEC een schending van beginselen van een goede strafprocesorde oplevert, laat staan dat die schending de kwalificatie ernstig zou verdienen. 6.1.
  6. In de zienswijze van het hof brengt voorts een onrechtmatig optreden van de PEC niet zonder meer ook een onrechtmatig optreden van het openbaar ministerie met zich mee. Niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie onzorgvuldig met de onderhavige aangifte is omgegaan. Het strafrechtelijk onderzoek heeft pas tot een vervolging geleid nadat het openbaar ministerie van [betrokkene 1] toestemming had gekregen om zijn tegenover de Rijksrecherche afgelegde verklaringen in het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken
(14). [Betrokkene 1] genoot al voordat hij toestemming verleende bijstand van een raadsman
(15). [Betrokkene 1] heeft voorts bij verschillende andere gelegenheden toestemming gegeven voor het verrichten van bepaalde onderzoekshandelingen. Evenmin is aannemelijk geworden dat de persoonsgegevens van [betrokkene 1] juist ten gevolge van het strafrechtelijk onderzoek zijn geopenbaard. Het openbaar ministerie heeft weliswaar verzuimd aan [betrokkene 1] toestemming te vragen om in het strafrechtelijk onderzoek het verslag van het besloten gesprek te mogen gebruiken, maar het hof tilt hieraan niet zo zwaar, omdat dit besloten gesprek ten opzichte van de vele andere door [betrokkene 1] afgelegde verklaringen nauwelijks nieuwe feiten bevatte. Het hof constateert tenslotte dat de officier van justitie in de tenlastelegging, die - in tegenstelling tot de aangifte door de PEC - wél een openbaar karakter heeft, slechts de initialen van [betrokkene 1] heeft opgenomen en er aldus blijkt van heeft gegeven de vereiste zorgvuldigheid jegens deze in acht te hebben genomen. Enig onrechtmatig optreden van de zijde van het openbaar ministerie is derhalve niet aannemelijk geworden. 6.1.
  1. Wil een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging slagen, dan moet nog een andere voorwaarde worden vervuld: door het gestelde onrechtmatige optreden moet aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak zijn tekort gedaan. Ook aan die voorwaarde is in de onderhavige zaak niet voldaan. Door de wijze van totstandkoming van de aangifte zijn [verdachte] en [medeverdachte] niet in enig belang geschaad. Zij hebben ten volle, in het bijzonder ter terechtzitting van het hof, [betrokkene 1] als getuige kunnen ondervragen en de betrouwbaarheid van de door hem afgelegde verklaringen onder de directe observatie van het hof kunnen testen. Bij de wijze van totstandkoming van de aangifte is voorts - zo blijkt uit het hiervoor overwogene - niet een zodanig algemeen en fundamenteel belang van de gemeenschap aan de orde dat het openbaar ministerie op basis van die aangifte geen vervolging tegen [verdachte] mocht instellen. Niet aannemelijk is allereerst geworden dat de PEC doelbewust de aan [betrokkene 1] toekomende rechten heeft willen schenden. De PEC heeft voorts eenmaal geconfronteerd zijnde met het vermoeden van meinedigheid van de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte] een te billijken belangenafweging gemaakt. Tenslotte, is de PEC is er - terecht - van uitgegaan dat het openbaar ministerie pas na een zorgvuldige afweging van de alle in het geding zijnde belangen, waaronder die van [betrokkene 1], zou beslissen of ook daadwerkelijk een vervolging zou plaatsvinden, hetgeen naderhand ook is geschied. 4.
  2. In de toelichting wordt de klacht nader onderbouwd en in een aantal onderdelen opgesplitst. Omwille van de leesbaarheid zal ik het middel onderdeel voor onderdeel bespreken. Voorafgaand daaraan hecht ik eraan erop te wijzen dat het Hof terecht voorop heeft gesteld dat een niet-ontvankelijkheidsverweer slechts kan slagen indien voldaan is aan de in de jurisprudentie van de Hoge Raad gestelde eisen. Het Hof heeft daarbij met name het oog op NJ 1996, 249 en NJ 1999,
  3. Het Hof heeft de verweren binnen dit kader besproken en is tot de conclusie gekomen, dat aan geen van de gestelde eisen voldaan is. In cassatie geldt in beginsel dat als een aangevallen beslissing - in dit geval de verwerping van het niet-ontvankelijkheidsverweer - steunt op meerdere gronden, terwijl één van die gronden reeds voldoende is om het verweer niet te laten slagen, ondeugdelijkheid van de andere gronden toch niet tot cassatie kan leiden
(16), en dus ook middelen (of onderdelen daarvan) gericht tegen die andere gronden geen bespreking behoeven. Ik zal het middel echter wel in zijn geheel bespreken, omdat Uw Raad op onderdelen tot een ander oordeel zou kunnen komen en omdat in deze zaak naar mijn inzicht een volledige bespreking ook wel op zijn plaats is. 4.4.1 Het eerste onderdeel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat niet aannemelijk is geworden dat tijdens het feitenonderzoek (Fort) door de Rijksrecherche aan de getuige [betrokkene 1] een uitdrukkelijke ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding is gedaan en dat het optreden van de opsporingsambtenaren op dat punt rechtmatig is geweest. Dat oordeel zou onbegrijpelijk zijn. Verder zou 's Hofs oordeel dat de Rijksrecherche op grond van artikel 3 van de Wet op de Parlementaire Enquête (PWE) zelfs verplicht was de PEC inzage te verschaffen in de verklaringen van [betrokkene 1] zoals afgelegd in het feitenonderzoek (Fort) van een onjuiste rechtsopvatting getuigen (punt 2 tot en met 10 van de schriftuur). 4.4.2 Het college van procureurs-generaal heeft in april 1995 opdracht gegeven tot een onderzoek van de Rijksrecherche naar de activiteiten van de Criminele Inlichtingen dienst (CID) Kennemerland. De aanleiding voor die opdracht vormden berichten over het toepassen van ongeoorloofde opsporingsmethoden door deze CID
(17). In het kader van dit feitenonderzoek heeft de getuige [betrokkene 1] een aantal verklaringen afgelegd. Dit onderdeel van het middel richt zich met name tegen de door het Hof onder 6.1.5 gegeven overwegingen, zoals hiervoor weergegeven. Het punt van discussie is de status van de verklaring(en) van de getuige [betrokkene 1] die hij heeft afgelegd in het kader van het feitenonderzoek. 4.4.3 Vooropgesteld moet worden dat uit het verband van overweging 6.1.5 van het Hof blijkt dat de kwestie die daar behandeld wordt de vraag betreft of het door de Rijksrecherche, te weten het Fort-Team, verstrekken van de verklaringen van [betrokkene 1] aan de PEC onrechtmatig is geweest, immers in strijd met een toezegging. In dat licht is het wat verwarrend dat het Hof deze overweging is aangevangen met de vraagstelling of met opsporing belaste ambtenaren onrechtmatig zijn opgetreden. Het Fort-Team was immers niet met een opsporingsonderzoek bezig maar met een feitenonderzoek. Wat het Hof mijns inziens in overweging 6.1.5 niet onbegrijpelijk tot uitdrukking heeft gebracht, is dat door het Fort-Team aan [betrokkene 1] zeker toezeggingen met betrekking tot geheimhouding van zijn verklaringen zijn gedaan, maar dat die toezeggingen slechts inhielden dat zonder zijn toestemming zijn verklaringen niet in een strafrechtelijk onderzoek zouden worden gebruikt. Met andere woorden die toezegging van geheimhouding was niet absoluut en ongeclausuleerd. Een PEC verricht geen strafrechtelijk onderzoek en daarom kon de Rijksrecherche dan ook zonder de toezegging te schenden, de verklaringen van [betrokkene 1] aan de PEC ter beschikking stellen. De steller van het middel veegt allerlei onderzoek maar op één hoop. Het oordeel van het Hof dat van onrechtmatig handelen van de Rijksrecherche in dat opzicht niet is gebleken is gelet op de door het Hof vastgestelde feiten niet onbegrijpelijk. Dit deel van de overweging kan de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie voor zover daaraan ten grondslag was gelegd dat de rijksrecherche de verklaringen van [betrokkene 1] niet aan de PEC ter beschikking had mogen stellen, zelfstandig dragen. Het hof heeft bovendien onder 6.1.7 vastgesteld dat het OM van [betrokkene 1] toestemming heeft gekregen zijn tegenover de Rijksrecherche afgelegde verklaringen in het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken. Ook daarom gaat dit onderdeel van het middel niet op. 4.4.4 Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 4.4.3 heb opgemerkt kan 's Hofs overweging met betrekking tot de informatieplicht ex artikel 3 van de WPE worden beschouwd als een overweging ten overvloede. Maar die overweging lijkt mij op zichzelf juist; dit ook weer ten overvloede. Artikel 3 WPE is in zeer algemene bewoordingen gesteld. Uitzonderingen zijn slechts met mondjesmaat toegelaten, bijvoorbeeld in art. 18 en art. 19 WPE. Het hof heeft gesproken van een onaannemelijkheid van een ongeclausuleerde toezegging tot (absolute) geheimhouding en van de verplichting van de Rijksrecherche tot het verschaffen van inlichtingen aan de PEC op grond van art. 3 WPE en de op grond van die wetsbepaling door de ministers van justitie en binnenlandse zaken met de PEC gemaakte afspraken. Dat er grenzen zijn gesteld aan het inzagerecht in de artikelen 18 en 19 WPE betekent niet dat ook de Rijksrecherche zich achter zo een grens had kunnen terugtrekken en met een beroep op enigerlei in de WPE opgenomen uitzondering zich aan de verplichting tot het verschaffen van inlichtingen aan de PEC had kunnen onttrekken. De verwijzing in de schriftuur naar de afspraken tussen de PEC en ministers loopt ook dood. Die afspraken zijn gemaakt in het kader van de mogelijkheden voor de PEC inlichtingen in te winnen en houden onder meer in dat beide ministers alle mogelijke medewerking toezeggen aan de PEC. Voorts bevatten de stukken van de PEC een brief van de voorzitter van de commissie over de afspraken met de ministers met de volgende inhoud
(18): Afspraken ten behoeve van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (...)
  1. Op grond van art. 3 van de Wet op de Parlementaire Enquête zijn ambtenaren in overeenstemming met de bepalingen van deze wet gehouden gevolg te geven aan de vordering van de commissie tot het verschaffen van inzage in, het nemen van afschrift van of het anderszins laten kennisnemen van alle bescheiden waarover zij beschikken en waarvan naar het redelijk oordeel van de commissie inzage, afschrift of kennisneming anderszins voor de vervulling van haar taak nodig is. De commissie heeft zich verplicht criminele inlichtingen, waaronder gegevens uit de CID-registers, vertrouwelijk te behandelen om geen afbreuk te doen aan de belangen van opsporing van strafbare feiten en privacy. Aan de medewerkers van de commissie is een geheimhoudingsplicht opgelegd.
  2. De commissie en haar medewerkers kunnen gegevens opvragen of inzage in gegevens verlangen die volgens de verstrekker herleidbaar zijn tot de persoon van informanten of volgens deze de verstrekking tot levensbedreigende situaties kan leiden. Mocht een ambtenaar menen dat gegevens informatie bevatten die herleidbaar is tot de persoon van informanten of waarvan de verstrekking tot levensbedreigende situaties kan leiden, dan stelt hij de enquêtecommissie daarvan in kennis. Deze gegevens kunnen geanonimiseerd en/of gecodeerd worden door de verstrekker, dat wil zeggen niet herleidbaar tot de identiteit van de bron van de criminele inlichtingen. Deze geanonimiseerde en/of gecodeerde gegevens worden vervolgens voorgelegd aan de officier van justitie mr. M. van Erve of de officier van justitie mr. A. van der Kerk. Hij beziet of anonimisering en/of codering in overeenstemming met deze afspraken is en stelt daarvan de commissie in kennis. Beiden staan onder supervisie van de voorzitter van het college van procureurs-generaal, mr. A.H.W. Docters van Leeuwen.
  3. Indien de verstrekker in exceptionele gevallen meent dat de verstrekking van gegevens in strijd is met het belang van de staat als bedoeld in de Wet op de Parlementaire Enquête(artikelen 20 t/m 22), dan legt hij de gegevens voor aan de betrokken minister.
  4. (...)
  5. De commissie, in de persoon van haar voorzitter of bij ontstentenis de vice-voorzitter, kan alle gegevens die ter kennis komen van de commissie, haar medewerkers of de onderzoeksgroep Fijnaut verifiëren door kennisname van niet-geanonimiseerde en niet-gecodeerde gegevens.
  6. Deze afspraken laten de rechten van de enquêtecommissie en de minister, zoals omschreven in de wet op de Parlementaire Enquête, ten aanzien van inzage in of kennisneming van bescheiden en verhoren van getuigen en deskundigen, onverlet. De steller van het middel ziet onder punt 10 van de toelichting op het eerste middel over het hoofd dat de afspraken tussen PEC en ministers niet de strekking hadden om een "inzageplicht" (waarmee de steller van het middel wel zal hebben gedoeld op een verplichting tot medewerking) in het leven te roepen, maar om vast te leggen hoe de gegevensverstrekking aan de PEC gestalte zou krijgen. Het recht van de PEC om inzage te nemen in documenten en inlichtingen in te winnen berust niet op die afspraken, maar rechtstreeks op art. 3 WPE. 4.5.1 Het tweede onderdeel van het eerste middel voert aan dat het Hof het verweer dat de PEC onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van het systeem van besloten (voor)gesprekken, op onjuiste gronden heeft verworpen (punt 11 tot 16 van de schriftuur). Mede op grond van het besloten gesprek met [betrokkene 1] heeft de PEC een proces-verbaal meineed (aangifte) tegen [verdachte] opgemaakt. In dat proces-verbaal heeft de PEC informatie opgenomen die haar in het besloten gesprek met [betrokkene 1] ter ore was gekomen. De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie was volgens de raadsman in het geding, omdat het openbaar ministerie de onrechtmatige aangifte, het onrechtmatig handelen van de PEC, niet had mogen gebruiken voor het starten van een onderzoek. 4.5.2 Dit onderdeel van het middel richt zich met name tegen de door het Hof onder 6.1.6.1 tot en met 6.1.6.5 gegeven overwegingen, zoals hiervoor weergegeven. In de kern komen die overweging erop neer dat de besloten gesprekken niet wettelijk geregeld zijn; dat deze gesprekken een informeel karakter hebben en plaatsvinden op basis van vrijwilligheid; dat het stellen van vragen evenwel zijn legitimatie vindt in het informatierecht dat ieder lid van de Staten-Generaal op grond van zijn functie heeft; dat het houden van besloten gesprekken niet in strijd is met de WPE; dat de wetgever zich bij de wijziging van de WPE in 1991
(19)het bestaan en de functie van de besloten gesprekken heeft gerealiseerd, maar het niet nodig heeft geoordeeld die gesprekken van een formeel-wettelijke basis te voorzien en dat het houden van besloten gesprekken kan worden aangemerkt als het resultaat van een voortschrijdend inzicht van de elkaar opvolgende parlementaire enquêtecommissies. Het Hof heeft zijn oordeel uitvoerig gemotiveerd. Die motivering geeft naar mijn inzicht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend. Het hof heeft zelfs nog de momenten in de wetsgeschiedenis van de WPE aangewezen waarin aan de voorgesprekken uitdrukkelijk aandacht is besteed. Het verschijnsel van de voorgesprekken is - zo blijkt daaruit - niet buiten het gezichtsveld van de wetgever gegroeid, maar juist in de volksvertegenwoordiging verwelkomd en gekoesterd. Ik merk nog op dat ook de deskundige, prof. Boon ter zitting van het Hof van 5 oktober 2001 heeft onderschreven, dat het houden van informele gesprekken zijn legitieme basis vindt in het feit dat kamerleden het recht hebben informatie in te winnen. Tijdens die informele gesprekken heeft een enquêtecommissie geen enkel dwangmiddel tot haar beschikking. Alles geschiedt op basis van vrijwilligheid met het oog op de latere behandeling. De rechtspositie van iemand die als gesprekspartner fungeert in die voorgesprekken is in tegenstelling tot wat de steller van het middel beweert niét volstrekt onhelder. Als die persoon niet wil komen, dan mag hij wegblijven. Als hij zijn mond wil houden, of bepaalde informatie niet wil meedelen, kan hij dat doen. Als hij de PEC wil voorliegen riskeert hij geen strafvervolging. Wil hij zich doen bijstaan door een advocaat dan kan dat. Wil hij vrouw en kinderen meenemen of zijn hond, dan is daarover te praten. Juist degene met wie de PEC vooraf graag wil spreken heeft alle troeven in handen. De steller van het middel spreekt ten onrechte van een voortdurende uitholling van de rechtspositie van een mogelijke 'voorgetuige', omdat diens positie juist veel sterker is dan de positie van de getuige die door de PEC in het openbaar wordt verhoord. Er is geen sprake van een niet geregelde vorm van waarheidsvinding; de feitenvaststellingen aan de hand van verklaringen van getuigen en deskundigen geschieden immers in het deel van het onderzoek waarin de verhoren worden gehouden. Of wil de steller van het middel de leden van een PEC ook het recht ontzeggen een boek te lezen over de materie waarmee zij bezig zijn, naar een radioprogramma daarover te luisteren, omdat de WPE deze wijze van waarheidsvinding niet heeft geregeld? Voorts heeft het hof vastgesteld dat de getuige [betrokkene 1] zich zélf via de Rijksrecherche bij de PEC heeft aangemeld, dat [betrokkene 1] zijn verhaal kwijt wilde en dat hij eerst door de PEC niet was uitgenodigd (6.1.6.7). Ook heeft het hof verwezen naar de afspraken die de PEC bij monde van haar voorzitter met [betrokkene 1] heeft gemaakt, onder meer over de mogelijkheid dat [verdachte] en [medeverdachte] zouden worden geconfronteerd met de verklaringen van [betrokkene 1]. 4.5.3 De steller van het middel heeft onder punt 16 van schriftuur naar voren gebracht dat het arrest aan nietigheid zou lijden, omdat het Hof naar aanleiding van een gevoerd verweer geen onderzoek heeft ingesteld naar de vraag waarom de PEC [betrokkene 1] niet heeft ingelicht over zijn rechten en plichten, in het bijzonder de het recht op bijstand door een raadsman. Waarop de steller van het middel een verplichting van de PEC construeert om in een voorgesprek een persoon op "zijn rechten en plichten" te wijzen is mij niet duidelijk geworden. Die voorgesprekken zijn, zoals ik reeds opmerkte, verkennend van aard. De burger heeft in die gesprekken enkel rechten, geen verplichtingen. Hij kan niet verplicht worden in zo een voorgesprek te verschijnen, wordt niet onder ede gehoord etc. In het gesprek met [betrokkene 1] zijn allerlei onderwerpen aan de orde geweest, waaronder ook de mogelijkheid dat aan [verdachte] en [medeverdachte] de inhoud van het gesprek met [betrokkene 1] zou worden voorgehouden. Wat de PEC nog meer zou moeten doen is mij niet duidelijk, laat staan waarop een plicht voor de PEC om proprio motu te gaan onderzoeken of [betrokkene 1] voldoende was geïnformeerd kan worden gegrond. Opmerking verdient voorts dat de passage van de pleitnota in hoger beroep waarnaar de steller van het middel verwijst, onderdeel uitmaakt van het niet-ontvankelijkheidsverweer. Het hof heeft op dat verweer een uitvoerig gemotiveerde beslissing gegeven, waarbij het Hof ook zoveel als mogelijk is ingegaan op de verschillende door de raadsman aangevoerde argumenten. Het is onvermijdelijk dat het Hof niet expliciet op elk subonderdeeltje kan responderen. Ik meen echter dat het hof in overweging 6.1.8 , waar wordt overwogen dat niet aannemelijk is dat de PEC doelbewust de aan [betrokkene 1] toekomende rechten heeft willen schenden, er voldoende blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of het door de raadsman aangevoerde de ontvankelijkheid van het Hof in de weg zou kunnen staan. Dit onderdeel van het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 4.6.1 Het derde onderdeel van het eerste middel keert zich tegen de overwegingen van het Hof met betrekking tot de door de PEC aan de getuige [betrokkene 1] bij het besloten gesprek toegezegde geheimhouding. In hoger beroep is aangevoerd dat de PEC de aan [betrokkene 1] toegezegde geheimhouding heeft geschonden door in het proces-verbaal van meineed (aangifte) zijn volledige personalia te vermelden. De daarop door het Hof gegeven overweging dat de PEC een belangenafweging heeft moeten maken en dat de PEC ook zonder toestemming van [betrokkene 1] diens naam in de aangifte zou hebben opgenomen, zou gelet op met name de ter zitting afgelegde verklaring van de getuige Coenen, de griffier van de PEC, onbegrijpelijk zijn. Het oordeel van het Hof over de vraag of die belangenafweging rechtmatig was, zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting en ontoereikend gemotiveerd zijn. 4.6.2 Dit onderdeel van het middel richt zich met name tegen de door het Hof onder 6.1.6.6 tot en met 6.1.6.12 gegeven overwegingen, zoals hiervoor weergegeven. Deze overwegingen laten zich als volgt kort samenvatten. Een informeel gesprek vindt alleen plaats op basis van vrijwilligheid. Een dergelijk gesprek valt binnen het toepassingsbereik van verdrags- en wetsbepalingen met betrekking tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Uitgangspunt dient te zijn dat de commissie geheimhouding bewaart, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming geeft het verslag of een deel daarvan openbaar te maken, dan wel aan derden te verstrekken. Aan de vertrouwelijkheid van het besloten gesprek komt meer gewicht toe als de betrokkene er een rechtens te respecteren belang bij heeft dat het gesprek geheim blijft (bijvoorbeeld zijn veiligheid). Het Hof heeft vastgesteld dat de door PEC met de getuige [betrokkene 1] gemaakte afspraken omtrent de vertrouwelijkheid niet uitmunten in duidelijkheid, dat [betrokkene 1] wel inzag dat [medeverdachte] en [verdachte] bij het openbaar verhoor zouden moeten worden geconfronteerd met delen uit zijn verklaring en dat hij daarmee akkoord ging, zij het dat hij bezorgd was over zijn eigen veiligheid. Met het oog daarop is hem toen toegezegd dat in ieder geval geen gegevens zouden worden geopenbaard die zouden zijn terug te leiden tot identificeerbare individuele gegevens van [betrokkene 1]. Het Hof heeft vastgesteld dat de PEC die mate van vertrouwelijkheid bij de openbare verhoren in acht heeft genomen. De PEC heeft een proces-verbaal meineed opgemaakt en dit aan de hoofdofficier van justitie te 's-Gravenhage doen toekomen. In dit proces-verbaal meineed zijn de persoonsgegevens van [betrokkene 1] in combinatie met door hem verstrekte informatie vermeld. Het Hof heeft vastgesteld dat niet is gebleken dat [betrokkene 1] daarvoor toestemming heeft gegeven. Het Hof heeft vervolgens overwogen dat aan het doen van aangifte een belangenafweging vooraf is gegaan. De PEC zou aan het (maatschappelijk) belang van een strafrechtelijk onderzoek naar de mogelijk meinedige verklaring een doorslaggevende betekenis hebben toegekend. 4.6.3 Het oordeel van Hof dat er een belangenafweging heeft plaatsgevonden acht ik niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft voor de motivering van dat oordeel verwezen naar de verklaring van De Graaf (vice-voorzitter van de PEC) zoals afgelegd ter zitting van het Hof van 5 oktober 2001. De getuige De Graaf is toen de vraag gesteld of de PEC bij het doen van aangifte het belang van [betrokkene 1] bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van [betrokkene 1] tegen het algemeen belang van strafvervolging van getuigen die tegenover de PEC meinedige verklaringen hebben afgelegd, heeft afgewogen. De getuige De Graaf heeft daarop als volgt geantwoord: De PEC voelde zich verplicht om aangifte te doen van meineed. De naam van [betrokkene 1] was allang bekend bij het openbaar ministerie. Het Fort-Team kende hem immers bij naam en bij dat team waren twee advocaten-generaal nauw betrokken. (...) Wij zagen geen reden om in het verkeer "PEC-openbaar ministerie" een gefingeerde naam te gebruiken. We hebben daarvoor geen toestemming gevraagd aan [betrokkene 1]. Als hij toch bezwaar had gemaakt tegen het gebruik van zijn naam, dan hadden wij zijn naam eveneens gewoon opgenomen in de aangifte. Ik zie dit niet als een vorm van openbaarmaking. (...).
(20)De steller van het middel plaatst daartegenover de verklaring die de griffier van de PEC als getuige heeft afgelegd inhoudende dat geen belangenafweging heeft plaatsgevonden. Hier is sprake van twee elkaar (min of meer) tegensprekende verklaringen. Vooropgesteld moet worden dat de keuze welke verklaring gevolgd wordt aan de feitenrechter is voorgebehouden. Dat het Hof is afgegaan op de verklaring van De Graaf en de conclusies die het daaruit heeft getrokken acht ik, gelet op zijn positie als vice-voorzitter van de PEC, niet onbegrijpelijk. 4.6.4 Het Hof heeft zich vervolgens de vraag gesteld of de afweging van de PEC en het daaruit voortvloeiende besluit om aangifte te doen rechtmatig is geweest. Daartoe heeft het Hof overwogen hetgeen onder 6.1.6.13 tot en met 6.1.6.17 in het arrest is opgenomen. De kern daarvan is dat het Hof, gelet op het grote belang dat de wetgever hecht aan een strafrechtelijk onderzoek terzake van een ten overstaan van een PEC gepleegde meineed, op het besloten gesprek de artikelen 24 en 25 van de WPE van overeenkomstige toepassing acht. Dat betekent dat in een besloten gesprek verkregen informatie, behalve in het geval van meineed, nooit als bewijs in rechte kan gelden, niet tegen de getuige en niet tegen een derde. Het Hof acht het dan ook te billijken dat de PEC, nadat een vermoeden van meineed was gerezen, daarvan aangifte heeft gedaan en daarbij de verklaring van [betrokkene 1] die hij in het besloten gesprek had afgelegd heeft gebruikt. Voor wat betreft het gebruik van de persoonsgegevens van [betrokkene 1] acht het Hof het van belang dat het openbaar ministerie ook al uit andere bron, te weten het Fort-onderzoek gegevens had over de getuige [betrokkene 1] en het zogenaamde 'saptraject'. Het Hof benadrukt nog dat het beter was geweest als de getuige [betrokkene 1] voor het besloten gesprek in zijn algemeenheid zou zijn medegedeeld dat hij er niet zonder meer vanuit mocht gaan dat geheimhouding zou worden betracht ingeval tijdens een openbaar of besloten verhoor een verdenking van meineed zou ontstaan, maar dat gelet op het belang van een strafrechtelijk onderzoek, van een als onrechtmatig te kwalificeren optreden van de PEC geen sprake is. Het Hof overweegt verder dat het enkele opnemen van de persoonsgegevens in combinatie met de door [betrokkene 1] verstrekte informatie, op zichzelf geen gevaar voor de persoonlijke levenssfeer en de veiligheid van hem en zijn gezin behoeft op te leveren. Van openbaarmaking van die gegevens is geen sprake geweest. De PEC mocht er vanuit gaan dat de wettelijke regeling van het strafproces voldoende waarborgen zou bieden om de identiteit van [betrokkene 1] geheim te houden. Voorts is het openbaar ministerie naar het oordeel van het Hof discreet met de door de PEC verschafte informatie omgegaan. Het Hof overweegt tot slot dat voor een geslaagd beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan
(21), en dat in casu aan geen van die voorwaarden is voldaan. 4.6.5 De steller van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat de artikel 24 en 25 van de WPE wel van overeenkomstige toepassing zijn op het besloten gesprek. Dat zou niet zijn te rijmen met de eerdere overweging van het Hof dat de informele gesprekken buiten het toepassingsbereik van de WPE vallen. Het Hof heeft in overweging 6.1.6.4 inderdaad aangegeven dat de regeling van verhoren in de WPE niet van toepassing is op de informele gesprekken. De kern van die opmerking van het Hof is dat de PEC ten aanzien van getuigen bij een besloten (voor)gesprek geen rechten heeft en dat die getuigen geen plichten hebben
(22). De vraag wat de PEC met de informatie verkregen tijdens het besloten gesprek zou kunnen, mogen en misschien wel moeten doen is van een andere orde. Uit de aard van de gesprekken en uit de specifieke taak van de commissie vloeit mijns inziens voort dat dan aansluiting dient te worden gezocht bij WPE. De vóórgesprekken dienen immers om de PEC inzicht te verschaffen en om de getuigen en deskundigen te laten voorproeven van wat hun te wachten staat bij de officiële verhoren. Het zou dan eigenaardig zijn als de PEC de voorbereidende gesprekken niet in het perspectief van het eindresultaat, de verhoren, zou plaatsen. Vandaar dat voorbereiding en uitvoering op elkaar zijn afgestemd, zoals wel vaker gebeurt. Ook het strafrechtelijk vooronderzoek bereidt in gevallen waarin gedagvaard wordt het eindonderzoek voor. In de wereld van kunst en wetenschap is een voorstudie zonder enige lijn met latere, meer definitieve prestaties een vreemde eend in de bijt en een verspilling van tijd, geld en moeite. Het Hof is van oordeel dat op de besloten gesprekken in ieder geval (minimaal) een overeenkomstige bescherming als die de WPE biedt van toepassing is. De deskundige prof. Boon was dezelfde mening toegedaan. Overigens meen ik op grond van de wetsgeschiedenis dat de opvatting van de steller van het middel dat artikel 18a lid 3 WPE (de verplichting tot geheimhouding van wat in een besloten verhoor is gezegd) niet geacht kan worden te wijken voor artikel 24 jo. 25 van de WPE, onjuist is. De regeling van het besloten verhoor en de daaraan verbonden geheimhouding is pas in de WPE opgenomen bij wijzigingswet van 7 september 1977 (Wetsvoorstel 13837, Stb. 1977, 549). Daarvoor kende de WPE geen bepaling met betrekking tot de openbaarheid dan wel beslotenheid van een verhoor. In de tot dan toe gehouden parlementaire enquêtes was het gebruik dat de verhoren in besloten zittingen werden afgenomen
(23). De artikelen 24 en 25 WPE maken echter al deel uit van de WPE vanaf de totstandkoming in 1850 en zijn, waar het betreft de mogelijkheid een verklaring in geval van meineed 'in rechte' te gebruiken, inhoudelijk nooit veranderd. Een verandering is ook nooit ter sprake geweest. Dat betekent mijns inziens dat de wetgever ook voor het besloten verhoor zoals dat na de wetswijziging van 1977 mogelijk bleef (en daarvóór gangbaar was) de artikelen 24 en 25 onverkort van toepassing achtte. Als de verhouding tussen art. 18a en de artikelen 24 en 25 WPE aldus al moet worden verstaan voor de officiële verhoren is er zeker geen grond om de voorgesprekken anders te behandelen. Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het Hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. 4.6.6 Vervolgens voert de steller van het middel aan dat het Hof geen recht heeft gedaan aan het vertrouwensbeginsel. [betrokkene 1] zou informatie hebben gegeven in het vertrouwen dat die niet door overheid openbaar zou worden gemaakt. Het vertrouwensbeginsel zou zwaarder dienen te wegen dan het belang van waarheidsvinding, en Uw Raad zou deze afweging ook altijd ten faveure van het vertrouwensbeginsel hebben laten uitvallen. Uit de arresten die op dit punt in de schriftuur worden genoemd valt de in het middel voorgestane algemene opvatting omtrent het vertrouwensbeginsel echter in het geheel niet af te leiden. De steller van het middel ziet in ieder geval over het hoofd dat het hof ook heeft vastgesteld dat er van openbaarmaking van de inhoud van de voorgesprekken met [betrokkene 1] door het doen van aangifte geen sprake is geweest. Openbaarmaking zal te verstaan zijn als 'publiek maken', 'beschikbaar stellen aan het publiek'. Daarvan is inderdaad geen sprake bij het doen van aangifte. Van een ontoelaatbare schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake geweest. 4.7.1 Het vierde onderdeel van het eerste middel keert zich tegen de door het Hof onder 6.1.7 gegeven overweging, die onbegrijpelijk zou zijn. Ik zie niet in waarom die overweging onbegrijpelijk zou zijn. Het Hof heeft vooropgesteld dat eventueel onrechtmatig optreden van de PEC niet automatisch onrechtmatig optreden van het openbaar ministerie met zich brengt. Ik wijs er echter op dat het Hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat van onrechtmatig optreden van de PEC geen sprake is geweest
(24). Het hof heeft door te overwegen dat de PEC bevoegd was aangifte te doen geen blijk gegeven van een verkeerde uitleg van bepalingen van de WPE. Daarom was het openbaar ministerie ook niet gehouden om een verzuim van de PEC, waarvan het hof nu juist heeft vastgesteld dat dit niet bestond, te herstellen. Reeds daarom gaat dit onderdeel niet op. Vervolgens heeft het Hof - ten overvloede - nog overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie onzorgvuldig met de aangifte van de PEC is omgegaan. Het openbaar ministerie is pas tot vervolging overgegaan nadat [betrokkene 1] toestemming had gegeven zijn in het kader van het Fort-Onderzoek afgelegde verklaringen te gebruiken. Het openbaar ministerie heeft weliswaar verzuimd [betrokkene 1] toestemming te vragen voor het gebruik van het verslag van het besloten gesprek met de PEC, maar het Hof heeft daar niet zo zwaar aan getild, omdat die verklaring ten opzichte van die andere verklaringen van [betrokkene 1] nauwelijks nieuwe feiten bevatte. Het Hof constateert verder dat het openbaar ministerie ten aanzien van de persoonsgegevens van [betrokkene 1] de nodige zorgvuldigheid heeft betracht en komt tot de slotsom dat zelfstandig onrechtmatig handelen van de zijde van het openbaar ministerie niet aannemelijk is geworden. Die conclusie is toereikend gemotiveerd. 4.7.2 Ik merk nog op dat mijns inziens uit het feit dat [betrokkene 1] aan het onderzoek mee wilde werken en toestemming gaf verklaringen te gebruiken, (achteraf) zelfs ook wel een stilzwijgende toestemming voor het gebruik van de in het besloten gesprek met de PEC afgelegde verklaring kan worden afgeleid. Het ging er [betrokkene 1] met name op dat zijn persoonlijk levenssfeer en veiligheid niet in gevaar zouden komen. Op dat punt vallen zowel de PEC als het openbaar ministerie geen verwijten te maken; zowel de PEC als het openbaar ministerie zijn discreet met de persoonsgegevens van [betrokkene 1] omgegaan
(25). De vergelijking met de beslissing van het Hof om de verklaring van [medeverdachte] uit het dossier te verwijderen
(26)gaat in niet op, omdat het daar ging om een verklaring afgelegd in het kader van het feitenonderzoek (Fort), terwijl voor het gebruik in het opsporingsonderzoek geen toestemming was gegeven, en ook overigens geen verklaring van deze getuige beschikbaar was en de getuige ook verder niet aan het onderzoek wilde meewerken. 4.8 Ten slotte is in het eerste middel aangevoerd dat het Hof door te overwegen dat een verdachte ook concreet in zijn belangen moet zijn geschaad, HR 3 juli 2001, NJ 2002, 8 m. nt. Sch. heeft miskend, omdat daarin zou zijn bepaald dat een schending van fundamentele (de grondslagen van het strafproces rakende) beginselen tot niet-ontvankelijkheid kan leiden, zelfs als het openbaar ministerie niet verwijtbaar heeft gehandeld en zelfs als de verdachte niet concreet in zijn belangen geschaad is. Mijns inziens leest de steller van het middel - wellicht geïnspireerd door de door Schalken bij dit arrest geschreven annotatie - te veel in het genoemde arrest. Wat in vervolg op NJ 1999, 567 overeind blijft is dat in zeer uitzonderlijke gevallen ook niet-ontvankelijkheid kan volgen als er niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan (dus zonder dat de verdachte in zijn belangen is geschaad). Die uitzondering is in NJ 2002, 8 echter feitelijk ingeperkt tot die gevallen waarin het fundamentele belang van de gemeenschap bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat, in het geding is. De eis dat verdachte in zijn belangen moet zijn geschonden (NJ 1996, 249) geldt dus niet in een specifiek uitzonderingsgeval. Het Hof is zich daarvan ook bewust geweest, getuige het feit dat het Hof blijkens overweging 6.1.3, NJ 1999, 567 (zonder blijk te geven van een onjuiste interpretatie) in zijn overwegingen betrokken heeft. Dat het Hof van oordeel is dat zo'n uitzonderingsgeval zich te dezen niet voordoet, vloeit voort uit de door het Hof gegeven overwegingen. Dat oordeel geeft geen blijk van een miskenning van de toepasselijke maatstaven en is niet onbegrijpelijk. Dan blijft dus overeind dat voor niet-ontvankelijkheid die schending van de belangen van de verdachte in deze zaak aanwezig moet zijn. Het Hof heeft niet onbegrijpelijk overwogen dat daarvan geen sprake is. 4.9 De bovenstaande beschouwingen gaan in de op de onderdelen van het eerste middel. Zij zijn aangepast aan de omvang van het middel en zijn toelichting en zijn daarom nogal ruim uitgevallen. In wezen was zo een uitgebreide behandeling niet nodig geweest. De uitgebreidheid van het eerste middel inclusief toelichting camoefleert eigenlijk dat de steller van het middel te gemakkelijk over standaardoordelen in de strafvordering heenstapt. Toetsing aan die standaardwaarden leidt er toe dat het eerste middel in een zeer kort bestek kan blijken kansloos te zijn. Bij wijze van uitsmijter zal ik die uitgangspunten thans weergeven. In de eerste plaats hebben alle onderdelen van het eerste middel betrekking op beweerde schendingen van regels die niet bedoeld zijn om de belangen van verdachte maar om die van de getuige [betrokkene 1] te waarborgen. Dat onzorgvuldig met de belangen van [betrokkene 1] zou zijn omgesprongen betekent niet dat jegens verdachte onregelmatig is geopereerd.
(27)In de tweede plaats is er geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het OM als een niet voor de strafvervolging verantwoordelijke autoriteit zoals de PEC onregelmatigheden zou hebben begaan of vertrouwen zou hebben geschonden.
(28)In de derde plaats is het niet zo dat de PEC onder auspiciën van het OM heeft gewerkt of door het OM of door opsporingsambtenaren is aangestuurd.
(29)Het Fort-onderzoek heeft weliswaar onder leiding van functionarissen van het OM plaatsgevonden, maar dat was geen opsporingsonderzoek gericht op verdachte of zelfs op [betrokkene 1]. Het was zelfs geen onderzoek dat de strekking had een opsporingsonderzoek voor te bereiden. Kortom, het OM is niet tekortgeschoten in de strafzaak tegen verdachte in de bewaking van beginselen van behoorlijk strafproces die de strekking hebben aan verdachte een 'fair trial' te garanderen. Alle onderdelen van het middel vallen buiten het kader dat in art. 359a Sv en in de rechtspraak is uitgetekend. Aldus is de cirkel gesloten en zijn wij weer bij de uitgangspunten die het hof onder 6.1.2 van zijn arrest als uitgangspunt heeft genomen. 4.10 Het eerste middel faalt in al zijn onderdelen. 5.1 Het tweede middel voert aan dat nu uit de bewijsmiddelen niet kan blijken dat verdachte zich tijdens zijn verhoor door de PEC heeft laten bijstaan, het Hof gehouden was te onderzoeken waarom de PEC verdachte zonder bijstand heeft gehoord en daarvan blijk te geven in het arrest. Die noodzaak zou er temeer zijn nu in hoger beroep is aangevoerd dat de verdachte bij zijn verhoor door de PEC niet in vrijheid heeft kunnen verklaren. De steller van het middel meent dat de WPE een verhoor met bijstand als meest wenselijke gang van zaken vooropstelt en dat slechts op grond van gewichtige redenen daarvan kan worden afgeweken. 5.2 Vooropgesteld moet worden dat mij niet is gebleken dat een verweer van deze strekking ter zitting van het Hof is gevoerd. Uit het wel gevoerde verweer dat het nemo teneturbeginsel was geschonden, behoefde het Hof niet op te maken dat daarbij tevens ingegaan diende te worden op de vraag of de verdachte door de PEC met bijstand had moeten worden gehoord. Integendeel zou ik geneigd zijn te zeggen. Als de verdediging in feitelijke aanleg in dezelfde mate als de steller van het cassatiemiddel een nauwe band tussen het nemo-teneturbeginsel en het recht op rechtsbijstand bij de verhoren door de PEC had verondersteld had het toch voor de hand gelegen om in feitelijke aanleg dat verband te benadrukken. Nu dat niet gebeurd is was de verdediging in feitelijke aanleg kennelijk van mening dat het een geen relevant verband met het ander had. Ik wijs er ook op dat de steller van het middel niet heeft aangegeven welk nadeel het ontbreken van rechtsgeleerde bijstand tijdens de verhoren door de PEC aan verdachte in de strafzaak heeft berokkend. Waarom de procedures voor rechtbank en hof niet eerlijk zijn geweest vermeldt het middel immers niet. Doelt de steller wellicht op de totstandkoming van de verklaring door verdachte ten overstaan van de PEC afgelegd en welke verklaring door het hof als meinedig voor het bewijs is gebezigd? In dat geval geldt het volgende.Uit de bewijsmiddelen behoeft niet te volgen dat deze rechtmatig zijn verkregen
(30). Pas als een rechtstreeks en ernstig vermoeden rijst dat een onrechtmatigheid is begaan mag het betreffende bewijsmiddel niet zonder meer worden gebruikt
(31). Anders gezegd, de hoofdregel dat de rechtmatigheid niet behoeft te blijken vindt slechts uitzondering als het betrouwbaarheids- of rechtmatigheidsoordeel van de rechter inzake het gehanteerde bewijsmiddel, alle bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, niet zonder meer begrijpelijk is; een nadere motivering mag dan niet achterwege blijven
(32). Waarom van zo'n uitzonderingsgeval hier sprake zou zijn legt de steller van het middel niet uit. Ik wijs er nog op dat hetzelfde stelsel ook geldt voor de niet-ontvankelijkheid van het OM in zijn vervolging.
(33)5.3 Ten overvloede echter nog het volgende. Het Hof heeft bij de bespreking van het verweer dat het nemo teneturbeginsel was geschonden tevens overwogen dat verdachte op grond van art. 8a WPE gerechtigd was zich bij zijn verhoor door de PEC te laten bijstaan, maar dat niet is gebleken dat hij van dat recht gebruik heeft gemaakt. Het Hof heeft met die overweging geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan de steller van het middel meent valt uit de wetsgeschiedenis van de WPE niet op te maken dat een verhoor door de PEC in beginsel met bijstand plaats dient te vinden en dat slechts op grond van gewichtige redenen daarvan zou kunnen worden afgeweken. Evenmin bevat de wetsgeschiedenis een aanwijzing dat de enquêtecommissie verplicht zou zijn na te gaan waarom een getuige niet is voorzien van rechtskundige bijstand. 5.4 Artikel 8a WPE dat bij wijziging van de WPE in 1977
(34)is toegevoegd luidt als volgt:
  1. Een getuige is gerechtigd zich tijdens het verhoor te laten bijstaan.
  2. Om gewichtige redenen kan de commissie besluiten, dat een getuige zonder bijstand wordt verhoord. Oorspronkelijk hield het voorgestelde art. 8a in dat de voorzitter van de commissie bevoegd was een getuige toestemming te verlenen zich tijdens het verhoor te laten bijstaan. In de memorie van toelichting is bij het oorspronkelijk voorgestelde artikel 8a het volgende opgenomen: Artikel D introduceert het recht van de getuige om zich, met instemming van de voorzitter, tijdens een verhoor te laten bijstaan. Denkbaar is dat een getuige, bij voorbeeld in een onderzoek van de commissie voor de verzoekschriften het wenselijk vindt dat iemand hem terzijde staat, hetzij omdat deze op zijn getuigenis een verhelderende toelichting zou kunnen geven, hetzij omdat hij verwacht dat dergelijke bijstand van iemand die met zijn persoonlijke of zakelijke omstandigheden vertrouwd is, hem voor onnauwkeurigheden zou kunnen behoeden. Indien een getuige de wens te kennen geeft om te worden bijgestaan, beslist de voorzitter van de commissie van onderzoek of zulks zal kunnen worden toegestaan.
(35)Bij amendement is het voorgestelde artikel 8a gewijzigd
(36)in die zin dat het recht van een getuige op bijstand voorop wordt gesteld en dat de getuigen dat recht slechts om gewichtige redenen kan worden ontzegd. Het amendement werd toegelicht met één zin, inhoudende dat de regel moet zijn dat de getuige zelf zal mogen bepalen of hij tijdens het verhoor bijstand wenst.
(37). 5.5 De hoofdregel is dus dat de getuige voor de PEC het recht heeft om zich bij te laten staan. Die bijstand is overigens niet aan advocaten of andere juridische dienstverleners voorbehouden. Het initiatief daartoe dient uit te gaan de van de getuige
(38). Daarvan is mij ten aanzien van het verhoor van de verdachte door de PEC niet gebleken. Bedacht moet worden dat het onderzoek van de PEC geen onderzoek naar de gegrondheid van een 'criminal charge' is, er daarom ook geen sprake is van verdedigingsrechten, en art. 6 EVRM voor wat betreft dit punt in ieder geval niet van toepassing is. Het Hof behoefde dus geen onderzoek te doen naar de vraag waarom de PEC verdachte zonder bijstand heeft gehoord, niet omdat het niet was aangevoerd en ook niet omdat het voor de rechtmatigheid van het bewijs of het ingestelde onderzoek in casu niet van belang kon zijn, laat staan dat het in strijd zou zijn met beginselen van behoorlijke procesorde dat het hof niet heeft onderzocht of de advocaat van verdachte voor het verhoor door de PEC was uitgenodigd. 5.6 Het tweede middel faalt. 6.1 Het derde middel klaagt erover dat het Hof het verweer dat de verklaringen van verdachte zoals afgelegd ten overstaan van de PEC niet in vrijheid zijn afgelegd en mitsdien in strijd met het nemo teneturbeginsel zijn verkregen, heeft verworpen op gronden die de verwerping niet kunnen dragen. 6.2 Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen: 6.3.1. Het ontbreken van een verschoningsrecht in de WPE wordt volgens de verdediging doorkruist door het nemo tenetur-beginsel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM
(39). [Verdachte] is onder druk gezet met behulp van door middel van dubieuze onderzoeksmethoden vergaarde informatie. [Verdachte] was van de concrete verdenking op de hoogte en kon niet meer in vrijheid zijn proceshouding bepalen. De dwang bestond uit het feit dat hij onder ede werd gehoord en dat hem bij een valse verklaring een strafvervolging boven het hoofd hing. Als hij geen valse verklaring zou afleggen, dan zou hij zichzelf zonder meer belasten (voor die andere strafbare feiten die in het Fort-onderzoek naar voren waren gekomen). Als onderdeel van de op hem uitgeoefende druk - die ook nog eens door de publiciteit, met name door de rechtstreekse TV-uitzending van het verhoor, werd versterkt - geldt ook de onzekerheid waarin hij kwam te verkeren omtrent de vraag of de door hem verstrekte informatie later toch niet als bewijs tegen hem zou worden gebruikt. Het ontbreken van de mogelijkheid tot zwijgen heeft direct het gebruik van de door [verdachte] afgelegde verklaringen - die immers substantieel doorwerken naar de bewijsvoering in de meineedprocedure - fataal besmet. Door [verdachte] te vervolgen heeft het openbaar ministerie in elk geval het fundamentele beginsel van een eerlijk proces geschonden. De door [verdachte] afgelegde verklaringen mogen in ieder geval volgens de verdediging niet tot bewijs dienen. De uitzondering voor meinedige verklaringen op het bewijsverbod van artikel 24 WPE komt in strijd met het nemo tenetur-beginsel als de verdachte gedwongen wordt een valse verklaring af te leggen omdat hij zichzelf anders (voor andere strafbare feiten) zou belasten. Op die grond dient de uitzondering op het bewijsverbod in dit geval buiten toepassing te blijven. De strikte toepassing van een wettelijke bepaling dient hier te wijken voor de (hedendaagse) gebondenheid aan het nemo tenetur-beginsel. Het wettelijk bewijsverbod van artikel 24 WPE is ook op meinedige verklaringen van toepassing. 6.3.2. "The right to silence and the right not to incriminate oneself are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6"
(40). Allereerst dient de door het openbaar ministerie opgeworpen vraag te worden beantwoord of artikel 6, eerste lid, EVRM in de onderhavige zaak wel toepassing vindt. Het openbaar ministerie stelt zich immers op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat bij verhoren door een parlementaire enquêtecommissie geen sprake is van het bepalen van de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging. Deze rechtsopvatting deelt het hof niet. Bepalend is - zo blijkt uit het arrest van het EHRM in de zaak Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk
(41)- of het gebruik van een tijdens een verhoor door een parlementaire enquêtecommissie afgelegde verklaring in een latere strafzaak zich verdraagt met het nemo tenetur-beginsel. Aan de informatiegaring door een parlementaire enquêtecommissie ten behoeve van de waarheidsvinding worden door het bepaalde in artikel 6 EVRM geen beperkingen gesteld, zolang die informatie maar niet (mede) wordt gebruikt als bewijsmateriaal met het oog op het bepalen van de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging. Zolang het verhoor door een parlementaire enquêtecommissie zich niet (mede) richt op de vraag of de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk is, behoeft aan de getuige geen verschoningsrecht als bedoeld in artikel 219 van het Wetboek van Strafvordering te worden toegekend. Een en ander laat onverlet dat een getuige te allen tijde ten overstaan van een parlementaire enquêtecommissie met het oog op het keren van het gevaar dat hij door te antwoorden op hem gestelde vragen zich aan strafvervolging zou blootstellen, op het nemo-tenetur-beginsel als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM een beroep kan doen. Of een zodanig beroep wordt gehonoreerd, staat evenwel - gezien de rechtspraak van het EHRM - ter beoordeling van de parlementaire enquêtecommissie. Hierbij zal onder meer van belang zijn in hoeverre door het openbaar ministerie, ingeval de getuige niettegenstaande zijn beroep op het nemo tenetur-beginsel wordt verplicht een verklaring af te leggen, aan de getuige strafrechtelijke immuniteit wordt verleend. Het hof gaat er daarbij vanuit dat het nemo tenetur-beginsel zodanig verstrekkend is dat een beroep op dit beginsel niet alleen toekomt aan degene die door te verklaren rechtstreeks in een strafrechtelijke procedure te gebruiken 'bewijsmateriaal' tegen zichzelf zou verschaffen (hetgeen door het bepaalde in artikel 24 WPE wordt geblokkeerd), maar dat dit recht ook toekomt aan degene die door (in het openbaar) te verklaren zichzelf als verdachte zou afficheren door opsporingsorganen een te onderzoeken verdenking jegens hemzelf te verschaffen, die zij zonder die verklaring niet (onmiddellijk) zouden hebben gekregen. Het hof constateert daarbij terzijde dat de door de verdediging gestelde verdenking ter zake van in het kader van het 'saptraject' gepleegde strafbare feiten (zie 6.2.3.3.) een rechtstreeks gevolg zou moeten zijn van de verklaringen van [betrokkene 1], zodat in zoverre [verdachte] door te verklaren de opsporingsorganen niet op een nieuw spoor zou hebben gezet. 6.3.3. Uit de transcriptie van de door [verdachte] overgelegde minicassettes blijkt dat zijn huidige raadsman hem in ieder geval reeds op 24 april 1996 bijstond
(42). Aangenomen moet worden dat [verdachte] ook voor zijn openbare verhoor een raadsman heeft kunnen consulteren. Artikel 8a, eerste lid, WPE bepaalt zelfs dat een getuige gerechtigd is zich tijdens zijn verhoor te laten bijstaan. Niet gebleken is dat [verdachte] van dit recht gebruik heeft gemaakt. [Verdachte] was voorts op de hoogte van de omstandigheden waarop de concrete verdenking die in zijn beleving ten aanzien van hem bestond, berustte. Zulks vloeit immers voort uit het door hem gevoerde verweer. [Verdachte] had zich - onder verwijzing naar het nemo tenetur-beginsel - kunnen beroepen op zijn zwijgrecht, met als argument dat in zijn beleving een concrete verdenking tegen hem bestond dat hij als CID-functionaris strafbare feiten had begaan en dat hij derhalve niet gedwongen kon worden zich ten aanzien van die feiten te belasten. Het arrest van het EHRM in de zaak Funke tegen Frankrijk
(43), waarin voor het eerst met zoveel woorden is erkend dat het nemo tenetur-beginsel besloten ligt in het recht op een eerlijk proces, was reeds op 28 augustus 1993 in de Nederlandse Jurisprudentie gepubliceerd. Volgens de annotator Knigge zou dit arrest er zelfs op kunnen wijzen "dat eenvoudig iedere aan een verdachte opgelegde verplichting om (..) bewijs tegen zichzelf te leveren (..) in strijd met het verdrag wordt geoordeeld." [Verdachte] heeft ten overstaan van de PEC een zodanig beroep niet gedaan. Speculaties over de wijze waarop de toenmalige voorzitter van de PEC op een zodanig beroep zou hebben gereageerd, zijn daarom niet aan de orde. Overigens geldt het door de verdediging geschetste dilemma niet voor alle tenlastegelegde meinedige verklaringen. 6.3.4. Het hof overweegt voorts nog het volgende. Een parlementaire enquête is niet gericht op het vaststellen van schuld of op het aanwijzen van schuldigen, maar op het vinden van de waarheid omtrent feiten en gebeurtenissen in het verleden
(44). Door het plegen van meineed - het welbewust afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid - wordt het werk van een parlementaire enquêtecommissie in zijn kern geraakt. Bij de behandeling van het bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de Parlementaire Enquête en in verband daarmee opnemen van een bepaling in het Wetboek van Strafrecht van de leden De Kwaadsteniet, Joekes, Alders en Schutte is opneming in de WPE van een verschoningsrecht voor zover het betreft het beantwoorden van een vraag, waardoor men zichzelf aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen, aan de orde geweest. De indieners van het wetsvoorstel hebben zich toen daartegen uitgesproken. Zij wezen er allereerst op dat de WPE in artikel 24 bepaalt dat verklaringen voor een enquêtecommissie afgelegd, nooit als bewijs in rechte, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd, hetzij tegen derden, kunnen gelden
(45). Een door [verdachte] ten overstaan van de PEC afgelegde verklaring waardoor hij zichzelf in strafrechtelijke zin zou belasten, zou derhalve nimmer tegen hem voor het bewijs kunnen zijn gebruikt. De indieners van het wetsvoorstel meenden voorts dat een enquêtecommissie, gesteld voor het dilemma dat een getuige tegenover haar aannemelijk heeft gemaakt dat het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling dreigt, met toepassing van artikel 18a, tweede lid, WPE de vraag waarop zij een antwoord van belang acht aan de getuige kan voorleggen in een besloten verhoor. De getuige kan dus het verzoek doen om het verhoor in beslotenheid voort te zetten, indien hij van mening is dat zijn verklaring het gevaar oplevert van strafrechtelijke vervolging van hemzelf. In geval van een besloten verhoor dient immers op grond van het bepaalde in artikel 18a, tweede lid, WPE geheimhouding te worden bewaard en die geheimhouding strekt zich ook uit tot door de getuige verschafte, voor hem belastende informatie. In het geval de getuige niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het geven van een antwoord op een hem gestelde vraag hem zou belasten, resteert hem nog de mogelijkheid op de gestelde vraag een antwoord te weigeren. De commissie zal dan hebben te beslissen of zij in haar vraag volhardt en tot het opmaken van een proces-verbaal, conform het gestelde in artikel 15, tweede lid, WPE, zal overgaan
(46). Artikel 15, tweede lid, WPE bepaalt dat, wanneer een getuige weigert te antwoorden, daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt, hetwelk de redenen van die weigering, zo die gegeven zijn, inhoudt en door de aanwezige leden van de commissie wordt ondertekend. Artikel 16, tweede lid, WPE bepaalt vervolgens dat de commissie het proces-verbaal, bedoeld in artikel 15, tweede lid, wanneer zij zulks nodig oordeelt, in handen stelt van het openbaar ministerie bij de rechtbank van het arrondissement waarin het verhoor was gelast. Indien de PEC het verweer van [verdachte], inhoudende dat in zijn beleving toen een concrete verdenking tegen hem bestond dat hij als CID-functionaris strafbare feiten had begaan en dat hij derhalve niet gedwongen kon worden zich ten aanzien van die feiten te belasten, bij het openbare verhoor niet zou hebben gehonoreerd, zou [verdachte] hebben kunnen besluiten om te weigeren op door de PEC gestelde vragen te antwoorden. Indien [verdachte] vervolgens terzake van deze weigering strafrechtelijk zou zijn vervolgd, zou hij zich in de strafrechtelijke procedure erop hebben kunnen beroepen dat hem te dezen een verschoningsrecht toekwam althans dat hij in de gerechtvaardigde veronderstelling verkeerde dat hem dat recht toekwam, en dat de weigering derhalve niet tot een veroordeling zou behoren te leiden. Het is dus uiteindelijk de rechter die het definitieve oordeel uitspreekt over de houdbaarheid van een verschoningsrecht
(47). [Verdachte] had derhalve de keuze tussen het naar waarheid afleggen van een verklaring en het weigeren een verklaring af te leggen met het oog op het keren van het gevaar dat hij door te antwoorden op hem gestelde vragen zich aan strafvervolging zou blootstellen
(48). 6.3.
  1. De keuze die [verdachte] maakte in het dilemma waarin hij in zijn beleving verkeerde, was een geheel andere dan de keuze die de Ier Quinn maakte en die aanleiding gaf tot het arrest van het EHRM van 21 december 2000 (no. 36887/97), op welk arrest de verdediging een beroep heeft gedaan. Quinn werd veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van Section 52 van de Offences Against the State Act 1939, luidende: "
  2. Whenever a person is detained in custody under the provisions in that behalf contained in Part IV of this Act, any member of the <police> may demand of such person, at any time while he is so detained, a full account of such person's movements and actions during any specified period and all information in his possession in relation to the commission or intended commission by another person of any offence under any section or sub-section of this Act or any scheduled offence.
  3. If any person, of whom any such account or information as is mentioned in the foregoing sub-section of this section is demanded under that sub-section by a member of the <police>, fails or refuses to give to such member such account or any such information or gives to such member any account or information which is false or misleading, he shall be guilty of an offence under this section and shall be liable on summary conviction thereof to imprisonment for a term not exceeding six months." "Quinn had to choose" - zo overwoog het EHRM - "between, on the one hand, remaining silent, a criminal conviction and potentially a six-month prison sentence and, on the other, forfeiting his right to remain silent and providing information to police officers investigating serious offences at a time when the applicant was considered to have been 'charged' with those offences and when it was unclear whether, in domestic law, any section 52 statements made by him would have been later admissible or not in evidence against him." Quinn koos ervoor om te zwijgen en werd voor die keuze bestraft. Die bestraffing werd strijdig met het nemo tenetur-beginsel geoordeeld. Van een dergelijk dilemma was in de onderhavige zaak geen sprake. Nog daargelaten dat in het geheel niet duidelijk was of voor [verdachte] een reëel gevaar voor strafvervolging dreigde als hij naar waarheid zou verklaren, koos [verdachte] er niet voor om te zwijgen maar om te spreken en heeft hij alle hiervoor genoemde mogelijkheden om erkenning van het recht om te zwijgen te krijgen onbenut gelaten. Overigens blijkt uit het stenografisch verslag van de openbare verhoren van [verdachte] dat hij wel degelijk in staat was om antwoorden op gestelde vragen zo in te kleden dat geen informatie door [verdachte] werd verstrekt als hij dat niet wilde. 6.3.
  4. Van een schending van het nemo tenetur-beginsel is derhalve in de zienswijze van het hof geen sprake. Noch vervolgingsuitsluiting noch bewijsuitsluiting in verband met een mogelijke schending van het nemo tenetur-beginsel danwel het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is hier aan de orde. De stelling van de verdediging dat het bewijsverbod als bedoeld in artikel 24 WPE ook op meinedige verklaringen van toepassing is, vindt, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, geen enkele steun in het recht. 6.3.
  5. Tot slot nog een enkele opmerking over de brief van de Minister van Justitie aan de Voorzitter van de parlementaire onderzoekscommissie bouwfraude van de Tweede Kamer van 18 januari 2002
(49), waaruit de verdediging bij repliek uitvoerig heeft geciteerd. Deze brief heeft betrekking op de problemen die zich kunnen voordoen bij de samenloop van een parlementair onderzoek en een strafrechtelijk onderzoek. Geen van de door de Minister van Justitie geschetste problemen heeft betrekking op de keuze die nu juist [verdachte] heeft gemaakt, namelijk het afleggen van een verklaring in parlementair onderzoek, welke een redelijk vermoeden van schuld aan meineed opleverde. "Het beste wat een verdachte dan ook kan doen" - aldus de Minister van Justitie - "is pogen door een parlementaire enquêtecommissie te worden gehoord, daar een volledige bekentenis af te leggen waarmee hij zich in een positie brengt die nog het meest lijkt op strafrechtelijke immuniteit."
(50)Maar dat heeft [verdachte] nu juist niet gedaan. 6.3 Voorafgaand aan de bespreking van het middel wil ik eerst nog kort ingaan op de vraag of artikel 6, eerste lid EVRM wel van toepassing is op een verhoor door een PEC. Het openbaar ministerie heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat zulks niet het geval is, omdat bij verhoren door een PEC geen sprake is van het bepalen van de gegrondheid van een tegen een verdachte ingestelde strafvervolging. In overweging 6.3.2 heeft het Hof gemotiveerd aangegeven deze rechtsopvatting niet te delen. Het Hof is met een beroep op het arrest van het EHRM in de zaak Saunders tegen het Verenigd Koninkrijk
(51)van oordeel dat niet bepalend is of het verhoor van de PEC zelf zich verdraagt met het nemo teneturbeginsel, maar of het gebruik van een tijdens een verhoor door een PEC afgelegde verklaring in een later strafproces zich daarmee verdraagt. In beginsel is artikel 6 van het EVRM niet van toepassing op de werkzaamheden van een PEC. In het Saunders-arrest heeft het EHRM uitgelegd dat het onderzoek door de inspecteurs van het ministerie voor handel en industrie (DTI) niet viel onder het bereik van art. 6 lid 1 EVRM en dat het juist ging om het gebruik van de verslagen van de verhoren van Saunders verkregen in het DTI-onderzoek; deze "were used in the course of the proceedings in a manner which sought to incriminate the applicant." Even verder leert het EHRM; "The public interest cannot be invoked to justify the use of answers compulsorily obtained in a non-judicial investigation to incriminate the accused during the trial proceedings."
(52)Het EHRM boog zich niet over de vraag of de DTI-procedure te rijmen was met art. 6 lid 1 EVRM, maar of het gebruik van materiaal uit die DTI-procedure in een strafproces de toets der kritiek kon doorstaan. Een onderzoek door een PEC behoeft dus niet zo te worden ingericht dat aan alle eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien wordt voldaan. Als maar de verplichting om onder ede de waarheid te zeggen niet nadien in een procedure waarin over de gegrondheid van een 'criminal charge' wordt beslist gaat rondwroeten in die zin dat de inhoud van dergelijke verklaringen, waarin de antwoorden liggen van de verdachte op vragen die hij naar waarheid móest beantwoorden, hem daar voor de voeten worden geworpen, waardoor het beroep op een recht om niet te behoeven te verklaren, wordt gefrustreerd. Ik vermoed dat het hof dat heeft bedoeld in 6.3.
  1. 6.4 De steller van het middel voert allereerst aan dat 's Hofs overweging (6.3.3.) met betrekking tot de mogelijkheid van bijstand tijdens het verhoor door de PEC blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting inzake de reikwijdte van het nemo-teneturbeginsel. Voor de beoordeling van de vraag of het nemo- teneturbeginsel is geschonden zou de mogelijkheid van rechtsbijstand er niet toe doen. De steller van het middel gaat uit van een verkeerde lezing van overweging 6.3.
  2. Het hof heeft in die overweging niet tot uitdrukking gebracht dat het nemo-teneturbeginsel in acht is genomen zodra men een beroep kan doen op rechtsgeleerde bijstand. De overwegingen over de rechtskundige bijstand behelzen niets meer en niets minder dan dat verdachte zijn raadsman had kunnen consulteren teneinde zich te doen informeren over zijn positie tijdens de officiële verhoren. Gelet daarop kan dit onderdeel van het middel eigenlijk buiten bespreking blijven. Ik wil op dit punt slechts opmerken dat het Hof naar aanleiding van het verweer kennelijk een min of meer totaalbeeld heeft willen geven van de waarborgen (rechten) in het belang van de getuige die gelden met betrekking tot een verhoor door de PEC. De overweging over de mogelijkheid van bijstand door een raadsman moet in dat kader bezien worden. Om het even wat scherper te stellen: Het lijkt mij vanzelfsprekend dat uit die overweging niet kan worden afgeleid dat het Hof van oordeel is dat het 'nemo-teneturbeginsel' niet kan zijn geschonden als een verdachte in bijzijn van zijn raadsman door de politie gemarteld is. 6.5 De steller van het middel keert zich vervolgens tegen de overweging van het Hof dat verdachte ten overstaan van de PEC op grond van het nemo teneturbeginsel een beroep had kunnen doen op zijn zwijgrecht (verschoningsrecht). Een wettelijk verschoningsrecht bestond en bestaat niet en uit de jurisprudentie van het EHRM tot 1996 kon niet worden afgeleid dat in een dergelijk geval een getuige met beroep op het nemo-teneturbeginsel een verschoningsrecht zou toekomen, aldus de steller van het middel. 's Hofs vaststelling dat verdachte een keuzemogelijkheid had zou in ieder geval geen reële kenbare keuzemogelijkheid zijn geweest. 6.6 Dit onderdeel van het middel is gericht tegen de onder 6.3.2 tot en met 6.3.7 in het arrest opgenomen overwegingen van het Hof. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte had kunnen zwijgen met een beroep op het nemo teneturbeginsel, heeft de wettelijke regeling uiteengezet en aangegeven dat verdachte niet gedwongen was een meinedige verklaring af te leggen. Voor een goed begrip van de zaak zet ik de wettelijke regeling nog eens kort uiteen. 6.7 Getuigen zijn verplicht te voldoen aan een oproeping van een PEC (art. 3 WPE). De commissie kan getuigen onder ede horen (art. 8 WPE). Het niet verschijnen of het weigeren te antwoorden kan een strafbaar feit opleveren (art. 10 en 15 WPE). In de WPE is een verschoningsrecht voor de traditionele geheimhouders opgenomen (art. 19 WPE). Voorts kan onder bepaalde omstandigheden op grond van het staatsbelang (o.a. art. 20 WPE) of economische belangen van een onderneming (art. 18) een gerechtvaardigd beroep op geheimhouding worden gedaan. In artikel 24 van de WPE is bepaald dat behalve in het geval van artikel 25 verklaringen voor een commissie, of op haar vordering afgelegd, nimmer als bewijs in rechte kunnen gelden, hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd, hetzij tegen derden. In artikel 25 WPE is, kort gezegd, meineed strafbaar gesteld. 6.8 De WPE kent dus niet een verschoningsrecht vergelijkbaar met artikel 219 Sv. In de literatuur is wel verdedigd dat een dergelijk verschoningsrecht wel in de WPE zou moeten worden opgenomen
(53). De wetgever heeft een dergelijk verschoningrecht echter niet (expliciet) in de wet willen opnemen. Bij de wijziging van 1991 is dit onderwerp ook ter sprake gekomen. In de memorie van antwoord staat hierover het volgende: Boon pleit voor het opnemen van verschoningsrecht voor zover het betreft het beantwoorden van een vraag, waardoor men zichzelf, enkele naaste bloed- of aanverwanten, dan wel zijn (vroegere) echtgenoot aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling zou blootstellen. Wij willen erop wijzen dat de huidige WPE in artikel 24 bepaalt dat verklaringen voor een enquêtecommissie afgelegd, nooit als bewijs in rechte hetzij tegen degene door wie zij zijn afgelegd, hetzij tegen derden kunnen gelden. Boon is van mening dat dit artikel niet voldoende bescherming geeft en de "justitie" op een spoor kan zetten, waarna geheel los van die verklaringen, een sluitend bewijs van een strafbaar feit wordt verkregen. Wij delen de vrees van Boon niet. De parlementaire enquête inzake de bouwsubsidies heeft uitgewezen dat het zeer wel mogelijk is de verschillende doelstellingen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van enquêtecommissie en Openbaar Ministerie te onderscheiden en te scheiden. Uit het verslag van genoemde enquêtecommissie is ons niet gebleken dat de samenloop van beide onderzoeken in dit opzicht problemen als door Boon gevreesd, heeft gegeven (zie Kamerstuk 19623, nr. 30, bladz. 11 en 18). Dat wil overigens niet zeggen dat wij geen oog zouden hebben voor de gevaren waaraan een getuige of deskundige zichzelf, bepaalde bloed- en aanverwanten of zijn of haar echtgenoot of vroegere echtgenoot zou blootstellen indien hij op bepaalde vragen zou antwoorden. Wij menen echter dat een enquêtecommissie, gesteld voor het dilemma dat een getuige of deskundige tegenover haar aannemelijk heeft gemaakt dat het bovenomschreven gevaar dreigt, met toepassing van artikel 18a, tweede lid, de vraag waarop zij een antwoord van belang acht aan de getuige of deskundige kan voorleggen in een besloten verhoor. In het geval de getuige of deskundige niet aannemelijk heeft kunnen maken dat het geven van een antwoord op een aan hem gestelde vraag hemzelf of een van de eerdergenoemde "zijnen" in moeilijkheden zou kunnen brengen, resteert hem nog de mogelijkheid op de gestelde vraag een antwoord te weigeren. De commissie zal dan hebben te beslissen of zij in haar vraag volhardt en tot het opmaken van een proces-verbaal, conform het gestelde in artikel 15, tweede lid, zal overgaan.
(54)In de wetsgeschiedenis wordt telkens weer het eigensoortig karakter van de parlementaire enquête benadrukt, namelijk het vergaren van inlichtingen en het achterhalen van de waarheid omtrent gebeurtenissen in het verleden, zonder het vaststellen van schuld of aanwijzen van schuldigen. Dat eigen karakter verzet zich tegen een volledige gelijkstelling met het strafrechtelijke regime
(55). 6.9 Het nemo tenetur beginsel wordt niet met zoveel woorden in het EVRM genoemd. Het EHRM erkent het beginsel echter wel en laat het vallen onder artikel 6, eerste lid van het EVRM en geeft er in het Saundersarrest (§ 68) de volgende inhoud aan: The Court recalls that, although not specifically mentioned in Article 6 of the Convention, the right to silence and the right not to incriminate oneself, are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article
  1. Their rationale lies, inter alia, in the protection of the accused against improper compulsion by de authorities thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfilment of the aims of Article
  2. (...) The right not to incriminate oneself, in particular, presupposes that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused. In this sense the right is closely linked to the presumption of innocence contained in Article 6 § 2 of the Convention. 6.10 Het nemo teneturbeginsel beoogt te voorkomen dat een verdachte in het onderzoek naar de gegrondheid van een 'criminal charge' een verklaring aflegt onder en door ongeoorloofde pressie van overheidswege. Een verdachte mag niet worden gedwongen te verklaren tegen zichzelf. De dwang te verklaren kan uit een juridisch systeem voortvloeien. In zo'n geval is het juridisch systeem in strijd met het nemo teneturbeginsel. Dwang kan echter ook voortkomen uit handelen van overheidsdienaren, terwijl het juridisch systeem voldoende waarborgen biedt; wat heb je eraan als je op je zwijgrecht wordt gewezen, terwijl de "duimschroeven" worden aangedraaid? Daarom kan een verweer inhoudende dat het nemo teneturbeginsel is geschonden (meestal) niet worden verworpen met de enkele verwijzing dat voldoende juridische waarborgen (mogelijkheden) zijn om anders te verklaren. Of er sprake is geweest van ongeoorloofde druk of dwang zal dan ook feitelijk moeten worden onderzocht. 6.11 In onderhavige zaak zou verdachte zijn verklaring ten overstaan van de PEC onder dwang dan wel ongeoorloofde druk hebben afgelegd. De dwang waaronder verdachte zijn verklaring ten overstaan van de PEC heeft afgelegd, zou hebben bestaan uit het ontbreken van keuzemogelijkheid om onder de dreiging van de twee strafvervolgingen (de IRT-kwestie en een meineed) uit te komen; Oftewel van het juridische systeem van de WPE zou dwang zijn uitgegaan. Het gaat hier dus niet zozeer om onbehoorlijk handelen van overheidsdienaren. Vooropgesteld dient nogmaals te worden dat een parlementaire enquête geen onderzoek is naar een 'criminal charge', dat deswege art. 6 EVRM niet op zo een onderzoek van toepassing is en dat de verklaringsvrijheid van art. 6 EVRM daarom niet rechtstreeks in het geding is. Enkel het gebruik van verklaringen afkomstig uit een parlementaire enquête in een strafprocedure kan art. 6 EVRM activeren. Het nemo-teneturbeginsel kan dus een rol spelen als in het ene onderzoek het weigeren een verklaring af te leggen strafbaar is en als in het andere, strafrechtelijke onderzoek, de verdachte juist niet behoeft te verklaren. Spanning kan dan ontstaan als de verdachte in de strafzaak wordt geconfronteerd met zijn voor een andere instantie in een ander onderzoek afgelegde verklaringen. Het nemo-teneturbeginsel komt in beeld wanneer de verklaringen uit het ene onderzoek in het strafrechtelijke onderzoek worden geïntroduceerd. Die band is doorgesneden in de WPE. Ingevolge art. 24 WPE mag een verklaring immers niet als bewijs tegen een getuige of een ander gebruikt worden. Het gevaar dat een verklaring justitie op een te onderzoeken spoor zou zetten, kon worden ondervangen door een (gedeeltelijk) besloten verhoor. Daarmee is de genoemde spanning opgelost. De WPE biedt die mogelijkheid en de PEC heeft die mogelijkheid (uiteraard) niet uitgesloten
(56). De verdachte had dus in ieder geval gewoon de waarheid kunnen vertellen. De overweging van het Hof is daarmee geheel in overstemming met de gang van zaken zoals de wetgever die voor ogen stond
(57). De verdediging heeft het steeds aldus voorgesteld dat verdachte bij de PEC onder druk een meinedige verklaring heeft afgelegd. Welnu, het nemo-teneturbeginsel ziet niet op het afleggen van onware verklaringen. Het ziet op het gedwongen zijn om openheid van zaken geven en niet op het tegendeel daarvan. Ik maak een vergelijking met de arts die verplicht is naar waarheid een verklaring van overlijden, zoals bedoeld in art. 7, eerste lid, Wet op de lijkbezorging, op te maken en af te geven. De naar waarheid opgemaakte verklaring, inhoudende dat er geen natuurlijke doodsoorzaak was maar euthanasie, zal de arts in een daaropvolgende strafprocedure in een lastig parket kunnen brengen als die verklaring in de strafvervolging mag worden ingebracht. De arts die evenwel een valse verklaring opmaakt zal zich niet op het nemo-teneturbeginsel kunnen beroepen.
(58)Het hof heeft dus het beroep op het nemo-teneturbeginsel terecht verworpen, wat er zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het Hof heeft voorts op grond van het stenografisch verslag van het verhoor vastgesteld dat de verdachte heel goed wist op welke vragen hij wel en niet kon antwoorden, en dat hij goed in staat was antwoorden zo in te kleden dat geen informatie werd verstrekt als hij dat niet wilde. Ik merk daarbij tevens op dat de verdachte tijdens zijn verhoor door de PEC wel steeds een beroep heeft gedaan op het beschermen van zijn bronnen, maar er nooit blijk van heeft gegeven bang te zijn zichzelf te belasten. Om hem moverende, het Hof blijkens de strafmotivering ook niet geheel duidelijke, redenen heeft verdachte er echter voor gekozen om op bepaalde punten in strijd met de waarheid te verklaren. Reeds dit onderdeel van 's Hofs overweging kan de verwerping van het verweer zelfstandig dragen. 6.12 Daarom kan buiten bespreking blijven de vraag of het Hof al dan niet terecht heeft overwogen dat verdachte tevens een beroep op een verschoningsrecht had kunnen doen. Ook de overige (sub)klachten die gericht zijn tegen andere onderdelen van de motivering van het Hof kunnen buiten bespreking blijven. 6.13 Ik wijs ten overvloede nog op een ongerijmde consequentie die voortvloeit uit het betoog van de steller van het middel. De redenering die de steller van het middel volgt is immers niet beperkt tot de context van een parlementaire enquête. Een ieder, niet zijnde een verdachte in de zin van art. 27 Sv, zou onder ede in strijd met de waarheid kunnen verklaren zonder daar met kans op succes strafrechtelijk voor vervolgd te worden nu een dergelijke vervolging het nemo-teneturbeginsel zou schenden. Ook de getuige in een strafzaak die onder ede weigert een verklaring af te leggen en die zich niet op een erkend verschoningsrecht kan beroepen, zou de strafrechtelijke dans ontspringen omdat hij zich er volgens de steller van het middel op zou kunnen beroepen dat hij nooit mag worden gedwongen een verklaring af te leggen, of die nu waar is of niet. De door de steller van het middel gevolgde redenering ondermijnt derhalve het systeem van het horen van getuigen onder ede in zijn algemeenheid op een ontoelaatbare manier. 6.14 Het derde middel faalt. 7.1 Het vierde middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk diende te worden verklaard, althans de resultaten van het Fort-onderzoek niet voor het bewijs hadden mogen worden gebezigd, omdat het onderzoek van het Fort-team in wezen neerkwam op een verkapt opsporingsonderzoek, waardoor de fairness van de totale procedure in negatieve zin is beïnvloed. De toelichting beperkt het middel in zoverre, dat slechts wordt geklaagd over het oordeel van het Hof dat [verdachte] ten tijde van het Fort-onderzoek nog niet als verdachte behoefde te worden aangemerkt. 7.2 Het Hof heeft het bedoelde verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen: 6.2.
  1. Het onderzoek van het Fort-team komt volgens de verdediging van [verdachte] in wezen neer op een verkapt opsporingsonderzoek en heeft de fairness van de totale procesvoering ernstig (in negatieve zin) beïnvloed. Voordat [verdachte] door de PEC werd verhoord, bestond er, zo betoogt de verdediging, een concrete verdenking terzake van bepaalde strafbare feiten. Nadat er een verdenking in het feitenonderzoek had moeten zijn gerezen, had de status van het niet-strafrechtelijk onderzoek in dezelfde vorm niet mogen worden gehandhaafd. In casu zijn de aan [verdachte] toekomende waarborgen niet in acht genomen. Doordat het openbaar ministerie - reeds tijdens het onderzoek - diverse vermoedens (in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering) passeerde, is er geen gerechtelijk vooronderzoek gestart. Daardoor is [verdachte] niet in de gelegenheid gesteld diverse rechten uit te oefenen, zoals het zwijgrecht, het recht toen al voordat hij door de PEC werd gehoord getuigen tegenover de rechter-commissaris te ondervragen, en zich daarbij door een raadsman te doen bijstaan. Daardoor is [verdachte] op achterstand gezet want inmiddels werden wèl - met voorbijgaan aan zijn rechten - onrechtmatige onderzoeksmethoden gebezigd en allerlei belastende informatie over [verdachte] verzameld, terwijl die wel als basis heeft gediend voor het onderzoek van de PEC en direct heeft geleid tot de aangifte op basis waarvan het openbaar ministerie tot vervolging heeft besloten. Het openbaar ministerie handelde met name in strijd met het beginsel van zuiverheid van oogmerk. Bovendien werd [verdachte] door die (onrechtmatig vergaarde) informatie tijdens het verhoor door de PEC zodanig onder druk gezet dat hij - geconfronteerd met de dreiging van twee strafvervolgingen - niet meer in vrijheid kon verklaren en tegen die achtergrond een keuze heeft gemaakt die hem nu strafrechtelijk wordt verweten. Door hem nu dat verwijt te maken, wetende hoe die verklaring onder dwang tot stand is gekomen, handelt het openbaar ministerie in strijd met een behoorlijke procesorde (in het bijzonder het nemo tenetur-beginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Het openbaar ministerie had al tijdens het feitenonderzoek moeten ingrijpen, in elk geval van vervolging (ondanks de aangifte) moeten afzien, omdat het openbaar ministerie wist op welke wijze het onderzoek van het Fort-team 'doorwerkte' naar het onderzoek van de PEC en daarmee (tegelijkertijd) naar het strafrechtelijk onderzoek, zodat [verdachte] tijdens zijn strafzaak geen eerlijk proces meer te verwachten heeft (het meeste belastend materiaal lag immers al vast toen de PEC met haar verhoor van [verdachte] begon). 6.2.2.
  2. Met betrekking tot het onderzoek door het Fort-team van de Rijksrecherche constateert het hof het navolgende. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel 16 812
(59)is een uiteenzetting gegeven over de taken van de Rijksrecherche, toegevoegd aan de parketten van de procureurs-generaal, fungerend directeuren van politie. Tot deze taken behoren allereerst "onderzoeken naar de wijze waarop politieambtenaren van hun wettelijke bevoegdheden gebruik maken". Deze onderzoeken vinden hun grondslag onder meer in artikel 140 (oud) van het Wetboek van Strafvordering, waarin aan de procureur-generaal is opgedragen in zijn ressort te waken voor de richtige opsporing van strafbare feiten(...). Wettelijke grondslag voor deze onderzoeken is de in artikel 5, tweede lid, van de huidige Politiewet neergelegde taak van de procureur-generaal." De thans vigerende Politiewet 1993 (artikel 19, eerste lid) omschrijft die verantwoordelijkheid aldus: "Het College van procureurs-generaal ziet toe dat de politie haar taak met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (...) naar behoren vervult." Het is in de lijn van die verantwoordelijkheid dat artikel 2 van de Taakbeschikking bijzondere ambtenaren van politie van 25 maart 1994
(60)bepaalt dat de procureur-generaal de Rijksrecherche kan belasten met het doen van onderzoek. Dat onderzoek kan betrekking hebben op de gedragingen van een individuele politieambtenaar, dan wel op het functioneren van een bepaald dienstonderdeel. 6.2.2.2. De on

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.