Nr. 01575/02 Mr Jörg Zitting 13 mei 2003 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1)Bovendien merk ik op dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de afspraken op 30 juni door de politie-infiltrant met [medeverdachte] en niet met verzoeker zijn gemaakt. Ik wijs bijvoorbeeld op bewijsmiddel 10, waarin infiltrant A-1001 over de afspraken van 30 juni 2000 omtrent prijs, hoeveelheid en leveringswijze van de pillen verklaart: "Deze afspraken werden door en mij en [medeverdachte] gemaakt en [verzoeker] stemde ermee in."
- Voor zover het middel stelt dat reeds op 30 juni 2000 een bevel pseudokoop ten name van verzoeker had moeten zijn afgegeven omdat de politie-infiltrant op 30 juni een koopovereenkomst heeft gesloten met verzoeker, stuit het dan ook reeds op bovengenoemde feitelijke vaststellingen af.
- Voorts ligt in 's hofs oordeel besloten dat ook de uiteindelijke (pseudo)koop en levering van de pillen op 4 juli 2000 rechtmatig plaats vond, nu op dat moment een bevel pseudokoop op naam van verzoeker was afgegeven. Dat oordeel, dat overigens door verzoeker ook niet betwist wordt, geeft evenmin blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op de feiten en omstandigheden zoals hiervoor gemeld niet onbegrijpelijk.
- Anders dan in het middel wordt gesteld heeft het hof dus niet geoordeeld dat het bevel tot pseudokoop ten aanzien van verzoeker "overbodig was" omdat er al een bevel tegen medeverdachte [medeverdachte] was, maar slechts dat het eerste stadium van de pseudokoop, tot en met de gemaakte afspraken op 30 juni 2000, gedekt werd door een bevel ex art. 126i Sv op naam van [medeverdachte] en dat ook het tweede deel van de pseudokoop, te weten nádat verzoeker in beeld was gekomen, rechtmatig plaatsvond, namelijk (mede) op basis van het bevel ex 126i Sv op naam van verzoeker.
- 's Hofs oordeel dat op het punt van de pseudokoop geen onrechtmatigheden zijn gebleken, geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het verweer verworpen op gronden die deze verwerping kunnen dragen.
- Ten overvloede wil ik nog de vraag opwerpen of de enkele omstandigheid dat bij de pseudo-koop een derde betrokken raakt tegen wie geen bevel wordt opgemaakt, rechtens de niet-ontvankelijkheid van de officier van Justitie tot gevolg moet hebben. Voor een zo ver gaande sanctie is slechts plaats in die gevallen waarin sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor van de zijde van de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (HR 24 september 1996, NJ 1997, 71). Daarvan is hier geen sprake, nu van de zijde van de infiltrant in het geheel niet is aangedrongen op betrokkenheid van verzoeker bij de afwikkeling van de deal. Voorts kan worden bestreden of jegens verzoeker onrechtmatig zou zijn gehandeld door op een te laat moment een bevel pseudo-koop af te geven: strekt die norm ter bescherming van verzoeker? De wetsbepaling heeft immers tot achtergrond de rechtspositie van de infiltrant te regelen. Deze begaat onder auspiciën van het OM strafbare feiten, en voorkomen moet worden dat diens straffeloosheid door hemzelf naar eigen believen kan worden uitgebreid (zie de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, § 2.8.3, sub: De politiële pseudokoper/-dienstverlener). Het - onafhankelijk van art. 126i, tweede lid, Sv van kracht gebleven - jurisprudentiële Tallon-criterium functioneert hier als waarborg voor een verdachte, juist als het tweede lid van art. 126i niet toepasselijk is omdat een bevel in een uitzonderingssituatie ontbreekt, maar de wettelijke eis van het voorafgaande bevel is te zien als een instructienorm, die als zodanig geen waarborg voor een concrete verdachte bevat (m.m. het verbod op doorlaten: HR 2 juli 2002, NJ 2002, 602 met de noot van Buruma, die abdicatie door de Raad hier betreurt).
- Het middel is - hoe dan ook - tevergeefs voorgesteld en kan aan de hand van de aan art. 81 RO ontleende formulering worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad de bestreden uitspraak ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Dat het bevel pseudokoop tegen verzoeker "pas op 3 juli 2000" is afgegeven, wekt overigens geen bevreemding. Politie-infiltrant A-1001 is op vrijdagavond omstreeks 22.00 uur voor het eerst met verzoeker geconfronteerd als tweede betrokkene bij de XTC-verkoop. Kennelijk is op de eerstvolgende werkdag, te weten maandag 3 juli 2000, vervolgens ook ten aanzien van verzoeker een bevel pseudokoop afgegeven