Nr. 00119/03 Mr Machielse Zitting 8 juli 2003 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [verdachte]
- Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft de verdachte bij arrest van 30 juli 2002 ter zake van
- medeplegen van moord,
- poging om een ander door beloften en het verschaffen van inlichtingen te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd,
- medeplegen van gijzeling,
- om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en te bevorderen een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen,
- poging om een ander door misbruik van gezag en door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het medeplegen van moord, meermalen gepleegd, en
- als bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie, veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Verder heeft het hof een inbeslaggenomen vuurwapen aan het verkeer onttrokken verklaard.
- Namens verdachte heeft mr A.G. van der Plas, advocaat te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld. Mr Van der Plas en mr G.P.M.F. Mols, advocaat te Maastricht, hebben bij schriftuur 27 middelen van cassatie voorgesteld. 3.1 Het eerste middel bevat de klacht dat de verwerping van het verweer dat "het Hof ten aanzien van een of meer van de aan verdachte verweten gedragingen geen rechtsmacht heeft", berust op gronden die 's hofs oordeel niet kunnen dragen, althans dat de verwerping onvoldoende is gemotiveerd. Het vijfentwintigste middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat het eerste feit door verdachte in Nederland is begaan. Op grond van het onderstaande lenen mijns inziens beide middelen zich voor een gezamenlijke bespreking. 3.2 Het eerste en vijfentwintigste middel stellen hetzelfde punt aan de orde, zoals ik hieronder hoop aan te tonen. Het gaat naar mijn mening in beide middelen, zuiver gezegd, om de rechtsmacht van de Nederlandse staat, ook wel aangeduid als jurisdictie.
(1)Corstens schrijft dat het zaak is de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse strafwet en die naar de bevoegdheid van de Nederlandse rechter goed uit elkaar te houden. Een ontkennende beantwoording van de eerste vraag leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, een negatief antwoord op de tweede vraag noopt de rechter tot een onbevoegdverklaring.
(2)Het eerste middel klaagt over de verwerping van het verweer "dat het Hof geen rechtsmacht heeft". Omdat het middel zo nadrukkelijk spreekt over 'rechtsmacht' ga ik ervan uit dat de stellers van het middel de vraag naar de jurisdictie aan de orde willen stellen.
(3)De vraag naar de jurisdictie dient ingevolge art. 348 Sv te worden beantwoord "op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting". Jurisdictievoorwaarden, zoals het zijn van Nederlander in art. 5, eerste lid, Sr, behoeven niet in de tenlastelegging te zijn opgenomen. De bewijsvoorschriften gelden niet voor het vaststellen van deze omstandigheden.
(4)Als de Nederlandse rechtsmacht is gebaseerd op de plaats waar het delict zou zijn gepleegd (art. 2 Sr) lijkt het echter onafwendbaar dat de jurisdictievoorwaarde wordt tenlastegelegd, omdat zij immers ook het verweten feit naar plaats bepaalt. Indien de plaatsaanduiding het enige aanknopingspunt voor de Nederlandse rechtsmacht is rijst de vraag wat rechtens de status is van deze aanduiding. Het komt mij voor dat de plaatsaanduiding in zulke gevallen in de eerste plaats wijst op het bestaan van rechtsmacht voor Nederland, maar tevens ertoe dient het feit nader te bepalen. Omdat de plaatsaanduiding onderdeel is van de feitelijke omschrijving van het verwetene gelden de gewone bewijsregels hier wél. Indien de plaatsaanduiding kan worden bewezen slaat men twee vliegen in één klap; daaruit blijkt eerstens de Nederlandse jurisdictie, tweedens staat de ruimtelijke dimensie van het tenlastegelegde feit vast. Indien evenwel de plaatsaanduiding, die het enige aanknopingspunt voor de vaststelling van de Nederlandse rechtsmacht oplevert, niét kan worden bewezenverklaard ligt een vrijspraak naar mijn mening niet voor de hand. Door niet bewezen te achten dat het feit in Nederland is gepleegd trekt de rechter immers (alsnog) de grondslag onder de Nederlandse rechtsmacht vandaan. Systematisch gaan de vragen van art. 348 Sv, waaronder die van de rechtsmacht, vooraf aan die van art. 350 Sv. De Jong meent daarom dat een vrijspraak in zo een geval ongepast is; daardoor geeft de rechter een inhoudelijke uitspraak die impliceert dat Nederland geen rechtsmacht heeft en dat het openbaar ministerie niet mocht vervolgen.
(5)De rechter moet in zo een geval niet-ontvankelijk verklaren; hij komt aan een inhoudelijke beoordeling niet toe.
(6)Ik voeg daar nog een argument aan toe. Een vrijspraak door de Nederlandse rechter kan aan vervolging in een ander land dat wél territoriale rechtsmacht heeft in de weg staan, indien dat land een bepaling heeft die vergelijkbaar is met art. 68, tweede lid, onder 1, Sr.
(7)Dat staat op gespannen voet met de ontwikkelingen in het internationale recht die tenderen naar een verruiming van de mogelijkheden strafvervolgingen over te dragen en daarvoor zonodig afgeleide rechtsmacht te creëren.
(8)Gelet op de hiervoor aangegeven thematiek van het ineengrijpen van rechtsmachtprobleem en bewijsthema hangen het eerste en het vijfentwintigste middel nauw met elkaar samen. 3.3 Blijkens de toelichting daarop is het eerste middel gericht tegen de volgende overweging van het hof: "Bij gelegenheid van de dupliek is door de verdediging een schriftelijk stuk d.d. 4 mei 2002, opgesteld door J.W.M. van de Ven overgelegd, waarin deze onder meer mededeelt: "Indien een abonnee van een Nederlandse provider een communicatie initieert, onafhankelijk of hij zich in Nederland of daarbuiten bevindt, wordt de "billing" via de Nederlandse operator gedaan en is de abonnee in Nederland aftapbaar." Naar aanleiding van het schriftelijk stuk van J.W.M. van de Ven, voornoemd is door de advocaat generaal een aanvullend proces-verbaal, met bijlagen, d.d. 7 mei 2002, op ambtseed op gemaakt door C van Tent, overgelegd. Uit dit proces-verbaal blijkt dat KPN Security en aan BEN Security de stelling is voorgelegd dat in de (analoge) tapkamer van Arnhem geen gesprekken geregistreerd hadden kunnen worden op momenten dat verdachte in het buitenland uitgaande gesprekken voerde met zijn Nederlandse mobiele telefoonnummers. Voorts blijkt uit de bij dit proces-verbaal gevoegde bijlagen dat deze stelling door beide providers wordt onderschreven, met dien verstande dat namens Ben Security wordt medegedeeld dat deze stelling voor 99% juist is omdat het soms voorkomt dat er gesprekken binnen komen die bij een buitenlandse operator zijn gevoerd. Het hof leidt uit al het vorenstaande af en acht bewezen dat de hiervoor bedoelde en aan verdachte toegeschreven gesprekken, respectievelijk gevoerd op 28 oktober, 31 oktober en 5 november 1997 door verdachte zijn gevoerd op een moment dat hij zich in Nederland bevond. Het hof gaat hierbij voorbij aan de stellingen van J.W.M. van de Ven nu deze stellingen hun weerlegging vinden in hiervoor bedoelde proces-verbaal met bijlagen, d.d. 7 mei
- Het door de verdediging gevoerde verweer mist feitelijke grondslag en dient verworpen te worden." 3.4 Uit de onderdelen 5.2 onder III, 5.3 en 5.4 onder 7 van de bestreden uitspraak, in hun onderlinge samenhang bezien, blijkt dat de bovenstaande overweging betrekking heeft op de verwerping van het verweer "dat de Nederlandse strafrechter niet bevoegd zou zijn ten aanzien van feit 1". Het rapport van J.W.M. van der Ven van 4 mei 2002 is door de verdediging ook in het kader van de "rechtsmacht van de Nederlandse rechter" ten aanzien van alleen dit feit naar voren gebracht. Het eerste middel heeft het over "een of meer verweten gedragingen" en laat dus in het midden of het ook op andere tenlastegelegde feiten dan feit 1 doelt en zo ja op welk(e). Gelet op het kader waarin de verdediging zelf het rapport van Van der Ven van 4 mei 2002 heeft geplaatst en op de omstandigheid dat het hof dit rapport ook alleen heeft betrokken in zijn oordeel over "de rechtsmacht van de Nederlandse rechter" ten aanzien van feit 1, heb ik het eerste middel zo opgevat dat het alleen 's hofs oordeel ten aanzien van dít feit aanvecht. Voorts, zoals gezegd, neem ik aan dat het middel en het daaraan ten grondslag liggende verweer betrekking hebben op het ontbreken van rechtsmacht voor Nederland. 3.5 Het voor het hof op dit punt gevoerde verweer komt erop neer dat Nederland rechtsmacht ontbeert ten aanzien van feit 1 omdat dit niet in Nederland gepleegd zou zijn. Het berust op de opvatting dat niet bewezen kan worden dat verdachte ten tijde van de afgeluisterde telefoongesprekken, die de basis van de beschuldiging vormen, in Nederland was. Ter onderbouwing van die stelling heeft de verdediging het rapport van Van der Ven overgelegd. Daartegenover staat het door het openbaar ministerie overgelegde proces-verbaal van 7 mei 2002, waarin de bevindingen van Van der Ven worden tegengesproken. 3.6 Alvorens in de bestreden uitspraak in te gaan op het rapport van Van der Ven van 4 mei 2002 en het proces-verbaal van 7 mei 2002, heeft het hof de standpunten van de verdediging en die van het openbaar ministerie weergegeven (zie p. 8 van het arrest). Het hof overweegt daar dat de verdediging - kort gezegd - heeft aangevoerd dat het dossier geen of onvoldoende aanwijzingen bevat dat de gesprekken waaruit de betrokkenheid van verdachte bij de moord op [betrokkene 5] blijkt in Nederland zijn gevoerd. Vervolgens heeft het hof de standpunten van het openbaar ministerie vermeld. Die luiden dat het bewijsmateriaal bestaat uit uitgaande gesprekken door verdachte op zijn mobiele telefoon met Nederlandse aansluiting gevoerd, dat uitgaande gesprekken van Nederlandse mobiele telefoons destijds niet konden worden getapt als de beller op dat moment in het buitenland was, en dat uit de inhoud van de getapte gesprekken blijkt dat verdachte op 28 oktober 1997 om 18.07 uur in Rotterdam had afgesproken, dat hij op 31 oktober 1997 om 19.52 uur in Amsterdam was en dat hij op 5 november 1997 's middags een afspraak had in Breda en dat hij 's avonds in Rotterdam moest zijn. 3.7 Het hof heeft vervolgens overwogen dat de betrokkenheid van verdachte bij feit 1 (onder meer) blijkt uit gesprekken gevoerd op 28 oktober, 31 oktober en 5 november
- Uit de laatste alinea van de hiervoor onder 3.2 geciteerde passages blijkt dat het hof bewezen heeft geacht dat die gesprekken in Nederland zijn gevoerd. Gelet op 's hofs verwijzing aldaar naar "al het vorenstaande" heeft het hof ter verwerping van het verweer mede acht geslagen op de door het openbaar ministerie ingenomen standpunten ten aanzien van de verblijfplaats van verzoeker op de vermelde data en heeft het hof deze standpunten tot de zijne gemaakt. 3.8 Het eerste middel klaagt er allereerst over dat het hof het rapport van Van der Ven niet zonder nadere motivering terzijde had mogen schuiven. Het voert daartoe aan - en het vijfentwintigste middel verwijst gedeeltelijk naar het eerste middel - dat de verbalisant van het proces-verbaal van 7 mei 2002 nogal amicale relaties onderhoudt met de betreffende medewerkers van KPN Security en Ben Security, dat er telefonisch contact is geweest tussen de verbalisant en de Ben-medewerker voordat deze laatste zijn bevindingen op papier zette, dat niet duidelijk is wie namens KPN heeft bericht en dat de deskundigheid van beide woordvoerders niet wordt toegelicht. Van deze stellingen van feitelijke aard, kennelijk bedoeld om de betrouwbaarheid van de inhoud van het proces-verbaal van 7 mei 2002 ter discussie te stellen, blijkt uit de stukken van het geding niet dat deze voor het hof zijn ingenomen. Dergelijke stellingen kunnen in cassatie niet met succes voor het eerst worden ingenomen. In zoverre faalt het middel. 3.9 Ik wijs hier alvast op de vaste rechtspraak met betrekking tot de keuze en de waardering van het bewijsmateriaal. Daarvoor geldt als uitgangspunt dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het gebezigde bewijsmateriaal hoeft hij geen nadere rekenschap af te leggen. Door de wetgever en de door de Hoge Raad zijn op dit uitgangspunt uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal
(9). 3.10 Het hof zag zich gesteld voor de keuze tussen rapportages van verschillende ter zake kundigen. Het hof heeft uiteindelijk meer waarde gehecht aan de verklaringen van de medewerkers van de security-afdelingen van telecombedrijven die beiden de stelling van de verdediging hebben ontkracht. Eén van hen, [getuige 2] van Ben Security, heeft daarbij de onjuistheid aangegeven van Van de Vens veronderstelling dat de omstandigheid dat de afrekening ("billing") van door Nederlandse abonnees in het buitenland geïnitieerde gesprekken loopt via de Nederlandse provider meebrengt dat het gesprek zelf in Nederland vóór 13 november 1997 kon worden getapt. In het verdere verloop van het onderzoek ter zitting zijn door de verdediging in dit verband geen nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht. Evenmin heeft de verdediging naar aanleiding van het proces-verbaal van 7 mei 2002 voor het hof de betrouwbaarheid of de deskundigheid van de betrokken medewerkers van KPN en Ben gemotiveerd in twijfel getrokken. Zoals gezegd in 3.8 hebben dergelijke verweren dan in cassatie geen kans van slagen. Onder deze omstandigheden behoefde het hof naar het mij voorkomt niet nader dan het heeft gedaan te motiveren waarom het geen geloof hechtte aan de bevindingen van Van de Ven op dit punt. Het hof heeft zich immers aangesloten bij het standpunt van de medewerkers van de security-afdelingen van telecombedrijven, inhoudende dat - op een zeldzame uitzondering na - alleen vanuit of naar Nederland gevoerde gsm-gesprekken in Nederland konden worden getapt. 3.11 Het eerste middel klaagt er verder over dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het wijst in dit verband op de voor het hof ingenomen stelling dat verdachte blijkens de inhoud van op 5 oktober 1997 en 15 oktober 1997 getapte gesprekken op het moment van bellen in Spanje onderscheidenlijk België was. Let wel, geen van de getapte gesprekken die op verdachtes betrokkenheid bij feit 1 duiden heeft op een van deze dagen plaatsgevonden. 3.12 Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof geoordeeld dat wat de verdediging heeft aangevoerd over vanuit België en Spanje gevoerde telefoongesprekken onaannemelijk of niet relevant is. Het eerste spoort met de bevindingen van KPN Security en van [getuige 2] van 7 mei 2002 (zie zijn fax onder "Stelling 1"). Het tweede met de vaststelling dat de conclusie die de verdediging trekt over de telefoongesprekken waarop zij de aandacht heeft gevestigd geenszins noopt tot de slotsom dat ook de telefoongesprekken waarvan verbalisant Huuskes in zijn proces-verbaal van bevindingen rept dús vanuit het buitenland gevoerd moeten zijn. 3.13 Tot slot klaagt het eerste middel erover dat het hof de verdediging niet in de gelegenheid heeft gesteld op het proces-verbaal van 7 mei 2002 te reageren. Dit zou een schending van het bepaalde in art. 311, vijfde lid, Sv meebrengen. 3.14 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 mei 2002 heeft de AG het betrokken proces-verbaal overgelegd in reactie op het daarvóór bij de dupliek door de verdediging overgelegde rapport van Van de Ven van 4 mei
- Na het weerwoord door de AG heeft het hof overeenkomstig het bepaalde in art. 311, vierde lid, Sv de verdachte het woord gegeven. Bij die gelegenheid is de verdediging niet ingegaan op het proces-verbaal van 7 mei
- Vervolgens heeft het hof verzoeken tot schorsing en opheffing van de voorlopige hechtenis afgewezen en bepaald dat het onderzoek werd onderbroken tot de terechtzitting van 6 juni
- Op die dag en later nog op de zittingen van 2 juli 2002 en 16 juli 2002 is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet. Ook op die latere zittingen is de verdediging niet meer op het proces-verbaal van 7 mei 2002 teruggekomen, hoewel daartoe ruimschoots de gelegenheid was. 3.15 De verdediging heeft dus alle gelegenheid gehad het proces-verbaal nogmaals ter sprake te brengen maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De klacht dat er onvoldoende gelegenheid tot reageren zou zijn geweest faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. De strekking van de verwijzing naar art. 311, vijfde lid, Sv ontgaat mij. Nu het middel dit niet nader toelicht, volsta ik met de mededeling dat ook deze klacht faalt. 3.16 Het vijfentwintigste middel herhaalt grotendeels hetgeen ook al in het eerste middel is aangevoerd en faalt in zoverre op dezelfde gronden. De uitzondering van 1% die de vertegenwoordiger van Ben Security heeft aangebracht op de stelling dat de analoge tapkamer te Arnhem geen gesprekken heeft kunnen registreren die in het buitenland met een Nederlandse mobiele telefoon zijn gevoerd heeft het hof zich gerealiseerd. Maar het hof heeft die kans ten aanzien van de telefoongesprekken van 28 oktober 1997, 31 oktober 1997 en 5 november 1997 op zijn hoogst verwaarloosbaar klein geacht en daarom buiten beschouwing gelaten. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de inhoud van het proces-verbaal van verbalisant Huuskes waarnaar het hof op p. 8 van zijn arrest verwijst. Het feit van algemene bekendheid dat gesprekken in de grensregio regelmatig via een Nederlandse server lopen doet daaraan niet af. In hoger beroep is immers niet als verweer gevoerd dat in werkelijkheid zich een bepaalde toedracht HEEFT voorgedaan, die de bewijsmiddelen niet uitsluiten en die onverenigbaar is met de bewezenverklaring.
(10)De verdediging heeft alleen - en dat aan de hand van andere telefoongesprekken dan welke voor het bewijs zijn gebezigd - een mogelijkheid geopperd. De bewezenverklaring is daarom voldoende met redenen omkleed. 3.17 Beide middelen falen. 4.1 Het tweede middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte het door verdachte in eerste aanleg gevoerde verweer dat de rechtbank vooringenomen en partijdig was, niet heeft opgevat als een wrakingsverzoek waarop beslist had moeten worden. In hoger beroep is aangevoerd dat het hof wegens het gestelde verzuim van de rechtbank de zaak overeenkomstig art. 423, tweede lid, Sv, diende te verwijzen naar de rechtbank. In het middel ligt kennelijk ook de klacht besloten dat het hof de zaak ten onrechte aan zich gehouden heeft. 4.2 Het hof heeft het in hoger beroep gevoerde verweer in het arrest als volgt samengevat en verworpen: "6.1 Namens de verdachte is aangevoerd dat de strafzaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient te worden teruggewezen naar de rechtbank te Breda omdat de rechtbank niet heeft beslist op een verzoek om wraking van de behandelende strafkamer van die rechtbank. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat het ter terechtzitting van de rechtbank op 26 januari 2001 door verdachte overgelegde schrijven het verweer inhield dat de rechtbank niet onpartijdig was. Door de verdachte het recht op toetsing van de vertaling van de voor het bewijs gebruikte telefoongesprekken te ontzeggen, heeft de rechtbank volgens de verdediging het fair trialbeginsel geschonden. De rechtbank had de brief van verdachte als een verzoek tot wraking moeten opvatten. Volgens de verdediging had de voorzitter de verdachte er op zijn minst op moeten wijzen dat hij op de voet van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering om wraking kon verzoeken alvorens hij zijn verdediging zou neerleggen. 6.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 26 januari 2001 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte, mr. D. Moszkowicz, op die terechtzitting een zakelijke weergave gegeven van de door de tolk aan hem vertaalde inhoud van de door de verdachte in de Koerdische taal overgelegde brief. De raadsman heeft op die terechtzitting aan de rechtbank medegedeeld, dat de verdachte alle tapgesprekken opnieuw wilde beluisteren. Als dit verzoek niet door de rechtbank zou worden gehonoreerd, zou -in de woorden van de toenmalige raadsman- volgens de verdachte het fair trialbeginsel worden geschonden. In dat geval zouden de verdachte en de raadsman zich terug trekken. Na beraad in raadkamer heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging afgewezen. De rechtbank heeft ook aangegeven dat gedurende het gerechtelijk vooronderzoek vele verzoeken van de verdediging zijn gehonoreerd en dat er geen sprake was van een schending van het beginsel van fair trial. De verdachte heeft hierop nogmaals verklaard dat hij zou afzien van de verdediging als er geen fair trial gevoerd zou worden. De raadsman van verdachte heeft vervolgens aan de rechtbank medegedeeld dat de verdachte afzag van verdere verdediging. Nadat de rechtbank het onderbroken onderzoek op 26 januari 2001 te 13.00 uur had hervat, bleek dat de verdachte niet ter terechtzitting verschenen was en dat zijn raadsman de verdediging had neergelegd. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van dit gerechtshof van 15, 16 en 17 oktober 2001, heeft de toenmalige raadsman van verdachte, mr. D. Moszkowicz, op 15 oktober 2001 uitdrukkelijk verklaard dat door of namens de verdachte in eerste aanleg geen gelegenheid is geweest om de rechtbank te wraken omdat door de verdachte en de raadsman de verdediging al was neergelegd. 6.3 Op grond van hetgeen hiervoor onder 2 is weergegeven, stelt het hof vast dat op de terechtzitting in eerste aanleg noch door de verdachte, noch door zijn raadsman een uitdrukkelijk verzoek om wraking is gedaan. De raadsman heeft gelijktijdig met de verdachte de verdediging neergelegd. De verdachte werd derhalve tot het moment dat hij de verdediging neerlegde bijgestaan door een rechtsgeleerde raadsman en niet valt in te zien, waarom de rechtbank -zoals door de verdediging in hoger beroep is aangevoerd- de verdachte had moeten wijzen op de mogelijkheid van het doen van een verzoek tot wraking. 6.4 De beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het verzoek om vertaling van alle afgeluisterde telefoongesprekken, welke beslissing door de rechtbank is gemotiveerd, brengt niet met zich dat daardoor het fair trialbeginsel is geschonden in die zin dat er in eerste aanleg geen sprake zou zijn van een onpartijdige rechter. Als het hof in hoger beroep een andere beslissing op dit verzoek had gegeven, dan zou dit geen reden zijn geweest om de strafzaak overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering terug te wijzen. Ter terechtzitting in hoger beroep is ook overigens niet aannemelijk geworden dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig zou zijn geweest. 6.5 Het verzoek om terugwijzing van de strafzaak naar de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt derhalve afgewezen." 4.3 Over 's hofs zakelijke weergave van hetgeen ter zitting in eerste aanleg van 26 januari 2001 is voorgevallen wordt in het middel niet geklaagd, zodat ervan uit kan worden gegaan dat op die zitting zowel door de verdachte als zijn advocaat benadrukt is dat er gelet op de beslissing van de rechtbank geen sprake meer was van een fair trial, en dat verdachte daar zelfs uiteindelijk de consequentie aan heeft verbonden dat de verdediging moest worden neergelegd, maar dat niet met zoveel woorden om wraking van de rechtbank is verzocht. 4.4 Het verzoek om terugwijzing naar de rechtbank overeenkomstig art. 423, tweede lid Sv, steunde op twee pijlers, namelijk enerzijds de wat meer formele grond dat het verweer dat er geen sprake was van een fair trial door de rechtbank ten onrechte niet was opgevat als een wrakingsverzoek, dan wel dat was verzuimd de verdachte in te lichten over de mogelijkheid van wraking, en anderzijds de inhoudelijke grond dat de rechter in eerste aanleg niet onpartijdig was.
(11)Die laatste grond van het verzoek heeft het hof met overweging 6.4 geëcarteerd. Die overweging wordt in de schriftuur niet ter discussie gesteld. Die overweging getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. De pleitnotities van 25 maart 2002 reppen van 'vooringenomenheid' en citeren uit een brief van verdachte waarin deze de rechtbank ervan heeft beticht dat zij reeds 'bij voorbaat vonnis heeft gewezen'. Deze woordkeus wijst op de verdenking van een persoonlijke vooringenomenheid van de rechter. De Hoge Raad heeft daaromtrent het volgende overwogen: "Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens gaat het bij onpartijdigheid in de zin van deze verdragsbepaling niet alleen om de persoonlijke instelling van de betrokken rechter: mede op grond van de voor het ambt van rechter geldende benoembaarheidseisen en de gehanteerde selectiecriteria moet tot op bewijs van het tegendeel worden aangenomen dat de rechter zich bij zijn taakvervulling los weet te maken van eventuele vooringenomenheid."
(12)Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient dus voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling vermoed moet worden onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden zouden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verdachte dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
(13)In zijn algemeenheid kan niet gezegd worden dat een rechterlijke instantie met voor de verdediging onwelgevallige of zelfs onjuiste beslissingen gedurende het proces, zulke uitzonderlijke omstandigheden in het leven roept
(14). In cassatie moet er dus van uit worden gegaan dat verdachte in eerste aanleg is berecht door een onpartijdige rechter. Zo verdachte het al dan niet partijdig zijn van de rechters in eerste aanleg al had willen laten toetsen, dan heeft hij die toets alsnog van het hof gekregen. Gelet op het niet bestreden oordeel van het hof, dat niet aannemelijk is dat de rechtbank in eerste aanleg niet onpartijdig zou zijn geweest, was dus geen sprake van een situatie waarin de zaak door het hof op grond van art. 423, tweede lid, Sv, naar de rechtbank verwezen diende te worden
(15). Het oordeel van het hof over de vraag of de rechtbank het verweer dat er geen sprake was van een fair trial op had moeten vatten als een wrakingsverzoek, dan wel de verdachte op de mogelijkheid van wraking had moeten wijzen, doet dan niet meer ter zake. Reeds daarom faalt het middel. 4.5 Overigens is het maar de vraag of de rechtbank het aangevoerde had moeten opvatten als een wrakingsverzoek, dan wel op de mogelijkheid van wraking had moeten wijzen. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat het hof uitgaat van een onjuiste uitleg van artt. 512 en 513 Sv, omdat het heeft miskend dat de rechtbank het onpartijdigheidsverweer had moeten opvatten als een wrakingsverzoek, dan wel dat de rechtbank de verdachte op de mogelijkheid van wraking had moeten attenderen. Dat de verdachte werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsman, zoals het hof heeft overwogen, maakt dat niet anders, aldus de stellers van het middel. 4.6 De wrakingsregeling is neergelegd in de artikelen 512 tot en met 516 Sv. De wrakingsprocedure wordt in gang gezet door een verzoek van de verdachte of het openbaar ministerie. Het verzoek dient schriftelijk of ter zitting mondeling gedaan te worden. Er moet dus uitdrukkelijk om verzocht worden. Dat betekent niet dat een verdachte die geen uitdrukkelijk wrakingsverzoek doet zijn recht op een onpartijdige rechter heeft verspeeld. De verdachte kan zich immers steeds beroepen op art. 6, eerste lid, EVRM. Wraking is slechts een middel om het recht op een onpartijdige rechter af te dwingen.
(16)De verdediging kan kiezen voor het pad der wraking maar ook voor de weg van het verweer.
(17)In dit geval heeft verdachte een derde weg bewandeld, namelijk het afzien van verdediging. Deze weg heeft verdachte gekozen toen hij nog werd bijgestaan door mr. Moszkowicz. De rechtbank is ervan uitgegaan dat dit een bewuste keuze was waarbij verdachte zich heeft laten adviseren of heeft kunnen laten adviseren door zijn advocaat.
(18)Dat de rechtbank het verweer van de verdediging niet heeft opgevat als een verzoek tot wraking acht ik dan ook volstrekt niet onbegrijpelijk. De rechtbank heeft hetgeen verdachte aanvoerde kunnen opvatten als een beroep op schending van art. 6, eerste lid, EVRM. Op die verwijten heeft de rechtbank ter zitting van 26 januari 2001 gereageerd, waarna verdachte en zijn advocaat zich uit het proces hebben teruggetrokken. Nog los van het feit dat er in het onderhavige geval mijns inzien inhoudelijk geen aanleiding voor was - waarop afstuit het argument dat de stellers van het middel ontlenen aan een uitspraak van het EHRM - moet worden opgemerkt dat de rechter rechtens niet gehouden is om een verdachte te wijzen op de mogelijkheid van het doen van een wrakingsverzoek. Die plicht bestaat al helemaal niet als verdachte wordt bijgestaan door een raadsman. Die raadsman moet immers geacht worden op de hoogte te zijn van de strafprocessuele mogelijkheden en zijn cliënt ter zake dienende bij te staan. Als dan verdachte ervoor kiest de onpartijdigheid van de rechter op een bepaalde wijze te betwisten kan de rechter ervan uitgaan dat de verdediging heeft besloten géén verzoek om wraking te doen. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 4.7 Het middel faalt. 5.1 Het derde middel behelst de klacht dat het hof de herhaalde opmerkingen van de verdachte dat het hof niet onpartijdig was, ten onrechte niet heeft opgevat als een verzoek tot wraking, dan wel dat het hof ten onrechte de verdachte niet heeft gewezen op de mogelijkheid van het doen van een wrakingsverzoek. 5.2 Ik schets kort de relevante feiten en omstandigheden. De behandeling van de zaak in hoger beroep is aangevangen op 18 juli
- Tot 6 november 2001 zijn er zeven zittingen geweest. Verdachte en zijn toenmalige raadsman, mr. D. Moszkowicz, zijn op zes zittingsdagen aanwezig geweest en zijn ten volle in de gelegenheid geweest de verdediging te voeren op een wijze die hun dienstig voorkwam. Op 6 november 2001 zijn verdachte en zijn raadsman ter zitting van het hof verschenen. Nadat de verdediging een aantal verzoeken had gedaan, en het hof hierop afwijzend had beslist, heeft de raadsman de wraking van de gehele strafkamer van het hof verzocht. Hierop is het onderzoek geschorst en heeft de wrakingskamer van het hof het wrakingsverzoek nog diezelfde dag behandeld overeenkomstig de artikelen 512 tot en met 515 Sv. Verdachte en zijn raadsman zijn bij de behandeling van het wrakingsverzoek aanwezig geweest en hebben beiden het woord gevoerd. De wrakingskamer van het hof heeft op 6 november 2001 het verzoek tot wraking afgewezen. Vervolgens is het hof voortgegaan met de behandeling van de strafzaak en heeft de raadsman tal van verzoeken gedaan. Nadat het hof deze verzoeken had afgewezen, heeft verdachte aangegeven een andere advocaat te willen, omdat hij nu alles was afgewezen, niet kon doorgaan met de verdediging. De verdachte heeft uiteengezet waarom hij een andere advocaat wilde en heeft aangegeven zeker niet bereid te zijn de procedure zonder advocaat voort te zetten. Verdachte heeft daarom om aanhouding verzocht. Het hof heeft het verzoek, gelet op het moment - vlak voor het requisitoir - en de wijze waarop het is gedaan, verstaan als een poging de procedure te blokkeren en te vertragen. Gelet daarop heeft het hof het verzoek afgewezen. Vervolgens heeft het hof de AG de gelegenheid gegeven voor zijn requisitoir. Op verzoek van verdachte zijn de tolken gestopt met hun werkzaamheden. Om zeven uur 's avonds is de behandeling van de zaak onderbroken tot 7 november
- Op 7 november 2001 zijn verdachte en zijn raadsman wederom ter zitting verschenen. Na hervatting van het onderzoek heeft de verdachte meegedeeld dat zijn familie bezig is een andere advocaat te regelen, en dat dat in de middag waarschijnlijk gelukt zal zijn. Vervolgens heeft de AG zijn onderbroken requisitoir voortgezet. Verdachte heeft aangegeven het requisitoir niet te willen horen, omdat hij het eerste gedeelte ook niet heeft gehoord en het nutteloos zou zijn het requisitoir aan te horen zonder advocaat. Verder heeft verdachte meegedeeld dat als het zo door zou gaan, hij van mening is dat het hof niet onpartijdig is. Na de mededeling van de voorzitter dat toch zal worden voortgegaan met het requisitoir heeft de verdachte meegedeeld dat hij ervan uitgaat dat het hof niet onpartijdig is, dat hij voor een onpartijdig hof wil staan en dat hij wil dat zijn verzoeken door een onpartijdig hof worden beoordeeld. Op verzoek van de verdachte hebben de tolken verder geen bijstand verleend. Na het requisitoir heeft de voorzitter de verdachte gevraagd of hij - via de tolk - in het kort het standpunt van de AG wil vernemen. Verdachte heeft daarop meegedeeld dat hij geen antwoord wil geven op vragen, zolang geen nieuwe advocaat is benoemd en dat hij wil dat zijn belangen worden behartigd. De voorzitter heeft de verdachte hierop toch de eis van de AG meegedeeld. De zitting is vervolgens voor pleidooi onderbroken tot in de middag. Na hervatting van het onderzoek heeft de toenmalige raadsman mr. D. Moszkowicz meegedeeld dat de familie van verdachte een nieuwe advocaat heeft geregeld, te weten mr. Van der Plas en dat haar kantoorgenoot, mr. Bakker Schut, onderweg is naar de zitting. Hierop is het onderzoek onderbroken in afwachting van de komst van mr. Bakker Schut. Uiteindelijk heeft mr. Van der Plas de verdediging van mr. Moszkowicz overgenomen en verdachte in de rest van de procedure bijgestaan. De zaak is nog een aantal malen aangehouden en het hof heeft op 30 juli 2002 arrest gewezen. Vermeldenswaard is nog dat op 2 juli 2002 door de verdediging wederom twee wrakingsverzoeken zijn ingediend, welke verzoeken door weer een andere wrakingskamer zijn behandeld en afgewezen bij beslissingen van 4 juli
- 5.3 Verdachte heeft op de zitting van 7 november 2001 meegedeeld dat hij het hof niet onpartijdig vond, maar hij heeft daar geen enkele consequentie aan verbonden. Dit terwijl verdachte op de hoogte was van de mogelijkheid een wrakingsverzoek te doen, omdat nota bene een dag eerder in zijn aanwezigheid en naar ik mag aannemen in overleg met hem een dergelijk verzoek was gedaan, dat overeenkomstig de daarvoor geldende procedure was behandeld. Bovendien werd verdachte op 7 november 2001 formeel nog steeds bijgestaan door mr. Moszkowicz. Gelet hierop behoefde het hof de mededelingen van verdachte niet op te vatten als een verzoek tot wraking en bestond er ook geen informatieplicht voor het hof. 5.4 Het hof heeft verdachtes mededelingen kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus opgevat dat verdachte daarmee zijn ongenoegen wilde uiten over bepaalde beslissingen die het hof heeft genomen toen verdachte plotseling had besloten van de diensten van mr. Moszkowicz geen gebruik meer te maken. Van deze 'tactiek' had verdachte zich ook in eerste aanleg al bediend. Daar heeft hij bij herhaling aangevoerd dat hij geen eerlijk proces kreeg, en heeft hij kennelijk met het doel zijn zin te krijgen gedreigd de verdediging neer te leggen, hetgeen hij uiteindelijk ook heeft gedaan, waardoor zijn zaak in eerste aanleg onbepleit is gebleven. Dit is een wijze van communiceren die voor rekening van verdachte moet blijven. De verdediging zal het moeten doen met de in het Wetboek van Strafvordering gegeven mogelijkheden om zaken die voor de verdediging van belang zijn aan de orde te stellen. 5.5 Ook het derde middel faalt. 6.1 Het vierde middel betreft de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. In het kader van dit verweer is ter zitting van 25 februari 2002 achter gesloten deuren het een en ander aangevoerd. Het middel bepleit dat het hof de aldaar ter sprake gebrachte feiten en omstandigheden niet buiten beschouwing had mogen laten. 6.2 De gewraakte overweging in 's hofs uitspraak luidt: "Namens de verdachte is aangevoerd dat de Nederlandse overheid ernstig onrechtmatig tegenover de verdachte zou hebben gehandeld. In het kader van dit verweer zijn op 25 februari 2002 achter gesloten deuren feiten en omstandigheden naar voren gebracht die naar het oordeel van de verdediging niet publiekelijk bekend zouden mogen worden in verband met de veiligheid van de verdachte en zijn familie. Desgevraagd heeft de verdediging medegedeeld dat deze feiten en omstandigheden geen afzonderlijke bespreking behoeven en niet ten grondslag worden gelegd aan het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging." 6.3 Een eerste benadering van het middel is direct en eenvoudig en komt op het volgende neer. De gewraakte overweging wordt verkeerd gelezen. Die overweging geeft enkel het standpunt weer dat de verdediging op 25 februari 2002 heeft ingenomen. Het hof heeft er zich in zijn arrest niet over uitgelaten of het de feiten en omstandigheden die volgens de verdediging niet in de openbaarheid mochten komen heeft laten meewegen in zijn oordeelsvorming. Het middel mist dus feitelijke grondslag. 6.4 Een andere benadering laat zich ook denken. Zij sluit beter aan bij het debat zoals zich dat blijkens de processen-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting heeft ontwikkeld. Ter terechtzitting van 25 februari 2002 heeft de verdediging in het kader van een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte een verweer gevoerd dat ertoe strekte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging. Het verweer kwam erop neer dat sprake was van onrechtmatig handelen jegens verdachte door de Nederlandse justitiële autoriteiten in samenwerking met de Turkse autoriteiten. Het bouwde voort op in eerste aanleg door de getuigen X en Y voor de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. De verdediging heeft verzocht dit verweer achter gesloten deuren te mogen voeren omdat openbaarmaking van de feiten waarop het verweer berustte de veiligheid van verdachte in gevaar zou brengen. Het hof heeft aan dit verzoek gevolg gegeven, op de grond dat openbaarheid van de zitting het belang van een goede procesorde ernstig zou schaden (zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 februari 2002). 6.5 Bij pleidooi van 25 maart 2002 heeft de verdediging in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie opnieuw de aandacht gevestigd op dit verweer en daaraan toegevoegd: "Mijn uitgebreide toelichting ter zake raakte mede feiten die, indien zij in de openbaarheid zouden komen, niet alleen cliënt's veiligheid maar ook die van vele anderen in gevaar zou brengen. Het een en ander is daarom in besloten zitting aan u uitgelegd. Ik verzoek u het aldaar uitgesprokene hier als ingelast te beschouwen, ter ondersteuning van mijn verweer dat het Openbaar Ministerie in de vervolging van alle zaken van cliënt die aan u zijn voorgelegd, niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard." (pleitnota, p. 4) 6.6 Het hof heeft in reactie daarop blijkens het proces-verbaal van de zitting van 25 maart 2002 aan de verdediging het volgende voorgelegd: "Naar aanleiding van de pleitnota, pagina vier, laatste alinea, deelt de voorzitter mede dat van het hof wordt gevraagd te responderen op een in een besloten zitting naar voren gekomen kwestie. De voorzitter deelt mede dat indien van het hof wordt gevraagd te responderen op deze kwestie, dit alleen kan indien het verweer expliciet en in het openbaar is gevoerd en dat daarmee die kwestie publiekelijk wordt. De raadsvrouwe stelt voor om op deze kwestie op woensdag, 27 maart 2002, na overleg met de verdachte, terug te komen." 6.7 Het proces-verbaal van de zitting van 27 maart 2002 vermeldt ten aanzien van dit punt: "De voorzitter stelt aan de orde dat de verdediging bij gelegenheid van het pleidooi heeft verwezen naar feiten en omstandigheden die tijdens de met gesloten deuren gehouden zitting aan de orde zijn gekomen. De voorzitter wijst er op dat als die feiten en omstandigheden in het kader van verweren worden aangehaald, het hof er niet aan ontkomt om bij de bespreking van die verweren in het arrest op die feiten en omstandigheden in te gaan. Bij gelegenheid van het arrest zullen daardoor de in beslotenheid besproken onderwerpen aan de openbaarheid worden prijsgegeven. De raadsvrouwe deelt mede: Ik verzoek het hof hetgeen gedurende de met gesloten deuren gehouden terechtzitting van het hof is besproken buiten de openbaarheid te houden. De feiten en omstandigheden die toen naar voren zijn gebracht, worden door de verdediging niet ter onderbouwing van de gevoerde verweren gebezigd." 6.8 In zijn op 11 april 2002 gehouden repliek (p. 3) heeft de AG ten aanzien van het verweer van de raadsvrouwe op 25 februari 2002 opgemerkt: "Ik heb haar opmerking bij het pleidooi daarover aldus begrepen dat U het betoog dat op 25/2 achter gesloten deuren is gehouden niet behoeft te beschouwen als een ondersteuning voor het betoog dat bij pleidooi is gehouden en dat er derhalve niet op behoeft te worden ingegaan." 6.9 De verdediging heeft daar weer op gereageerd bij het ter zitting van 7 mei 2002 gehouden pleidooi. Ik citeer uit de pleitnota (p. 82): "Ik verzocht uw hof al hetgeen ter zake ter besloten zitting van 25 februari j.l. naar aanleiding van cliënts voorlopige hechtenis was opgemerkt, als op 25 maart j.l. als opnieuw ingelast en uitgesproken te beschouwen ter onderbouwing van het toen expliciet gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. Een vraag van uw president was hoe uw hof hiermee zou moeten omgaan in de motivering van het te wijzen arrest. Ik heb hierop geantwoord dat de verdediging er vrede mee kon hebben indien uw hof op het specifieke verweer betreffende de relatie van cliënt met X en Y geen afzonderlijke beslissing en motivering als bedoeld in artt. 349 lid 1 en 359 lid 2 WvSv zou geven. De ter zake door de verdediging naar voren gebrachte argumenten konden worden opgevat als directe ondersteuning van het overige in het kader van het niet-ontvankelijkheidsverweer bepleite, zonder dat daarop afzonderlijk in het arrest zou hoeven te worden gereageerd. De reden hiervoor was, zo was voor alle partijen duidelijk, het onmiddellijke veiligheidsrisico voor cliënt en velen rondom hem bij het publiek worden van de argumenten welke op dit punt zijn aangevoerd. Voor zover de advocaat-generaal dit antwoord aan u anders zou hebben begrepen (vgl. p.3 van zijn repliek van 11 april 2002) heeft hij dit dus kennelijk fout begrepen." 6.10 Het middel legt de in 6.2 weergegeven overweging aldus uit dat het hof de feiten en omstandigheden die tijdens het besloten deel van het onderzoek ter terechtzitting van 25 februari 2002 aan de orde zijn gesteld buiten beschouwing heeft gelaten en bepleit nu dat het hof in het licht van het bovenstaande niet aan de bedoelde feiten en omstandigheden voorbij had mogen gaan. Als ik het middel goed begrijp, bepleit het dat het hof die informatie wel had moeten "meenemen" bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zonder dat het hof een afzonderlijke beslissing op dit punt hoefde te formuleren. Het middel voert verder aan dat het proces-verbaal van de zitting van 27 maart 2002 een onjuiste weergave bevat van wat de verdediging daar heeft aangevoerd en dat ook als die weergave wel juist was het hof de vertrouwelijke informatie toch in zijn besluitvorming had moeten betrekken. 6.11 Voor de beoordeling van het middel is dan het volgende wettelijke kader van belang. Art. 121 GW bepaalt, voorzover hier van belang, dat, met uitzondering van de gevallen bij de wet bepaald, de vonnissen de gronden inhouden waarop zij rusten en dat de uitspraak in het openbaar geschiedt. Ingevolge art. 20, derde lid, (oud) RO behoren onder meer de vonnissen en arresten in strafzaken op straffe van nietigheid in het openbaar te worden uitgesproken en moeten deze zijn ingericht volgens de voorschriften van art. 121 GW. Ook art. 362, eerste lid, Sv vereist een openbare uitspraak. Deze wettelijke regels bevatten geen voorschrift dat een uitzondering toelaat op de grondwettelijke regel dat de vonnissen de gronden inhouden waarop zij rusten en dat de uitspraak in het openbaar geschiedt. Een dergelijke uitzondering is derhalve ook niet gemaakt voor gevallen waarin ten behoeve van de te nemen beslissing gegevens in de uitspraak moeten worden vermeld die zijn verkregen tijdens niet openbare terechtzittingen
(19). 6.12 Hieruit volgt dat de voorzitter er terecht op heeft gewezen dat de verdediging voor een keuze stond. Óf de desbetreffende feiten en omstandigheden zonder voorbehoud aan het ontvankelijkheidsverweer ten grondslag leggen. Dan volgt een beslissing op dat verweer en is vermelding en het prijsgeven van die feiten en omstandigheden aan de openbaarheid onvermijdelijk. Óf de verdediging besluit die feiten en omstandigheden niet aan dat verweer ten grondslag te leggen met als gevolg dat zij afgeschermd blijven van de openbaarheid en een beslissing daarop uitblijft. Meer smaken zijn er niet. Van belang is nog dat mij na lezing van het verweer duidelijk is geworden dat het naar de aard daarvan niet mogelijk is de strekking en de achtergronden van het verweer voldoende te schetsen zonder openbaar te maken wat verdachte graag verborgen wil houden. 6.13 De stellers van het middel willen, net als de verdediging voor het hof, van twee walletjes eten. Uit de weergegeven gang van zaken voor het hof maak ik op dat de raadslieden in overleg met de verdachte hebben besloten af te zien van openbaarmaking van de achtergronden van het verweer. Kennelijk hebben zij hun kansen afgewogen en zijn ze tot de slotsom gekomen dat de kans op succes - niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie - te klein was om op te wegen tegen de risico's verbonden aan het algemeen bekend worden van de feitelijke stellingen waarop dat verweer rustte. Die keuze hebben zij in eerste instantie ook op eenduidige wijze aan het hof kenbaar gemaakt (zie 6.7). Bij latere gelegenheden heeft de verdediging het uitgangspunt - geheimhouding staat voorop - herhaald, maar daar in wisselende bewoordingen aan toegevoegd dat het aangevoerde wel moest worden meegenomen in de besluitvorming. 6.14 Die combinatie is, zoals gezegd, in strijd met de wet. Het hof heeft van die twee onverenigbare verlangens voorop gesteld wat de verdediging keer op keer als haar prioriteit had aangeduid. De bestreden beslissing is dus juist en volkomen begrijpelijk. Ter zijde merk ik nog op dat deze gang van zaken tot gevolg heeft gehad dat het hof niet is toegekomen aan toetsing van de juistheid van de gestelde feiten en de daaraan door de verdediging toegedichte interpretatie en onderlinge samenhang. Voorts vraag ik mij af in welk verband de verwijzing naar EHRM 24 april 2001, 36337/97 and 35974/97 hier moet worden gezien. Verzoekers in die zaken verlangden een 'public hearing' in een zaak waarin de rechter diende te beslissen over een verblijfsvoorziening voor minderjarige kinderen. Zulke zaken worden in Engeland doorgaans niet in het openbaar behandeld. Het EHRM stelde vast "that neither applicant has alleged that the domestic proceedings were unfair and that their complaints relate solely to the formal requirements of publicity."
(20)Daarna benadrukte het EHRM dat de openbaarheid van de behandeling het belang dient van een transparante en open rechtsbedeling en van het uitbannen van geheime justitie, maar dat op dat beginsel uitzonderingen mogelijk zijn onder meer "to promote the free exchange of information and opinion in the pursuit of justice".
(21)Het EHRM meende dat zo een uitzondering in de zaken B en P gerechtvaardigd was om de betrokkenen de gelegenheid te geven zo frank en vrij mogelijk te spreken. Vervolgens klaagden B en P er nog over dat de beslissingen niet in het openbaar waren uitgesproken. Het EHRM stelde evenwel vast dat in de Engelse praktijk zulke beslissingen, zij het geanonimiseerd, wel beschikbaar werden gesteld aan belangstellenden of volledig werden gepubliceerd: "47. The Court notes that anyone who can establish an interest may consult or obtain a copy of the full text of the orders and/or judgments of first instance courts in child residence cases, and that the judgments of the Court of Appeal and of first instance courts in cases of special interest are routinely published, thereby enabling the public to study the manner in which the courts generally approach such cases and the principles applied in deciding them." In de zaken B en P tegen Engeland ging het dus om verzoekers die juist de openbaarheid van behandeling claimden en die op hun klacht dat de uitspraken niet werden geopenbaard als antwoord van het EHRM te horen kregen dat uitspraak in het openbaar hier niet nodig was, dat belangrijke zaken wel werden beschikbaar gesteld of gepubliceerd, dat publikatie dan de volledige beslissing betrof en dat enkel de persoonlijke gegevens van de justitiabelen daarin onherkenbaar waren gemaakt.
(22)Het middel koerst evenwel ergens anders op aan; te weten een niet openbare behandeling en een arrest waarin het hof wel met het verhandelde in de niet openbare zitting rekening zou houden, maar daarvan niet mag doen blijken. Steun voor een dergelijke praktijk is aan de aangehaalde beslissing van het EHRM niet te ontlenen. 6.15 De klacht dat het proces-verbaal van 27 maart 2002 de stellingname van de verdediging niet goed weergeeft, faalt reeds bij gebrek aan belang omdat het hof, zoals hierboven uiteengezet, geheel begrijpelijk de primaire bedoeling van de verdediging voorop heeft gesteld. De beslissing van het hof zou niet inboeten aan begrijpelijkheid als er met het middel van zou worden uitgegaan dat op de zitting van 27 mei 2002 was aangevoerd dat niet-openbaarmaking voorop stond maar dat de feiten toch moesten meewegen in 's hofs beslissing. 6.15 Ook dit middel faalt. 7.1 Het vijfde middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen de verzoeken tot het horen van de CID-informanten op grond van wier verklaringen het GVO zou zijn geopend. 7.2 De verdediging heeft in hoger beroep drie keer om het horen van de CID-informanten verzocht, de eerste keer ter terechtzitting van 18 juli
- Het hof heeft dit verzoek afgewezen en daarbij het volgende overwogen: "Het verzoek van de verdediging om de CID-informanten als getuigen ter terechtzitting te horen, wordt door het hof afgewezen. Vooropgesteld wordt dat, gelet op de bijzondere positie die informanten in het strafproces innemen, bij het horen van informanten als getuigen terughoudend moet worden opgetreden. Het gaat in deze strafzaak om informanten waarvan de gegeven informatie is neergelegd in processen-verbaal van de CID. Deze processen-verbaal worden door het openbaar ministerie niet gebruikt voor het bewijs. Bijzondere omstandigheden kunnen er toe leiden dat informanten wel als getuigen worden gehoord. Het bestaan daarvan is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. Met name de stelling van de verdediging, die er op neer komt dat de informanten in feite door de Turkse overheid gestuurde personen zijn, die in opdracht van die autoriteiten opzettelijk onjuiste gegevens hebben verstrekt, acht het hof ter terechtzitting niet aannemelijk geworden." Het is nog van belang op te merken dat het hof op die zitting wel het verzoek heeft toegewezen om de toenmalige CID-chef, diens vervanger en de CID-officier van justitie als getuigen te horen. De verdediging had aangegeven deze getuigen te willen horen over de concrete wijze waarop de CID-informatie is getoetst op betrouwbaarheid en of en hoe de motieven van de informanten om informatie te leveren zijn onderzocht. Deze getuigen zijn gehoord ter terechtzitting van het hof van 22 oktober
- 7.3 Op 15 oktober 2001 heeft de verdediging wederom verzocht de CID-informanten als getuigen te horen. Ook ditmaal heeft het hof het verzoek afgewezen. Het hof heeft daarbij het volgende overwogen. "Het vierde verzoek komt er op neer dat het hof alle CID informanten en hun runners ter terechtzitting zou horen en dat alle CID-informatie betreffende verdachte aan het dossier zou worden toegevoegd. Dit verzoek had de raadsman al neergelegd in zijn brief van 9 oktober
- De advocaat-generaal heeft daar bij brief van 10 oktober 2001 op geantwoord. Ter terechtzitting van 18 juli 2001 heeft de verdediging een vergelijkbaar verzoek gedaan. Dat is nu gespecificeerd en nader toegelicht. Het hof blijft bij zijn beslissing van 18 juli 2001, te weten dat de verdachte door het afwijzen van het verzoek om de informanten te horen redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof begrijpt dat de verdediging de informanten wil horen waarvan de informatie is neergelegd in de processen-verbaal C01 tot en met C06 van de verbalisant Mulder. Naar het oordeel van het hof kan voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de informanten en de verstrekte informatie worden volstaan met het horen van de toenmalige chef van de CID Van Schaik, zijn toenmalige plaatsvervanger Mulder en de CID-officier van justitie mr. Klunder. De betreffende informatie is door de eerste rechter niet tot bewijs gebezigd. Het hof verwijst naar de uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden gepubliceerd onder nummer NJ 1999/
- Voornoemde personen kunnen verklaren over de betrouwbaarheid van de informanten en de verstrekte informatie en over de wijze waarop het informatietraject is verlopen en of daarbij de privacy van verdachte voldoende in acht is genomen. Naar het oordeel van het hof gaat het er bovendien niet om of de betreffende informatie juist is en op juiste wijze is verkregen, maar gaat het er om of de rechter-commissaris bij het openen van het gerechtelijk vooronderzoek op grond van de CID-informatie er redelijkerwijze van uit mocht gaan dat die informatie juist was en op rechtmatige wijze was vergaard. De rechter-commissaris heeft bij herhaling laten weten dat hij van oordeel was dat dit het geval was. Het hof wijst daarbij op een brief van 15 oktober
- Het hof kan de beslissing van de rechter-commissaris slechts marginaal toetsen en zal dit doen in het kader van het horen van de getuigen Van Schaik, Mulder en Klunder. Ook het verzoek om de runners als getuigen ter terechtzitting te horen en de CID-informatie aan het dossier toe te voegen wordt op grond van vorenstaande motivering afgewezen." 7.4 De verdediging heeft bij pleidooi nogmaals verzocht de CID-informanten als getuigen op de zitting te horen. Het hof heeft dit verzoek in het arrest afgewezen en hierover onder 7.4 sub b het volgende opgenomen: "Het verzoek van de verdediging om de CID-informanten te horen wordt door het hof afgewezen. Reeds ter terechtzitting van dit hof op 18 juli 2001 en op 15 oktober 2001 heeft de toenmalige raadsman van verdachte aan het hof verzocht de betreffende informanten als getuigen te horen. Het hof heeft die verzoeken gemotiveerd afgewezen. Thans volstaat het hof met het verwijzen naar die beslissingen. Door de verdediging zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een andere beslissing van het hof zouden dienen te leiden. Met betrekking tot het vergaren van informatie zijn zowel ter terechtzitting in hoger beroep als door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda aan de CID-officier van Justitie Klunder en de CID-chefs Van Schaik en Mulder en de zaaksofficier van justitie Hillenaar op indringende wijze vragen gesteld. Uit die verhoren, waarbij ook de verdediging in de gelegenheid is geweest vragen te stellen, is niet naar voren gekomen dat er bij het vergaren van de informatie zou zijn gehandeld in strijd met enige rechtsregel. Ter terechtzitting van het hof is op 18 juli 2001 reeds beslist dat uit de verhoren van voornoemde personen op geen enkele wijze naar voren is gekomen dat de CID-informatie op grond waarvan het gerechtelijk onderzoek is geopend onbetrouwbaar zou zijn. Het hof blijft bij die beslissing. De stelling van de verdediging dat de CID-informatie afkomstig was van de Turkse overheid en door die overheid opzettelijk onjuist zou zijn verstrekt via de betreffende CID-informanten is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De enkele omstandigheid dat het binnenkomen van die informatie zou zijn samengevallen met de verwachting dat verdachte niet aan Turkije zou kunnen worden uitgeleverd is daartoe onvoldoende." 7.5 De stellers van het middel betogen dat het hof bij het afwijzen van met name het eerste verzoek een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, dat in ieder geval de door het hof gegeven motivering dat verdachte door het niet oproepen van de informanten niet in zijn verdediging kan zijn geschaad onbegrijpelijk en in het licht van het aangevoerde ontoereikend is en dat 's hofs redengeving ontoelaatbaar vooruit loopt op de mogelijke inhoud van de door de verzochte getuigen af te leggen verklaringen. 7.6 Wat betreft de door het hof aangelegde maatstaf bij de afwijzing van het verzoek op 18 juli 2001 geldt het volgende. Het betreft een verzoek dat (blijkens de overgelegde pleitnota) eerst is gedaan op die zitting. Hoewel het een zogenaamde regiezitting betrof, staat vast dat de voorzitter de zaak overeenkomstig artikel 270 Sv heeft doen uitroepen en dat daarmee het onderzoek tegen verdachte is aangevangen. Daarmee betreft het verzoek de informanten als getuigen te horen een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. 315 Sv waarop het zogenaamde noodzaakcriterium van toepassing is
(23). Het hof heeft bij de motivering van de beslissing van 18 juli 2001 niet met zoveel woorden aangeven welke maatstaf het bij de beoordeling heeft gehanteerd. Uit de motivering van die beslissing, in combinatie met de beslissing om de CID-chef en CID-officier van justitie wel als getuigen te horen, alsmede 's hofs nadere overweging bij de beslissing van 15 oktober 2001 op hetzelfde verzoek, kan worden afgeleid dat het hof bij de beoordeling van het verzoek als criterium heeft gehanteerd of de verdachte door afwijzing van het verzoek in zijn verdediging zou kunnen zijn geschaad, maar van de hantering van dat criterium eerst later melding heeft gemaakt. Dat is dus een voor de verdachte gunstiger criterium dan mijns inziens wettelijk nodig was. Het hof is de verdediging, die bij de regiezitting ook uitdrukkelijk om hantering van dat criterium had verzocht, kennelijk ter wille geweest en was daar vrij in
(24). Het hof heeft overigens in zijn hiervoor onder 7.3 aangehaalde overweging tevens tot uitdrukking gebracht dat het horen van die personen niet noodzakelijk of wenselijk was te achten.
(25)Het criterium van het verdedigingsbelang omvat immers ook het noodzaakcriterium. Ik merk nog op dat in een geval als het onderhavige, waarin een aantal keren eenzelfde verzoek is gedaan (en na het eerste verzoek niet of nauwelijks nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd) de door het hof gegeven achtereenvolgende motiveringen mijns inziens kunnen worden beschouwd als één geheel en geldend voor alle beslissingen op de verzoeken, zeker wanneer het hof uitdrukkelijk verwijst naar de motivering van eerdere afwijzingen. Geen rechtsregel verzet zich daartegen. Anders dan de stellers van het middel ben ik dus van mening dat de motivering van de afwijzing van het verzoek op 18 juli 2001 met de latere motiveringen is aangevuld en in samenhang daarmee kan en moet worden gelezen
(26). 7.7 Het middel stelt dat het hof op 18 juli 2001 een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd, doordat het hof niet heeft beoordeeld of verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging werd geschaad. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 7.6 heb opgemerkt mist dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag. 7.8 Vervolgens kom ik toe aan de klacht dat de afwijzing onvoldoende gemotiveerd zou zijn. De overweging dat verdachte door de afwijzing redelijkerwijs niet in zijn verdediging kon worden geschaad zou onbegrijpelijk zijn, gelet op het feit dat telkenmale gemotiveerd is aangegeven dat de informanten gestuurd zijn door de Turkse overheid en dat de Nederlandse autoriteiten op onrechtmatige wijze met de Turkse autoriteiten hebben samengewerkt. 7.9 Het hof heeft de verzoeken aanvankelijk kennelijk met name beoordeeld in het licht van de stellingname van de verdediging dat de rechter-commissaris op grond van de CID-informatie niet tot opening van het GVO had mogen overgaan. Die benadering door het hof acht ik gezien hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet onbegrijpelijk. Nadat de verdediging bij pleidooi een beroep had gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en tevens nogmaals om het horen van de informanten had verzocht, heeft het hof het verzoek (tevens) uitdrukkelijk beoordeeld in het licht van het niet-ontvankelijkheidsverweer. 7.10 De verdediging heeft de betrouwbaarheid en rechtmatigheid van de CID-informatie op grond waarvan het onderzoek tegen verdachte is begonnen ter discussie gesteld. In dat kader wilde de verdediging de informanten horen. Het hof heeft op 15 oktober 2001 geoordeeld dat de beslissing van de rechter-commissaris om een GVO te openen slechts marginaal kan worden getoetst en dat kon worden volstaan met het horen van de direct verantwoordelijken, te weten de CID-chef, zijn plaatsvervanger en de CID-officier van justitie en dat verdachte door het niet horen van de informanten redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Dat oordeel geeft gelet op HR NJ 1999, 253, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De wet stelt geen voorwaarden aan het instellen van een GVO, behoudens dat de officier van justitie het GVO moet vorderen en dat er van een (vermoeden van een) strafbaar feit sprake moet zijn.
(27)De vordering GVO mag voorts niet worden gedaan in strijd met beginselen van behoorlijke procesorde.
(28)Het is zelfs zo dat voor wat betreft de start van een onderzoek geldt dat ook zonder dat ter zitting een verantwoordelijke van de CID, laat staan de informant zelf, is gehoord, alléén al op grond van een CID-proces-verbaal kan worden geoordeeld dat tot het starten van een onderzoek kon worden overgaan. Als dan de informatie van de CID voor het bewijs geen enkele rol speelt kan ook gezegd worden dat een verdachte door achterwege blijven van een oproeping van de informant of tipgever redelijkerwijze niet in zijn verdediging kan worden geschaad.
(29)7.11 In het arrest geeft het hof een uitgebreidere motivering van de afwijzende beslissing. Deze motivering is meer toegespitst op het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer. In het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd getuigt het oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Daaraan kan niet afdoen hetgeen de stellers van het middel in de schriftuur onder punt 3 daartegen inbrengen. Het cassatiemiddel houdt zelf onder 3 in dat aan het herhaalde verzoek om de CID-informanten te horen dezelfde motivering ten grondslag lag als aan het verzoek van 18 juli 2001. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat een verhoor van de informanten in redelijkheid niet van belang zou kunnen zijn voor zijn beslissing over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en heeft daar, naar moet worden aangenomen, ook bij in aanmerking genomen hetgeen de CID-chef, diens vervanger en CID-officier van justitie ten overstaan van de rechter-commissaris omtrent de betrouwbaarheid van de informanten, de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie en de wijze waarop zij met deze informatie zijn omgegaan, hebben verklaard. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat zo al sprake zou zijn van onrechtmatige Turkse bemoeienis, dit gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad (vrijwel) nooit tot niet-ontvankelijkheid van het Nederlandse openbaar ministerie zal kunnen leiden. Daarvoor is immers nodig dat door onrechtmatig handelen van Nederlandse autoriteiten ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn gemaakt, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan.
(30)Voor het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie waren dus de wetenschap en het handelen van de Nederlandse autoriteiten van belang. Het onderzoek dat het hof heeft ingesteld naar de aanleiding voor het instellen van een GVO naar verdachtes betrokkenheid bij delicten heeft geen aanknopingspunten opgeleverd voor enigerlei beschuldiging inhoudende dat Nederlandse autoriteiten zulke ernstige inbreuken op de beginselen van behoorlijke procesorde zouden hebben gemaakt.
(31)Wat het hof overigens nog opmerkt over de betrouwbaarheid van de startinformatie kan eigenlijk als een toegift ten overvloede gelden, die voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet meer van belang is. 7.12 Overigens acht ik de overwegingen van het hof over de betrouwbaarheid van de startinformatie begrijpelijk. De betrouwbaarheid en rechtmatigheid van de informatie zijn bij de rechter-commissaris en met name ook bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep langdurig onderwerp van onderzoek geweest. De direct verantwoordelijken zijn hierover zoals het hof heeft overwogen indringend onder ede gehoord. Dat leverde geen enkele aanwijzing voor twijfel aan de betrouwbaarheid of rechtmatigheid op. Dat de verdediging ter zitting heeft aangevoerd dat de door hen als betrouwbaar aangemerkte getuige Y heeft verklaard, dat er betrouwbare informatie was dat de Nederlandse politie het onderzoek had opgestart op verzoek van de Turkse nationale politie, waarvoor hij weinig respect koesterde, doet aan de kwaliteit van 's hofs motivering niet af. Het aangevoerde houdt immers niet in dat de informatie waarop het onderzoek is gestart onjuist was. Ook hetgeen onder 4 in de schriftuur wordt opgemerkt over hetgeen omtrent de getuige [getuige 1] door de verdediging is aangevoerd, noopte het hof niet tot een meer omvattende motivering. Reeds op 18 juli 2001 had de AG medegedeeld dat [getuige 1] in de zaak tegen verdachte als informant was opgetreden. [Getuige 1] en de officier van justitie mr. J.R. Klunder zijn op 22 oktober 2001 ter terechtzitting gehoord en de verdediging heeft hun vragen kunnen stellen binnen het kader dat door opsporings- en beschermingsbelangen was bepaald. Klunder heeft toen nadere uitleg gegeven over zijn uitlatingen tegenover de Rijksrecherche, die in onderdeel 4 van de toelichting op het middel zijn geciteerd. Die uitlatingen waren niet gebaseerd op harde gegevens, maar op het vermoeden dat [getuige 1] mogelijk politiek geïnspireerd was. Deze uitleg bevestigt wat het hof kennelijk al had aangenomen; dat een informant zowel crimineel als politiek georiënteerd kan zijn, zonder dat hij meteen als afgevaardigde van de Turkse overheid moet worden beschouwd. Wat in de toelichting op het middel als 'nieuw feit' wordt gepresenteerd was dus al oude koek van eigen deeg. Waarom het oordeel van het hof gezien deze informatie over [getuige 1] onbegrijpelijk zou zijn is voor mij onbegrijpelijk. 7.13 Tot slot wordt in het middel geklaagd over 's hofs overweging dat de stelling van de verdediging dat de CID-informatie afkomstig was van de Turkse overheid en door die overheid opzettelijk onjuist zou zijn verstrekt via de desbetreffende CID-informant (ofwel dat de informanten in feite door de Turkse autoriteiten gestuurde personen zijn) op geen enkele wijze aannemelijk is geworden. Volgens de stellers van het middel zou het hof met deze overweging (ontoelaatbaar) vooruit lopen op de inhoud van de door de informanten af te leggen verklaring
(32). 7.14 De bestreden overweging is gegeven bij de afwijzende beslissing ter zitting van 18 juli 2001 en in het arrest van 30 juli 2002. Van een vooruitlopen op eventuele verklaringen van die informanten is geen sprake. Dat zou slechts het geval zijn indien het hof het horen van die informanten zou hebben afgewezen op de grond dat het hof al wel weet wat voor verklaring zij zullen afleggen en dat daarom het horen niet noodzakelijk is of het afzien daarvan niet schadelijk voor de belangen van de verdediging. Maar het hof heeft het verzoek om de informanten als getuigen te horen niet op die maar op andere gronden afgewezen. Met het horen van informanten dient, zo heeft het hof terecht opgemerkt, vanuit het oogpunt van opsporingsbelang, zeker waar zoals in het onderhavige geval de verstrekte informatie op geen enkele wijze tot het bewijs heeft bijgedragen, zeer terughoudend te worden omgegaan. Over het algemeen kan aan de belangen van de verdediging voldoende worden tegemoet gekomen door het horen van de direct verantwoordelijken. Dat is in deze zaak ook gebeurd. Het is aan de verdediging om de rechter te overtuigen dat zich een uitzonderingssituatie voordoet die maakt dat informanten toch gehoord dienen te worden. Daar is de verdediging blijkens de overwegingen van het hof niet in geslaagd. Bovendien overwoog het hof dat de vraag waarom het draait luidt of de rechter-commissaris er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat de CID-informatie, waarop het GVO is gestart, juist en betrouwbaar was. Als dat het geval is - en het hof heeft overwogen dat een marginale toetsing het hof die vraag positief doet beantwoorden - is er geen goede grond om alsnog diepgaand te gaan onderzoeken of, achteraf bezien, de informatie toch niet zo deugdelijk was als de rechter-commissaris in redelijkheid heeft mogen aannemen. Ook als de CID-informanten de stellingen van de verdediging achteraf zouden onderschrijven is dat niet relevant voor de beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris indertijd voldoende grond had een GVO te openen. De inhoud van eventueel achteraf afgelegde verklaringen van de CID-informanten doet er dus niet toe. Tot slot merk ik nog op dat het in artikel 6 EVRM besloten liggende beginsel van 'equality of arms' niet betekent dat ten aanzien van elke door de verdediging verzochte getuige een plicht tot oproepen bestaat. 7.16 Het vijfde middel faalt. 8.1 Het zesde middel komt op tegen de verwerping van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden op de grond dat een tot het opsporingsteam behorende tolk informatie zou hebben doorgegeven aan de Turkse autoriteiten. 8.2 Het hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen: "Tot het onderzoeksteam van politie behoorde een vertaler van Turkse afkomst die ook Turkse en Koerdische gesprekken heeft vertaald in het Nederlands. Blijkens de verklaring van de liaisonofficier in Turkije Schalks leverde deze vertaler gevraagd en ongevraagd informatie aan de Turkse autoriteiten over Nederlandse onderzoeken. De Nederlandse overheid moet verantwoordelijk worden gehouden voor het lekken van informatie uit het Nederlandse politieonderzoek aan de Turkse pers en Turkse overheid door deze Turkse tolk van het IRT-NON. Deze Turkse vertaler zou al vanaf 1996 informatie hebben verstrekt aan Turkije." (rov. 7.3.c) "7.4 Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde slechts dan kan volgen, indien daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (...) ad c: (...) Voorzover al aannemelijk is geworden dat er daadwerkelijk informatie, die door de Nederlandse politie en justitie was verkregen in het kader van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte, aan de Turkse overheid of media is verstrekt, is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie verantwoordelijk moet worden gehouden voor het verstrekken van die informatie door een onbekend gebleven persoon of instantie. De verdediging heeft aangevoerd dat dit zou zijn geschied door een Nederlandse politieambtenaar van Turkse afkomst die in het opsporingsonderzoek als tolk zou hebben gefungeerd, maar heeft deze bewering niet afdoende onderbouwd. Voorzover de bedoelde informatie niet is verstrekt in het kader van het onderzoek naar de aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feiten, kan het onregelmatige verstrekken van die informatie niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de in de onderhavige strafzaak ten laste gelegde feiten." 8.3 Het middel stelt dat het oordeel van het hof op dit punt onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. Het voert allereerst aan dat het hof ten onrechte heeft beslist dat niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie verantwoordelijk moet worden gehouden voor het verstrekken van informatie door een persoon die onbekend is gebleven. Verder bevat het middel de klacht dat dit oordeel in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd onvoldoende gemotiveerd of zelfs onbegrijpelijk zou zijn. Het middel haalt twee getuigenverklaringen aan. Eén van de getuige A. IJzerman, destijds leider van het IRT onderzoeksteam, waarin hij heeft verklaard dat bij het opsporingsonderzoek een tolk van Turkse afkomst betrokken is geweest. En één van de toenmalige liaison-officieren van het Nederlandse openbaar ministerie in Istanbul, A.A.C.J. Schalks, die heeft verklaard dat hij van Turkse autoriteiten heeft vernomen dat zij goede contacten onderhouden met een Turkse tolk die deel uitmaakte van het team dat de zaak [verdachte] onderzocht heeft, die hun gevraagd en ongevraagd informatie heeft verstrekt, dat hij niet weet of dit ook geheime informatie betrof en dat naar deze tolk een intern onderzoek is ingesteld. 8.5 De verdediging heeft deze verklaringen geplaatst in het verband van het verweer dat al in een vroeg stadium van het onderzoek informatie zou zijn gelekt naar Turkse opsporingsinstanties. Meer in het bijzonder heeft de verdediging de mogelijkheid geopperd dat de betrokken tolk verantwoordelijk moet worden gehouden voor het doorspelen van in Nederland afgeluisterde telefoongesprekken, waaronder de gesprekken waarover [betrokkene 12] op 21 januari 1998 met verdachte heeft gesproken (zie de pleitnota van 25 maart 2002, p. 12-14). 8.6 Namens het openbaar ministerie heeft de AG bij zijn op 11 april 2002 gehouden repliek deze stellingname bestreden (p. 10). Hij heeft aangevoerd dat hij de rol van de tolk in het opsporingsonderzoek nader door de officier van justitie Klunder heeft laten onderzoeken. Hieruit kwam naar voren dat de tolk alleen als tolk/vertaler bij het onderzoek betrokken is geweest, dat hij delegaties van het IRT-NON tijdens bezoeken aan Turkije heeft begeleid en dat hij zodoende als spil in het wederzijdse rechtshulpverkeer is gaan fungeren. Dit zou hebben geleid tot animositeit tussen de liaison-officier Schalks en deze tolk. Het door Schalks vermelde onderzoek is toen ingesteld om die situatie in kaart te brengen. Van een strafrechtelijk of disciplinair onderzoek was dus geen sprake. Onoirbare gedragingen zijn in dat onderzoek niet aan het licht gekomen. Voor de suggestie dat de tolk corrupt zou zijn of dat hij de desbetreffende gespreksbanden of processen-verbaal aan de Turkse autoriteiten heeft verstrekt is dus geen enkele aanwijzing, zo besluit de AG zijn betoog op dit punt. 8.7 Ter zitting van 7 mei 2002 heeft de verdediging haar standpunt nogmaals verdedigd en de stellingname van de AG bestreden. Nieuw bewijsmateriaal is daar niet aan de orde gesteld. 8.8 Het hof heeft zijn in het middel bestreden oordeel (zie 8.2) nog aangevuld in rov. 10.6.4 van zijn arrest (p. 32). Het overweegt daar kort gezegd dat het de stelling dat de door [betrokkene 12] in zijn op 21 januari 1998 gevoerde telefoongesprek met verdachte genoemde tapverslagen vóór februari 1998 door of vanwege de Nederlandse justitie aan de Turkse autoriteiten zouden zijn doorgegeven onwaar acht. Blijkens die overweging heeft het hof in navolging van de AG bij repliek van 11 april 2002 meer geloof gehecht aan de door de verschillende justitiefunctionarissen op dit punt afgelegde verklaringen. Het hof heeft verder de bedoelde vermelding door [betrokkene 12] van die telefoongesprekken afgedaan als een poging om zich tegenover verdachte in te dekken voor de door hem afgelegde belastende verklaring. 8.9 Als de stellers van het middel hebben bedoeld dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie moet volgen wanneer een onbekende persoon die in het voorbereidend onderzoek is ingeschakeld eigenmachtig informatie aan buitenlandse autoriteiten verstrekt omdat het openbaar ministerie daarvoor verantwoordelijk moet worden gehouden, is dat een onjuist uitgangspunt. Het hof heeft terecht gesteld dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde slechts dan kan volgen, indien daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Die inbreuk zal moeten zijn toe te schrijven aan de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten.
(33)Dat laatste is naar mijn mening aldus te verstaan dat die inbreuk aan het openbaar ministerie dient te kunnen worden toegerekend. En dat is slechts het geval indien het openbaar ministerie weet had van de onrechtmatigheden maar die heeft aanvaard. Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat dit niet aannemelijk is geworden. Een ander punt waarnaar de overweging van het hof verwijst is dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie verlangt dat een concreet, rechtens te respecteren belang van de verdachte in de procedure is geschaad.
(34)Het moet immers gaan om een "eerlijke behandeling van zijn zaak". Daarmee is bedoeld de Nederlandse strafzaak. Welke concrete verdedigingsbelangen in het nauw zijn gebracht door een eventueel informatielek naar Turkije via een Turkse tolk komt nergens uit de verf. Het cassatiemiddel laat ook na die belangen te identificeren. 8.10 Het oordeel van het hof is gelet op het bovenstaande voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Ik wijs de stellers van het middel ook in dit verband op de gulden cassatieregel dat feitelijke oordelen zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat hij, uitzonderingsgevallen daargelaten, geen rekenschap hoeft af te leggen over de selectie en de waardering van het bewijs waarop die oordelen berusten. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het hof van de verdediging meer heeft verlangd dan dat zij de door haar ingenomen stelling aannemelijk zou maken, berust het op een onjuiste lezing van 's hofs oordeel zodat het faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De weigering door het hof om de in het middel bedoelde tolk als getuige te laten oproepen, komt apart ter sprake bij de behandeling van middel drieëntwintig. 8.11 Het middel faalt. 9.1 Het zevende middel behelst de klacht dat het hof het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in de vervolging, wegens onrechtmatige verstrekking van verbalen van afgeluisterde telefoongesprekken aan de Turkse autoriteiten, ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. 9.2 Het hof heeft bedoeld verweer in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen: "7.3 De verdediging heeft zakelijk weergegeven het navolgende aangevoerd. (...) d. De Nederlandse overheid heeft ook processen-verbaal van telefoontaps of informatie daaruit verstrekt aan de Turkse overheid. Dit had moeten geschieden overeenkomstig de procedure van artikel 552p van het Wetboek van Strafvordering. De privacy van de betrokkene, i.c. verdachte, wordt mede door dit artikel beschermd. In strijd met vorenstaand artikel is echter door de Bredase rechtbank nagelaten de verdachte te horen. Dit dient te leiden tot nietigheid van de beschikkingen waarbij het afgeven van de processen-verbaal van telefoontaps en banden met telefoongesprekken werd toegestaan. De informatie uit de afgeluisterde gesprekken is volgens de officier van justitie Hillenaar zonder enige procedure verstrekt aan Turkije. Achteraf heeft de rechter-commissaris dit toegestaan. Ook dit is onrechtmatig geschied. Tenslotte is volstrekt onduidelijk wat er door de Nederlandse overheid is afgegeven aan de Turkse overheid. Het kan zeer gevoelige informatie betreffen. De verdachte wordt in Turkije in de [betrokkene 5]zaak (feit 1) en de Heroïnezaak (feit 4) vervolgd. Er is sprake van een verregaande onzorgvuldigheid jegens de verdachte en dit moet volstrekt ontoelaatbaar worden geoordeeld. (...) 7.4 Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de vervolging wegens een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde slechts dan kan volgen, indien daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (...) ad c. Volgens de verdediging is door het verschaffen van informatie door de Nederlandse overheid aan de Turkse overheid het door artikel 2 EVRM beschermde recht op leven van verdachte en het door artikel 8 EVRM beschermde recht op privacy van verdachte geschonden. Door de verdediging is niet aangegeven welke informatie door de Nederlandse politie of justitie aan de Turkse overheid zou zijn verstrekt. Blijkens het verweer was de verdachte al voor het in Nederland verrichte onderzoek een staatsvijand en ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat die omstandigheid door het onderzoek is veranderd of verergerd. In het kader van Nederlandse verzoeken om rechtshulp hebben er in Turkije verhoren plaatsgevonden door de Turkse politie in aanwezigheid van Nederlandse verbalisanten en zijn er door de Turkse politie processen-verbaal verstrekt. De in het kader van die rechtshulp gegeven informatie aangaande het in Nederland lopende onderzoek tegen verdachte kan niet als onrechtmatig verstrekt worden aangeduid. Niet valt in te zien dat het openbaar ministerie door het in het in het kader van een rechtshulpverzoek, welk verzoek betrekking had op een onderzoek naar ernstige strafbare feiten, verstrekken van informatie aan de aangezochte staat een ontoelaatbare inbreuk zou hebben gemaakt op door artikel 2 en 8 EVRM beschermde rechten van verdachte. Door of namens de verdachte zijn geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel van het hof zouden moeten leiden. Voorzover al aannemelijk is geworden dat er daadwerkelijk informatie, die door de Nederlandse politie en justitie was verkregen in het kader van het opsporingsonderzoek tegen de verdachte, aan de Turkse overheid of media is verstrekt, is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie verantwoordelijk moet worden gehouden voor het verstrekken van die informatie door een onbekend gebleven persoon of instantie. De verdediging heeft aangevoerd dat dit zou zijn geschied door een Nederlandse politieambtenaar van Turkse afkomst die in het opsporingsonderzoek als tolk zou hebben gefungeerd, maar heeft deze bewering niet afdoende onderbouwd. Voorzover de bedoelde informatie niet is verstrekt in het kader van het onderzoek naar de aan de verdachte ten laste gelegde strafbare feiten, kan het onregelmatige verstrekken van die informatie niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de in de onderhavige strafzaak ten laste gelegde feiten. De informatieverstrekking door de Nederlandse politie aan de Turkse politie op 7 januari 1998 betreffende het heroïnetransport door [betrokkene 13], betrof zogenaamde sturingsinformatie waarin de naam van verdachte niet is genoemd. Deze informatieverstrekking voldoet aan het bepaalde in artikel 18, eerste lid, (oud) van de Wet Politieregisters juncto artikel 13 (oud) van het Besluit Politieregisters. Ingevolge deze bepalingen kunnen uit een politieregister gegevens worden verstrekt aan politieautoriteiten in een ander land indien dit noodzakelijk is ter voorkoming van een ernstig en dreigend gevaar of ter opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde in dat land ernstig is geschokt. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de grote hoeveelheid heroïne waar het om handelde, daarvan sprake. Dat de Nederlandse politie onrechtmatig of onzorgvuldig gegevens over de verdachte heeft verstrekt aan de Turkse politie is derhalve niet aannemelijk geworden. (...) ad d. Ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat bij het verstrekken van Nederlandse processen-verbaal van telefoontaps of informatie daaruit aan de Turkse overheid de verdachte door de rechtbank te Breda niet als belanghebbende is gehoord. Dit kan evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid leiden van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging van verdachte terzake van de ten laste gelegde feiten omdat ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat deze Nederlandse processen-verbaal of de informatie daaruit aan Turkije is verstrekt in het kader van het Nederlandse onderzoek naar de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Ook is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat die op deze wijze aan Turkije verstrekte informatie ook weer als informatie in Nederland is teruggekomen. Door de verdediging is nog aangevoerd dat de verdachte op basis van de verstrekte informatie in Turkije wordt vervolgd terzake van de in de onderhavige strafzaak onder 1 en onder 4 ten laste gelegde feiten. Voorzover het al juist is dat terzake van die feiten in Turkije tegen de verdachte een strafzaak aanhangig is gemaakt, is het in ieder geval ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat de verdachte terzake van het onder 1 en onder 4 ten laste gelegde in Turkije onherroepelijk is veroordeeld. (...) 7.5 Het verweer van de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging wegens een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, wordt door het hof verworpen nu hetgeen door de verdediging is aangevoerd, zowel in de afzonderlijke onderdelen als in het geheel genomen, niet tot de gevolgtrekking leidt dat door het openbaar ministerie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan." 9.3 Terecht heeft het hof vooropgesteld dat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging slechts sprake kan zijn in geval van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Binnen dat kader diende het hof het verweer dat op onrechtmatige wijze informatie aan Turkije was geleverd te beoordelen. 9.4 Als ik mij niet vergis heeft het hof de volgende informatie onderscheiden; 1. de informatie die de Nederlandse autoriteiten aan de Turkse autoriteiten hebben verschaft in het kader van rechtshulpverzoeken aan Turkije. Het hof heeft over deze informatie overwogen zoals hiervoor aangehaald (ad c, tweede alinea). Het hof doelt hier kennelijk mede op de informatie die de Nederlandse verbalisanten, die [getuige 6] in Turkije hebben gehoord, aan deze [getuige 6] hebben voorgehouden of doen voorhouden. Die overwegingen geven geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en zijn evenmin onbegrijpelijk. Ik begrijp dat het middel hierover niet klaagt. 2. de informatie uit het Nederlandse onderzoek die een onbekende Turkse tolk aan de Turkse autoriteiten zou hebben doorgespeeld (ad c, derde alinea). Het vorige middel gaat op dit onderwerp in, dus ik neem aan dat het onderhavige middel daar niet meer op doelt. 3. overige informatie die de Nederlandse autoriteiten aan de Turkse autoriteiten hebben toegespeeld buiten de informatie-uitwisseling om die met de rechtshulpverzoeken aan Turkije samenhingen (ad c, vierde alinea). Daartoe behoort de sturingsinformatie betreffende het heroïnetransport door [betrokkene 13], waarvan het hof heeft geoordeeld dat de Nederlandse autoriteiten die rechtmatig aan de Turkse autoriteiten hebben verstrekt (ad c, vijfde alinea). 9.5 In cassatie moet worden uitgegaan van wat het hof omtrent de feiten heeft vastgesteld. Het hof heeft onder meer aannemelijk geacht dat met verlof van de rechtbank Breda (schriftelijke) informatie uit het [verdachte]-onderzoek aan de Turkse autoriteiten is verstrekt, en dat de verdachte voorafgaand aan die beslissing niet door de rechtbank als belanghebbende is gehoord. Het hof heeft daaropvolgend overwogen dat zulks niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM kan leiden, omdat ter zitting niet aannemelijk is geworden dat informatie is verstrekt in het kader van het Nederlandse onderzoek en dat voorts niet aannemelijk is geworden dat die aan Turkije verstrekte informatie weer op enigerlei wijze is terugkomen naar Nederland en is gebruikt in de onderhavige zaak. Ik begrijp deze laatste overwegingen aldus dat naar het oordeel van het hof de Nederlandse autoriteiten de informatie van categorie 3 niet hebben doorgegeven met het oog op de afhandeling van de Nederlandse strafzaak. 9.6 Het hof heeft zich in de motivering dus vooral gericht op het ten aanzien van verdachte geschonden belang en in zijn overwegingen tot uitdrukking gebracht dat deze informatieverstrekkingen hebben plaatsgevonden in het belang van de onderzoeken in Turkije. Aldus ligt in deze overwegingen ook besloten dat naar het oordeel van het hof deze informatieverstrekking niet doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn Nederlandse strafzaak heeft tekortgedaan. Voorts ben ik van oordeel dat het middel voor zover daaraan ten grondslag was gelegd dat verdachte niet als belanghebbende was gehoord, evenmin kan slagen. De gegevens zijn verzameld in het kader van een in Nederland gevoerd opsporingsonderzoek. Uit het systeem van Titel X van het Boek IV van het Wetboek van Strafvordering volgt dat het door de rechtbank te verlenen verlof slechts is vereist ingeval van de afgifte van gegevens die zijn vergaard ter uitvoering van een rechtshulpverzoek. Uit niets blijkt dat de wetgever ook de afgifte van gegevens die reeds (al dan niet met toepassing van dwangmiddelen) waren vergaard in het kader van een onderzoek in een Nederlandse strafzaak, van een voorafgaand rechterlijk verlof afhankelijk heeft willen stellen. Dat brengt mee dat de officier van justitie niet het verlof van de rechtbank behoeft alvorens dergelijke gegevens kunnen worden afgegeven aan de verzoekende buitenlandse autoriteiten, laat staan dat verdachte door de rechtbank als belanghebbende hierin moet worden gekend en hierover moet worden gehoord.
(35)9.7 De meer inhoudelijke overwegingen van het hof waren dus eigenlijk niet nodig geweest. Ik zal ze toch bespreken. De stellers van het middel achten de overwegingen onbegrijpelijk, omdat de verstrekte informatie bezwaarlijk op andere feiten dan die verdachte in Nederland ten laste zijn gelegd, zou kunnen zien. Dit onderdeel berust op een verkeerde lezing van de overwegingen van het hof. Het hof heeft slechts aangegeven dat de informatie niet is verstrekt ten behoeve van het Nederlandse onderzoek tegen verdachte. Op de vraag van de stellers van het middel in het kader van welk onderzoek de informatie dan wel is verstrekt kan ik kort zijn: het onderzoek naar de gewelddadige dood van [betrokkene 5] te Istanbul. Daarbij waren immers vermoedelijk meer personen betrokken. Dat in Turkije naar die moord onderzoek werd gedaan lijkt mij vanzelfsprekend. Dat de door Nederland aan Turkije verstrekte informatie ertoe kan hebben geleid dat daardoor in Turkije ten aanzien van verdachte belastend materiaal is verkregen, doet evenmin af aan 's hofs beslissing. Dan geldt immers dat Nederland middels een rechtshulpverzoek aan Turkije de beschikking over die informatie kan krijgen. Blijkens de stukken is er door Nederland verscheidene malen een rechtshulpverzoek aan Turkije gedaan. Het oordeel van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. 9.8 Nu het hof overigens - zoals hierboven aangegeven - in mijn lezing heeft vastgesteld dat deze informatie is doorgegeven buiten het kader van de strafzaak tegen verdachte in Nederland zijn eventuele gebreken die aan die informatieverschaffing zouden kleven voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de Nederlandse strafvervolging niet relevant. Ik merk nog op dat ook deze zaak laat zien dat er op het terrein van internationale rechtshulp een verschuiving te zien is van justitiële naar politiële samenwerking
(36). 9.8 Het middel faalt. 10.1 Het achtste middel betreft de verwerping van het verweer dat de verklaringen van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze onder druk, namelijk marteling, zijn afgelegd. 10.2 De in het middel bedoelde verklaringen zijn door het hof gebruikt als bewijsmiddelen voor de als feit 4 tenlastegelegde invoer van heroïne (bewijsmiddelen 4.3, 4.4, 4.6 en 4.7). Het hof heeft het verweer op dit punt als volgt samengevat en verworpen (p. 31-32). "Dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] niet als zodanig bruikbaar zijn, omdat ze onder druk (marteling) tot stand zijn gekomen, zoals dit door de verdediging is gesteld, is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. In de eerste plaats wijst het hof er op dat in die verklaringen niet wordt gerept over dwang of marteling. Voorts wijst het hof in dit verband op het verslag van medisch onderzoek d.d. 30 april 1998, opgemaakt door forensisch geneeskundige [getuige 7], bijlage D-6-40, dossierpagina 1490, inhoudende: (volgt een letterlijke weergave van de vertaling van een brief van [getuige 7] van de Turkse Gerechtelijke Medische Dienst van 30 april 1998, die inhoudt dat uit geneeskundig onderzoek van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] niet is gebleken van littekens als gevolg van mishandeling, AM) Het door de verdediging impliciet ingenomen standpunt dat deze in Turkije opgemaakte medische verklaring niet is/kan zijn opgemaakt in onafhankelijkheid, legt het hof als onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden, terzijde. Voorts blijkt er ruimte te zijn geweest om terug te komen op eerdere verklaringen, zoals blijkt uit de verklaring van [betrokkene 12] tegenover de Turkse rechter en uit de verklaring van [betrokkene 13] tegenover de Turkse officier van justitie." 10.3 Het middel wijst op een achttal punten dat is aangevoerd ter onderbouwing van de stelling dat de verklaringen van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] door marteling zijn verkregen. Het bepleit dat daaruit een vermoeden van foltering rijst en dat dit vermoeden voor het hof aanleiding had moeten zijn om de verklaringen van het bewijs uit te sluiten. De strekking van het middel is dat het voor de verdediging dermate moeilijk is om aan te tonen dat de verklaringen door marteling zijn verkregen, dat, mede gelet op de ernst van dergelijke praktijken, van de verdediging niet mag worden verlangd meer aan te voeren dan zij heeft gedaan. 10.4 Naar mijn mening concentreert het debat zich op de belastende verklaringen die [betrokkene 12] heeft afgelegd. Met betrekking tot de andere belastende verklaringen die over feit 4 zijn afgelegd - ik denk aan de verklaringen van [betrokkene 14] (bewijsmiddel 4.5) en [betrokkene 13] (bewijsmiddel 4.6, 4.7) - heeft de verdediging geen concrete aanwijzingen voor marteling opgevoerd, maar als het ware in het algemeen gesteld dat ook dezen gefolterd waren. Ook het middel gaat verder niet in op de wijze waarop de verklaringen van deze personen tot stand zijn gekomen; het middel concentreert zich op [betrokkene 12]. Ik neem niet aan dat volgens de stellers van het middel de algemene verslagen en rapporten van internationale organisaties een concrete basis vormen voor de beschuldiging dat ook [betrokkene 13] is gemarteld en daarom heeft verklaard zoals hij heeft gedaan. Vandaar dat ik mij hierna zal beperken tot de kwestie [betrokkene 12]. 10.5 Opvallend is dat van al het in het middel vermelde bewijsmateriaal alleen het door [betrokkene 12] op 21 januari 1998 met verdachte gevoerde telefoongesprek en zijn op 6 december 1999 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van marteling reppen. Op de inhoud van dat telefoongesprek en die verklaringen is de AG bij zijn requisitoir van 6 en 7 november 2001 uitgebreid ingegaan (p. 23-24). Hij heeft daar - samengevat - het volgende aangevoerd. [betrokkene 12] heeft in zijn desbetreffende op 13 januari 1998 afgelegde verklaring (bewijsmiddel 4.3) tegenover de Turkse politie zeer belastende informatie verstrekt omtrent verdachte. Hij heeft een en ander op 16 januari 1998 nog eens bevestigd ten overstaan van de Turkse officier van justitie (bewijsmiddel 4.4). Bij geen van deze gelegenheden maakt [betrokkene 12] melding van marteling door de Turkse politie. Op 21 januari 1998 belt hij vanuit de gevangenis met verdachte. In dat telefoongesprek zegt [betrokkene 12], in strijd met de waarheid, dat hij alle schuld op zich heeft genomen en dat hij niets belastends over verdachte heeft verklaard. Verder zegt hij dat hij zich "nu nog niet kan bewegen". In het verhoor van 23 april 1998 door Nederlandse politieagenten ontkent [betrokkene 12] dit gesprek te hebben gevoerd. In zijn verklaring van 6 december 1999 tegenover de rechter-commissaris ontkent [betrokkene 12] met verdachte over drugs gesproken te hebben. Dan pas, dus bijna twee jaar nadat hij zou zijn gemarteld en geslagen, komt hij voor het eerst officieel met de mededeling dat zijn verklaring van 13 januari 1998 niet in vrijheid is afgelegd. De AG leidt uit deze gang van zaken en uit het gegeven dat overige aanwijzingen voor marteling ontbreken af dat [betrokkene 12] heeft geprobeerd zich tegenover verdachte vrij te pleiten. Ter ondersteuning van dit vermoeden heeft de AG bij zijn requisitoir (p. 24) aangevoerd dat de arts die [betrokkene 12] op 16 januari 1998 had onderzocht, [getuige 7], geen sporen van letsels heeft aangetroffen en dat deze arts door [betrokkene 1] in een tegen hem gevoerde procedure als een moedig persoon werd omschreven omdat zij het bleek aan te durven letsel te vermelden.
(37)Zulke artsen bestaan inderdaad in Turkije. De pleitnota van 25 maart 2002 meldt zelfs op p. 6 dat artsen van het Turkse Ministerie van justitie het hebben aangedurfd op 12 april 1989 te rapporteren dat "staatsvijand nummer 2 van Turkije" zoals verdachte op p. 3 van die pleitnota wordt aangeduid was gemarteld. 10.6 Met de stellers van het middel ben ik het eens dat beschuldigingen van marteling zeer serieus moeten worden genomen. In geval van twijfel doet men er inderdaad beter aan de verklaring niet voor het bewijs te gebruiken. Dit bepleit ook het college van procureurs-generaal in de in het middel bedoelde brief van 10 maart 1998. Er zullen dan echter wel concrete en gefundeerde aanwijzingen moeten zijn dat er sprake is van onder druk van (dreiging met) fysiek geweld afgelegde verklaringen
(38). Ik kan mij voorstellen dat de feitenrechter voorzichtigheidshalve besluit bepaald materiaal niet tot het bewijs toe te laten omdat hij de mogelijkheid van marteling niet uitgesloten acht en dus een (vanuit het oogpunt van de verdediging) iets soepelere maatstaf aanlegt dan die van het aannemelijk worden, welke maatstaf de Hoge Raad hanteert.
(39)Dit doet overigens niets af aan de feitelijkheid van een dergelijk oordeel, dat in cassatie dus slechts beperkt kan worden getoetst. 10.7 In dit geval is de enige concrete beschuldiging van marteling afkomstig van de getuige [betrokkene 12] zelf, heeft dezelfde getuige verschillende met elkaar in tegenspraak zijnde verklaringen afgelegd, is er een medische verklaring waaruit blijkt dat littekens die op de juistheid van die beschuldigingen zouden kunnen wijzen ontbraken, heeft de getuige twee jaar gewacht met het uiten van deze beschuldigingen terwijl hij daartoe ook eerder de mogelijkheid had, en zijn door het openbaar ministerie plausibele redenen aangevoerd waarom [betrokkene 12] ook op dit punt mogelijk heeft gelogen. 10.8 In wezen is het middel, net als het voor het hof gevoerde verweer, gebaseerd op de vooronderstelling dat marteling heeft plaatsgevonden. Het hof heeft het verweer echter op zijn eigen merites beoordeeld en is tot de slotsom gekomen dat het feitelijke grondslag mist. In aanvulling op de onder 10.2 geciteerde gronden wijs ik op het beperkte geloof van het hof in de beweringen van [betrokkene 12] in zijn telefoongesprek met verdachte op 21 januari 1998 (vgl. arrest 10.6.4). Het hof heeft het gedeelte waarin [betrokkene 12] zou doelen op marteling kennelijk ook ongeloofwaardig geacht. 10.9 Al met al is 's hofs oordeel op dit punt voldoende gemotiveerd en geenszins onbegrijpelijk. Voor het overige kan dit oordeel in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het is immers gebaseerd op een waardering en weging van omstandigheden van feitelijke aard die aan de rechter in feitelijke aanleg is voorbehouden. Die afweging heeft tot uitkomst gehad dat de bewering van [betrokkene 12] dat hij zou zijn gemarteld en op welke bewering de verdediging zich heeft beroepen door het hof ongeloofwaardig is geoordeeld. Als het middel van de stelling uitgaat dat de rechter een betoog van de verdediging dat een getuige is gemarteld moet volgen ook als de rechter meent dat de verklaring van die getuige over de marteling ongeloofwaardig is, gaat het uit van een verkeerde rechtsopvatting. 10.10 Het middel faalt. 11.1 De middelen negen tot en met veertien hebben alle betrekking op het voor het hof gevoerde verweer omtrent de authenticiteit van de afgeluisterde telefoongesprekken. De kern van dit verweer is dat de gesprekken zijn gemanipuleerd. Het verweer is zowel gevoerd in het kader van de ontvankelijkheid als in dat van de geschiktheid van de tapverslagen als bewijsmiddelen. Ter ondersteuning van dit verweer heeft de verdediging een grote verscheidenheid van stellingen betrokken, mede naar aanleiding van op initiatief van de verdediging zelf verricht technisch onderzoek. De grondgedachte van het verweer is dat de Turkse autoriteiten op de een of andere manier kans hebben gezien de inhoud van de gesprekken te manipuleren. Meer specifiek is van een aantal gesprekken gesteld dat die zijn samengesteld uit gedeelten van meerdere werkelijk gevoerde gesprekken met als resultaat dat een voor verdachte zeer belastend beeld is ontstaan. Over de wijze waarop de Turkse autoriteiten dit voor elkaar hebben gekregen is aangevoerd dat de Nederlandse tapkamers vanaf 4 november 1997 worden aangestuurd met Israëlische software, dat die software manipulatie van buitenaf toelaat zonder dat dit door de Nederlandse autoriteiten kan worden opgemerkt, dat in ieder geval de Israëlische geheime dienst over de nodige kennis en informatie daartoe zou beschikken en dat Israël die kennis en informatie ter beschikking zou hebben gesteld aan Turkije. 11.2 Naar aanleiding van dit verweer, dat ook voor de rechtbank is gevoerd, is door het NFI een rapport opgemaakt, gedateerd 22 december
- De slotsom van dit rapport luidt dat de betrokken deskundigen, onder wie drs. A.P.A. Broeders, geen aanwijzingen voor manipulatie hebben aangetroffen. De verdediging hield voet bij stuk en heeft uiteindelijk zelf een aantal van de getapte gesprekken laten onderzoeken door J.W.M. van de Ven en anderen. Een en ander heeft weer geleid tot nader onderzoek door genoemde Broeders van het NFI, dat heeft uitgemond in vier aanvullingen op het oorspronkelijke rapport. 11.3 Het negende middel komt op tegen de herhaalde beslissing van het hof tot afwijzing van het verzoek een contra-expertise te gelasten teneinde nader onderzoek te doen naar beweerde manipulaties met de telefoontaps. Het hof heeft zich, aldus het middel, in zijn beoordeling van het verzoek laten leiden door de inhoud van het rapport van drs. A.P.A. Broeders van 22 december 2000 en zulks ten onrechte. Drs. Broeders zou onvoldoende deskundig zijn, ontoereikende methoden van onderzoek hebben gebruikt en onvoldoende onafhankelijk zijn. Het resultaat van deskundigenonderzoek naar de beweerde manipulatie zou zonder meer beslissend zijn voor de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kon worden bewezen. Daarom zou verdachtes recht op een eerlijk proces zijn geschonden. 11.4 Op de regiezitting van 18 juli 2001 heeft de verdediging verzocht alle afgeluisterde telefoongesprekken opnieuw af te mogen luisteren om die te onderzoeken op onregelmatigheden. De toenmalige raadsman heeft daarbij gewezen op eerder geuite aanwijzingen voor manipulatie, op de wijze, de omvang en de motivering van het NFI-rapport van 22 december 2000, op de beperkingen van het onderzoek als door Broeders zelf aangegeven en op het gewicht van de gesprekken in het geheel van het beschikbare bewijsmateriaal. Ter terechtzitting van 18 juli 2001 heeft het hof het volgende overwogen en beslist: "Met betrekking tot het verzoek aangaande de opgenomen telefoongesprekken is het hof van oordeel dat de telefoongesprekken in de onderhavige zaak een zeer belangrijke rol spelen. Het zijn weliswaar niet de enige, maar wel de belangrijkste bewijsmiddelen en het is daarom noodzakelijk dat daaraan de nodige aandacht wordt besteed, het hof is van oordeel dat dit tot op heden ook is gebeurd en dat de rechter-commissaris zeer ruimhartig is omgegaan met de door de verdediging dienaangaande gedane verzoeken. Er is daarbij voldoende aandacht besteed aan het technisch onderzoek en het onderzoek naar de kwaliteit van de vertaalwerkzaamheden. Het hof wijst daarbij ondermeer op het rapport van de deskundige Broeders en de verklaring van Bruinessen. Uit hetgeen terzake door de verdediging ter terechtzitting is aangevoerd, put het hof geen argumenten om een nader onderzoek naar de telefoontaps te gelasten. De door de verdediging gedane primaire, subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken worden door het hof afgewezen. (...) Het hof wijst het verzoek van de raadsman om de deskundige drs. A.P.A. Broeders te horen toe. De raadsman heeft de onafhankelijkheid van deze getuige-deskundige ter terechtzitting aan de orde gesteld. Hoewel het hof op voorhand geen reden heeft om die onafhankelijkheid van een aan het NFI verbonden deskundige te betwijfelen, zal het hof de verdediging alle ruimte geven om deze getuige-deskundige ter terechtzitting nog nader te horen." 11.5 Op 22 en 23 oktober 2001 is drs. Broeders uitgebreid gehoord. De verdediging deed vervolgens het verzoek om alle door de rechtbank voor het bewijs gebezigde tapgesprekken technisch op manipulatie te laten onderzoeken. Het hof heeft op dat verzoek als volgt gereageerd: "De getuige-deskundige Broeders heeft uitgebreid verklaard over het door hem verrichte technische onderzoek. Hij heeft verklaard dat hij zich binnen en buiten zijn vakgebied (onder meer bij de afdeling digitale technieken) heeft georiënteerd. De getuige-deskundige heeft onder meer verklaard dat er naar zijn mening geen nadere onderzoeksmogelijkheden waren die iets nieuws kunnen opleveren. Hij heeft een deskundig oordeel gegeven en naar zijn oordeel was er geen aanleiding enige manipulatie te veronderstellen. Het hof is van oordeel dat nader technisch onderzoek van alle door de rechtbank tot bewijs gebezigde gesprekken naar de vraag of daarin sprake is van manipulatie c.q. de door de raadsman voorgestelde contra-expertise, niet zinvol is. Het hof acht zich, gelet op het onderzoek door Broeders en zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende geïnformeerd en is van oordeel dat de noodzaak tot nader onderzoek ontbreekt. Het hof wijst de verzoeken af." 11.6 Op 6 en 7 november 2001 heeft de AG gerequireerd en zijn standpunt over de vermeende manipulaties gegeven. Hij heeft zich aangesloten bij het NFI-rapport van 22 december
- Verder heeft hij de aandacht gevestigd op de enorme hoeveelheid getapte gesprekken (ongeveer 6000) en zich hardop afgevraagd hoe een dergelijke hoeveelheid geluidsmateriaal kan zijn samengesteld uit losse gedeelten van gesprekken, terwijl de inhoud van die gesprekken wél aansluit op actuele gebeurtenissen waarvan uit ander bewijsmateriaal blijkt. 11.7 De verdediging heeft op 25 februari 2002 een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis gedaan en in dat verband weer de beweerde manipulatie der tapgesprekken even aangeroerd. In de pleitnota van 25 maart 2002 is de verdediging uitgebreid ingegaan op de mogelijkheid van tapmanipulatie. Verdachte had eerder aan de rechter-commissaris aangegeven dat de tapgesprekken die hij heeft mogen afluisteren onverklaarbare kenmerken hadden. Naar aanleiding hiervan is drs. Broeders ingeschakeld. De pleitnota wees op de volgende indicaties voor manipulatie: - de omstandigheid dat bij verschillende opnamen van inkomende gesprekken er al stemmen te horen zijn vóórdat verdachte zijn telefoon opneemt; - het ontbreken van registratie van inbellende nummers en de daarover door I.A.M. Dieker, hoofd van de tapkamer te Apeldoorn, ten overstaan van de rechter-commissaris op 19 januari 1999 afgelegde verklaring; - het gemak waarmee een digitaal tapsysteem kan worden 'gehackt' en de daarover door [betrokkene 15] op 16 april 1999 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring. 11.8 Deze indicaties vormden voor de verdediging de aanleiding tot nader onderzoek, dat is uitgevoerd door het bureau Langendoen Advies. In het rapport van dit bureau van 20 maart 2002 komt naar voren dat de Nederlandse tapkamers sinds november 1997 zijn uitgerust met digitale tapapparatuur afkomstig van het Israëlische bedrijf ComVerse. Een van de betrokkenen bij de installatie van deze soft- en hardware, M. Kuylman, heeft aan de advocaat bericht dat de Nederlandse overheid door gebrek aan kennis en informatie niet in staat was de werking hiervan te controleren. Hij spreekt in dit verband van een 'black box'. Daarnaast zou door het ontbreken van goede protocollen 10 tot 20 procent van de opnamen afwijken van de werkelijk gevoerde gesprekken. Verder is aangevoerd dat uit een Amerikaans televisieprogramma zou blijken dat de Israëlische overheid en criminele organisaties wel toegang hebben tot de in ComVerse systemen aanwezige informatie. Hieruit blijkt, aldus het verweer, van de ruime mogelijkheden tot manipulatie van de taps. Dit gevoegd bij de wil van de Turkse overheid om de verdachte achter de tralies te krijgen maakt het waarschijnlijk dat met de opnamen is geknoeid. Een en ander zou volgens de verdediging aanleiding moeten zijn tot bewijsuitsluiting. 11.9 Ter terechtzitting van 27 maart 2002 wees de advocaat op een nieuwe aanwijzing dat er met de taps zou zijn gemanipuleerd en dat deze manipulaties noopten tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Uit het gesprek A-4-34 blijkt volgens de advocaat dat verdachte ten tijde van het voeren van dit gesprek in Istanbul was. Dat is niet mogelijk, aldus het verweer, omdat verdachte sinds zijn vertrek uit Turkije in 1992 niet meer in dat land is geweest. Volgens verdachte zelf dateert dit gesprek tussen hem en zijn advocaat Necmettin uit
- Dit gesprek zou door de Turkse politie zijn afgeluisterd en in het huidige onderzoek zijn ingevoegd in een ander gesprek om verdachte zwart te maken. Op grond hiervan zou het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moeten worden verklaard (p-v van de zitting van 27 maart 2002, p. 3). Even verder wordt weer gepleit voor bewijsuitsluiting op dezelfde grond en voor een grondig onderzoek naar de werking van de digitale tapapparatuur. 11.10 Op 11 april 2002 heeft de AG gerepliceerd. De nieuwe aanwijzing van de verdediging werd door de AG verworpen onder meer op grond van nader onderzoek door drs. Broeders. De AG betwistte de stelling van de verdediging dat het eenvoudig zou zijn tapgesprekken te manipuleren. Ten aanzien van de stelling dat al stemmen te horen zijn voordat wordt opgenomen, merkt hij op dat dit verklaarbaar is onder verwijzing naar de aanvullende verklaring van Dieker bij de rechter-commissaris en een verklaring van Rijnders van KPN Security. Verder bestrijdt hij dat de inhoud van het gesprek A-4-34 wijst op manipulatie, vraagt hij zich af wat de Turkse autoriteiten zouden winnen door manipulatie van dit gesprek en legt hij een derde aanvullend rapport van Broeders over waarin ook deze tot de conclusie komt dat het gesprek niet is gemanipuleerd. (Repliek AG, p. 26-29) 11.11 In reactie op de black box-theorie van de verdediging heeft de AG onderzoek laten verrichten door mr T.H.W. Stein, officier van justitie bij het landelijk parket, belast met de portefeuilles informatie, communicatietechnologie, telecommunicatie en interceptie. In zijn ambtsbericht van 10 april 2002 bestrijdt mr. Stein uitdrukkelijk en gemotiveerd dat het eenvoudig is om op de door de verdediging gesuggereerde manier gesprekken te manipuleren. Heel in het kort komt zijn betoog erop neer dat toevoegen van tekstgedeelten alleen mogelijk is als de manipulator het gesprek al heeft aangepast voordat het bij de tapkamer binnenkomt. Daarvoor heeft hij onder andere de sleutel nodig die tevoren tussen de tapkamer en de provider is afgesproken. Verder zou de manipulator moeten beschikken over het gehele telecommunicatieverkeer van de afgetapte persoon om in staat te zijn om 'real time' delen van gesprekken toe te voegen. Die toegevoegde gespreksdelen moeten dan ook nog eens passen in het patroon. Het toevoegen van tekstgedeelten kan niet achteraf. Wissen van tekstgedeelten kan wel, maar alleen door de systeembeheerder. Van buitenaf is dat niet mogelijk. (Repliek AG, p. 33) 11.12 De verdediging reageerde daarop met de mededeling een topdeskundige bereid te hebben gevonden een verslag op te maken en in afwachting van dat verslag een verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis te doen. Het hof wees dat verzoek af en deelde mee niet vooruit te willen lopen op de nog te houden zittingen. Op 7 mei 2002 kwam de verdediging uitgebreid terug op het thema der manipulatie aan de hand van de bevindingen van J.W.M. van de Ven (pleitnotities 7 mei 2002, p. 32 e.v.). Aan de hand van die bevindingen en die van R. Eygendaal concludeerde de verdediging dat het ambtsbericht van mr. Stein 'pertinente onjuistheden' bevatte wat betreft de werking van tapkamers die door ComVerse waren uitgerust. Volgens beide geraadpleegde zegslieden zouden beveiligingen in de Nederlandse tapkamers zijn uitgeschakeld waardoor in alle stadia van het tapproces zou kunnen worden geïnterfereerd en gemanipuleerd. De JTS-protocollen waarnaar mr. Stein verwees zouden evenmin bescherming bieden. Volgens Van de Ven zou gemanipuleerd kunnen worden door gebruik te maken van een servicenummer dat in het systeem aanwezig is en via hetwelk alle informatie in het systeem kan worden aangesproken. De ComVerse-apparatuur zou alleen maar onderhouden en geconfigureerd kunnen worden door mensen van ComVerse zelf. Voorts heeft de verdediging betoogd dat het technisch geen enkel probleem is om eerder opgenomen gesprekken te hergroeperen en opnieuw in te delen, en om zelfs fake-gesprekken te construeren. 11.13 De verdediging kwam tot de slotsom dat drs. Broeders en mr. Stein op het punt van de manipulatiemogelijkheid bij tapgesprekken niet deskundig zijn. De advocaat benadrukte dat er in deze zaak voor de Turkse autoriteiten alles aan gelegen zal zijn geweest om verdachte de mond te snoeren. Vervolgens gaf de advocaat nog enige voorbeelden van volgens haar gemanipuleerde tapgesprekken. Zij herhaalde haar standpunt dat gesprek A-4-34 vóór 1 december 1997 moet zijn gevoerd, omdat verdachte sinds 1992 geen voet meer op Turkse bodem heeft gezet (zie 11.10). Ook andere gesprekken zijn gemanipuleerd, hetgeen kan blijken uit innerlijke tegenstrijdigheden en incongruenties tussen de inhoud der gesprekken en gebeurtenissen in de buitenwereld. De pleitnotities vermelden vervolgens nog enige fouten in de taps waarop verdachte al in eerste aanleg heeft gewezen. Van de Ven heeft aan de advocaat laten weten dat de tijdregistraties in de Nederlandse tapkamers onbetrouwbaar zijn. 11.14 De advocaat gaf vervolgens weer wat verder onderzoek door Van de Ven heeft opgeleverd. De verdediging heeft aan Van de Ven vier banden met taps ter beschikking gesteld voor nader onderzoek. Van de Ven gaf aan dat het kopieën betrof en dat die moeilijk te onderzoeken zijn omdat de continuïteit van het oorspronkelijke signaal is aangetast, vermoedelijk omdat de verbalisant bepaalde gegevens van het gesprek inspreekt. Wel meende hij drie voorbeelden van onregelmatigheden op het spoor te zijn gekomen. In de eerste plaats een verschil in carrierfrequentie tussen twee gesprekken (23 en 25) die met dezelfde telefoon zijn gevoerd, in de tweede plaats een verschil in achtergrondgeluiden in één gesprek
(140), in de derde plaats niet technisch verklaarbare schakelklikken in vrijwel alle gesprekken. Een en ander gaf de verdediging aanleiding te stellen dat een tegenonderzoek onafwendbaar was indien het hof al niet alle tapgesprekken voor het bewijs terzijde zou schuiven. De AG keerde zich met een beroep op mr. Stein en drs. Broeders tegen de aantijgingen van de verdediging. 11.15 Ter terechtzitting van 6 juni 2002 ging de verdediging weer in de aanval tegen de rapporten van drs. Broeders in het kader van een verzoek tot opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij maakte daartoe melding van een verslag van Van de Ven van 5 juni 2002 en van diens bereidheid nader onderzoek te verrichten. Het aan het proces-verbaal van het onderzoek gehechte rapport van Van de Ven vermeldde dat Van de Ven de gesprekken 23, 25, 36, 38 en 140 had onderzocht en tot de volgende bevindingen was gekomen: "- dat er zeker met het gesprek 36 een manipulatie geconstateerd kan worden; - dat het gesprek 38, mits goed gefilterd, toch een andere uitkomst geeft dan het gesprek zoals dat door NFI is onderzocht; - dat het gesprek 140 kennelijk een samengesteld gesprek is, dat ook in ieder geval de schijn van manipulatie met zich brengt; - over gesprek 23 en 25 kan ik verder geen uitspraken doen, omdat het heel goed kan zijn dat we daar met een 'bandslip' of wat dan ook te maken hebben, waardoor de frequentie iets hoger is. Het is niet identificeerbaar dat dit twee heel verschillende systemen zijn." Van de Ven was op afroep beschikbaar om zijn verslag toe te lichten. De AG hield vast aan de waarde van de rapporten van drs. Broeders. Verdachte op zijn beurt stond erop dat Van de Ven zou worden gehoord. Het hof overwoog dat het kennis had genomen van het rapport van Van de Ven van 5 juni 2002, maar dat het in het kader van een beslissing over de voorlopige hechtenis geen behoefte had aan het horen van Van de Ven. 11.16 Het op initiatief van de verdediging verrichte onderzoek heeft de AG ertoe gebracht het NFI te verzoeken zich uit te laten over de bevindingen van Van de Ven. Dit verzoek heeft geresulteerd in een aanvullend rapport van drs. Broeders van 18 juni 2002. Daarin stelt hij de deskundigheid van Van de Ven en de door hem gehanteerde onderzoeksmethode ter discussie,