Nr. 01948/02 Mr Fokkens Zitting: 6 mei 2003 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het namens haar ingestelde hoger beroep. 2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep doen instellen. 3. Namens verdachte heeft mr E.Th. Hummels, advocaat te Zeist, een middel van cassatie voorgesteld. Deze zaak hangt samen met de zaak met nr. 01947/02, waarin ik heden eveneens concludeer. 4. Het Hof heeft ten aanzien van de ontvankelijkheid van het hoger beroep het volgende overwogen: "Blijkens de akte beroep d.d. 19 maart 2001 is in de onderhavige zaak hoger beroep ingesteld tegen een ten laste van "N.N." gewezen vonnis, welk beroep is ingesteld door mr. Hummels, advocaat te Zeist, die heeft verklaard daartoe door "N.N." bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Naar het oordeel van het hof moet uit het bepaalde in de artikelen 449-452 van het Wetboek van Strafvordering worden afgeleid dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gegeven waarin hij op andere wijze dan bij naam is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens. Nu het namens de verdachte ingestelde hoger beroep niet aan deze voorwaarde voldoet, kan de verdachte niet in het hoger beroep worden ontvangen. De omstandigheid dat bij brief van de raadsman van de verdachte d.d. 30 oktober 2001 de persoonsgegevens van de verdachte bekend zijn gemaakt, brengt naar het oordeel van het hof, nu zulks eerst is geschied na het verstrijken van de wettelijke beroepstermijn, niet mee dat verdachte alsnog ontvankelijk zou kunnen worden geacht in het hoger beroep." 5. Het middel keert zich met een groot aantal klachten tegen deze beslissing. De eerste zeven onderdelen houden in dat het verbod om anoniem rechtsmiddelen in te stellen om uiteenlopende redenen in strijd is met bepalingen uit het EVRM en het IVBPR. Onderdeel 8 behelst de klacht dat het Hof ten onrechte geen gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat verdachte haar persoonsgegevens na het instellen van appèl alsnog kenbaar heeft gemaakt. 6. Het oordeel van het Hof dat het anoniem aanwenden van een rechtsmiddel in strijd is met het in de artikelen art. 449-452 Sv neergelegde stelsel voor het instellen van rechtsmiddelen is in overeenstemming met de rechtspraak van de Hoge Raad daarover. In HR 27 februari 2001, NJ 2001, 499, m.nt. Sch. kwam de Hoge Raad namelijk terug op zijn eerdere standpunt dat ook een anonieme verdachte een rechtsmiddel kan instellen. 7. De eerste klacht luidt dat het ontzeggen van een rechtsmiddel aan een anonieme verdachte in strijd is met het beginsel dat een verdachte niet behoeft mee te werken aan zijn eigen veroordeling en het recht heeft te zwijgen. 8. Het nemo tenetur beginsel en het daarmee samenhangende recht te zwijgen hebben betrekking op de verzameling van bewijsmateriaal. In de bewoordingen van EHRM in de zaak Saunders (17 december 1996, NJ 1997, 699): "The Court recalls that, although not specifically mentioned in Article 6 of the Convention, the right to silence and the right not to incriminate oneself, are generally recognised international standards which lie at the heart of the notion of a fair procedure under Article 6. Their rationale lies, inter alia, in the protection of the accused against improper compulsion by the authorities thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfilment of the aims of Article 6 (see the above-mentioned John Murray judgment and the above-mentioned Funke judgment. The right not to incriminate oneself, in particular, presupposes that the prosecution in a criminal case seek to prove their case against the accused without resort to evidence obtained through methods of coercion or oppression in defiance of the will of the accused. In this sense the right is closely linked to the presumption of innocence contained in Article 6 § 2 of the Convention." 9. De verplichting om bij het instellen van rechtsmiddelen zijn personalia bekend te maken heeft in beginsel niets met het verzamelen van bewijsmateriaal te maken. Ik sluit niet uit dat dit in bijzondere omstandigheden anders zou kunnen zijn (vgl. HR 27 juni 1927, NJ 1927, p. 926). Een dergelijke situatie doet zich hier echter niet voor. De klacht is dan ook ongegrond. 10. De steller van het middel betoogt voorts dat het enkel kunnen aanwenden van een rechtsmiddel onder bekendmaking van de personalia strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van equality of arms, nu het Openbaar Ministerie in geval van een anonieme verdachte wel hoger beroep kan instellen (onderdeel 2 en 3) en strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel omdat het voor niet anonieme verdachten wel mogelijk is om hoger beroep in te stellen (onderdeel 4). 11. Ook deze klachten kunnen niet slagen. De redenering van het middel is dat het ongeoorloofd is van een anonieme verdachte te eisen dat hij zijn personalia bekend maakt als hij een rechtsmiddel wil instellen, omdat andere partijen zonder enige beperking de betreffende rechtsmiddelen kunnen instellen. Dat lijkt mij geen juiste redenering. In de rechtspraak is beslist dat een verdachte geen rechtsmiddel kan instellen zolang zijn identiteit niet bekend is. Die eis kan onjuist zijn - daarover gaan de volgende te bespreken klachten - maar het kan niet zo zijn dat dit een onaanvaardbare ongelijkheid oplevert ten aanzien van verdachten die wel aan deze eis voldoen, omdat ze wel hun personalia bekend hebben gemaakt. Dat geldt ook ten aanzien van het openbaar ministerie. Ook daar is van onaanvaardbare ongelijkheid geen sprake omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het openbaar ministerie wordt geconfronteerd met een processuele opstelling van de verdachte die het niet kan beïnvloeden. Dat dat geen gevolgen heeft voor zijn mogelijkheden om een rechtsmiddel in te stellen, betekent niet dat daarom ook de verdachte in die situatie dezelfde rechtsmiddelen moet hebben. Hij heeft het immers in zijn macht om door het bekend maken van zijn personalia de belemmering voor het instellen van een rechtsmiddel weg te nemen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel of het beginsel van equality of arms is dan ook geen sprake. 12. De onderdelen 5 en 6 komen erop neer dat het verbod anoniem rechtsmiddelen in te stellen in strijd is met de rechtspraak van het EHRM en in strijd is met het recht op berechting in twee instanties. 13. Het EHRM heeft in diverse uitspraken overwogen dat het een nationale Staat vrijstaat beperkingen op te leggen bij het reguleren van de toegang tot een rechterlijke instantie. Echter, er dient een fair balance te blijven bestaan tussen enerzijds het tenuitvoerleggen van beslissingen en het recht op toegang tot een rechterlijke instantie en het recht tot verdediging anderzijds (vgl. Khalfaoui v. France, EHRM 14 december 1999, nr. 34791/97). Het oordeel van de Hoge Raad dat in een geval als het onderhavige van de anonieme verdachte mag worden verlangd dat hij bij het aanwenden van rechtsmiddelen zijn persoonsgegevens bekend maakt is, gelet op de bezwaren die kleven aan het berechten van een anonieme verdachte, niet unfair te noemen. Nu in de betreffende verdragen geen recht valt te lezen voor een verdachte om anoniem te blijven, is van een ongeoorloofde inperking van het recht op twee instanties geen sprake. Vgl. Eliazer v. The Netherlands, EHRM 16 oktober 2001, nr. 38055/97. Ook deze klachten falen. 14. Onderdeel 7 komt neer op een herhaling van eerdere bezwaren. Het faalt om de redenen waarom die bezwaren geen doel treffen. 15. De laatste klacht luidt dat het Hof ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat de persoonsgegevens van verdachte na het instellen van appèl alsnog kenbaar zijn gemaakt. Verdachte deed dat ruim een half jaar later na het instellen van het hoger beroep, maar voor de aanvang van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep, via een brief van haar raadsman aan de justitiële autoriteiten. 16. In zijn arrest van 27 februari 2001, NJ 2001, 499 noemt de Hoge Raad een aantal bezwaren die tegen het anoniem aanwenden van rechtsmiddelen zijn in te brengen, die als volgt zijn samen te vatten: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.