Nr. 02404/02 J Mr Fokkens Zitting: 8 juli 2003 Conclusie inzake: [verdachte]
(2)dat de raadsman die ter terechtzitting niet uitdrukkelijk verklaart dat hij door de aldaar niet verschenen verdachte bepaaldelijk is gemachtigd tot het voeren van de verdediging, geen van de hem bij de wet toegekende rechten en bevoegdheden kan uitoefenen, behoudens het voeren van het woord ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken om aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld; bij gebreke van een zodanige machtiging geldt de behandeling van de zaak als een procedure bij verstek. Niet uitgesloten is dat op grond van voormelde verdragsvoorschriften in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77). 3.
- De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren met inachtneming van de beperkingen zoals hiervoor onder 3.2 sub 2 overwogen. Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijk systeem." 4.4 Het Hof merkt allereerst op dat de Hoge Raad in genoemd arrest geen onderscheid maakt tussen meer- en minderjarigen. Het hof neemt derhalve aan dat de door de Hoge Raad ontwikkelde jurisprudentie inzake het machtigingsvereiste ook toepassing dient te vinden ingeval de verdachte minderjarig is en dit enkele feit geen uitzonderlijk geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.
- laatste zinsnede oplevert. 4.5 Ook het op 20 november 1989 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de rechten van het kind (Trb. 1990, 46 en Trb. 1990, 170), dat op 8 maart 1995 voor Nederland in werking is getreden, biedt geen steun voor een andersluidende opvatting. Ingevolge artikel 40, tweede lid, sub b iii van het Verdrag heeft "every child alleged as or accused of having infringed the penal law at least the following guarantees: ... (iii) To have the matter determined without delay by a competent, independent and impartial authority or judicial body in a fair hearing according to law, in the presence of legal or other appropriate assistance (..). Deze verdragsbepaling biedt in het licht van het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, EVRM, in dit opzicht geen bijzondere bescherming aan minderjarigen. 4.6 Artikel 3, eerste lid, van het Verdrag, dat luidt: "In all actions concerning children, whether undertaken by public or private social welfare institutions, courts of law, administrative authorities or legislative bodies, the best interests of the child shall be a primary consideration" is te algemeen geformuleerd om uit dat verdragsartikel alleen de bevoegdheid van de raadsman van een minderjarige verdachte om de verdediging te voeren af te leiden, indien die raadsman daartoe door die minderjarige zelf niet uitdrukkelijk is gemachtigd. 4.7 De verdachte heeft inmiddels de leeftijd van 16 jaren bereikt. Artikel 503, eerste lid, Sv vindt derhalve geen toepassing. In de onderhavige zaak is de aanzegging hoger beroep aan de verdachte op 18 december 2000 in persoon uitgereikt. Op dat moment was de verdachte dus ervan op de hoogte dat de zaak in hoger beroep opnieuw zou worden behandeld en dat hij voor die behandeling zou worden opgeroepen. Uit het feit dat de verdachte er niet voor heeft zorg gedragen dat hij voor zijn raadsman - die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan - bereikbaar was, moet worden afgeleid dat hij vrijwillig ervan heeft afgezien om zijn raadsman uitdrukkelijk te machtigen namens hem de verdediging te voeren. 4.8 In een last tot toevoeging ligt niet de bevoegdheid van de raadsman besloten om de afwezige verdachte te verdedigen, ingeval de verdachte hem niet uitdrukkelijk heeft gemachtigd die verdediging te voeren. 4.9 Het verzoek van de raadsman van de verdachte om namens de verdachte de verdediging te mogen voeren -waartoe ook wordt gerekend de ondervraging van getuigen- wordt derhalve afgewezen."
- Het middel keert zich tegen dit oordeel door te stellen dat art. 279 Sv niet van toepassing is in strafzaken tegen personen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. Toepasselijkheid van die bepaling zou, aldus de steller van het middel, in strijd komen met doel, tekst en strekking van de regeling met betrekking tot de berechting van minderjarige verdachten, in het bijzonder met de in art. 495a Sv neergelegde plicht voor een dergelijke verdachte om ter terechtzitting in persoon te verschijnen, alsmede met het bepaalde in art. 488 Sv.
- De stelling dat art. 279 Sv niet van toepassing is op het strafgeding tegen de minderjarige verdachte, vindt geen steun in de tekst van de wet. Art. 499, eerste lid Sv bepaalt immers dat op het geding voor de kinderrechter de bepalingen van de Vijfde en Zesde Titel van het Tweede Boek, waar art. 279 Sv onder valt, van toepassing zijn, voor zover in deze Titel niet anders wordt bepaald. Ten aanzien van art. 279 bevat het strafprocesrecht voor jeugdigen vervolgens geen afwijkende bepaling.
- Volgens de steller van het middel vloeit de niet-toepasselijkheid voort uit de omstandigheid dat art. 495a de jeugdige verdachte verplicht te verschijnen, terwijl aan de regeling van art. 279 ten grondslag ligt dat verdachte van zijn aanwezigheidsrecht af kan zien en in dat geval, onder de in art. 279 genoemde voorwaarden, zijn raadsman de verdediging kan laten voeren.
- Die opvatting is niet juist. Het feit dat verdachte, hoewel verplicht te verschijnen, niet verschijnt is geen reden om hem daarom het recht op verdediging door een raadsman te ontzeggen. Dat zou tekort doen aan het belang van het recht op verdediging (vgl. het EHRM in de zaak Lala (NJ 1994, 733) de overwegingen 29 tot en met 33). En art. 279 is ook van toepassing als de verdachte geen gevolg geeft aan een bevel tot verschijning in persoon of zich onttrekt aan een bevel medebrenging.
- Ook het argument dat van een minderjarige verdachte niet verondersteld kan worden dat hij een bewuste keus maakt en dat daarom art. 279 buiten toepassing moet blijven, is niet steekhoudend. De wet gaat er immers van uit dat een minderjarige wel degelijk beslissingen met processuele consequenties kan nemen - bijvoorbeeld ten aanzien van het al dan niet aanwenden van een rechtsmiddel - en er is geen enkele reden om daarover ten aanzien van de regeling van art. 279 Sv anders te oordelen.
- Tenslotte vermeld ik in dit verband nog het ook door het Hof aangehaalde arrest HR NJ 2002, 338, m.nt. Sch, in welk arrest de Hoge Raad uitvoerige beschouwingen geeft over het stelsel van art. 279 Sv. Ook die zaak had betrekking op een strafrechtelijk minderjarige verdachte. In dat arrest besteedt de Hoge Raad geen aandacht aan de omstandigheid dat het om een ambtshalve toegevoegde raadsman ging, terwijl mijn ambtgenoot mr. Jörg in zijn conclusie uitdrukkelijk de vraag aan de orde stelt of de ambtshalve toegevoegde raadsman ten aanzien van de regeling van art. 279 Sv in dezelfde positie verkeert als de gekozen raadsman. De conclusie uit dat arrest kan dan ook niet anders zijn dan dat de Hoge Raad geen onderscheid maakt tussen strafrechtelijk meerderjarige en minderjarige verdachten als het gaat om de toepasselijkheid van art. 279 Sv.
- Het eerste middel is tevergeefs voorgesteld.
- Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof in de na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ingekomen fax met betrekking tot de wens van verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, geen aanleiding heeft gezien het onderzoek ter terechtzitting te heropenen.
- Het Hof heeft in het verkorte arrest het volgende overwogen: "
- Verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep 5.1 Op 20 juni 2002, na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juni 2002, kwam ter griffie van het hof een faxbericht, gericht aan de voorzitter, binnen met de volgende inhoud: "In voorgemelde zaak is het onderzoek ter terechtzitting inmiddels gesloten. Het verzoek tot schorsing van de behandeling om verdachte op een nadere terechtzitting te laten verschijnen is afgewezen omdat er geen zicht op was dat verdachte op korte termijn zou verschijnen. Inmiddels heeft verdachte contact met mij opgenomen en bij mij gegevens achtergelaten waar hij te bereiken is. Hij heeft zich ook bereid verklaard en zelfs de wens te kennen gegeven in zijn aanwezigheid te willen worden berecht. Nu ik ervoor kan zorgen dat verdachte op korte termijn op een nadere terechtzitting kan verschijnen en ook aannemelijk is dat hij zal verschijnen, verzoek ik u hierbij om heropening van het onderzoek. Een oproeping van de verdachte om te verschijnen op een nadere terechtzitting kan aan mij worden verzonden. Ik zal er dan voor zorgen dat verdachte hierbij aanwezig zal zijn." 5.2 Omtrent dit verzoek overweegt het hof als volgt. Artikel 495a van het Wetboek van Strafvordering houdt het volgende in:
- De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn medebrenging kan gelasten.
- Indien de van misdrijf verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het gerecht (...) het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.
- Tegen de verdachte die in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend. Het onderzoek wordt daarna voortgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 501 van het Wetboek van Strafvordering is artikel 495a van dit wetboek in geval van hoger beroep bij het gerechtshof van overeenkomstige toepassing. 5.3 Het hof heeft de behandeling van de zaak in hoger beroep op 26 maart 2002 aangehouden tot 11 juni 2002 om twee verschillende redenen, zoals ook blijkt uit het van die terechtzitting opgemaakte proces-verbaal. De verdachte is niet terechtzitting verschenen. De raadsman van de verdachte heeft, nu hem niet was gebleken dat zijn cliënt afstand wilde doen van zijn aanwezigheidsrecht, aanhouding verzocht. Het hof heeft dit verzoek, mede gelet op voormelde wetsartikelen, gehonoreerd. Zowel uit het vonnis betreffende de verdachte van 2 oktober 2000 als uit het vonnis betreffende de medeverdachte [medeverdachte] van 15 november 2000 bleek dat onduidelijkheid bestond over de vraag wie nu volgens de aangever de kleinste van de twee was. Op beide terechtzittingen heeft de kinderrechter vastgesteld dat de medeverdachte [medeverdachte] de kleinste van de twee is. In het belang van het onderzoek heeft het hof het onderzoek ter terechtzitting tevens geschorst "ten einde de zaken tegen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] gelijktijdig te kunnen behandelen en beide personen in elkaars zaak als getuige te kunnen horen". Het hof heeft voorts in het belang van het onderzoek de advocaat-generaal verzocht het vonnis van 15 november 2001 (lees: 2000) betreffende de medeverdachte [medeverdachte] en de verklaringen van die medeverdachte afgelegd bij de rechter-commissaris aan het dossier toe te voegen. Op de nadere terechtzitting is de verdachte niet, de medeverdachte [medeverdachte] als getuige wel verschenen. Het hof heeft beide zaken gelijktijdig behandeld. 5.4 Het hof heeft hiervoor onder 4 uiteengezet uit welke feiten en omstandigheden het hof heeft afgeleid dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Genoemd faxbericht bevat een duidelijke aanwijzing dat de verdachte thans alsnog gebruik wil maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het recht van de verdachte op berechting in zijn tegenwoordigheid moet evenwel worden afgewogen tegen het algemeen belang, in het bijzonder het belang van een behoorlijke rechtspleging. Zie HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317 (r.o. 3.33). Het belang van een behoorlijke rechtspleging in de onderhavige zaak bracht mee dat deze gelijktijdig met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] werd berecht en afgedaan, hetgeen ook is geschied. Dit belang - een gelijktijdige berechting van beide zaken - dient naar 's hofs oordeel thans zwaarder te wegen dan het belang van de verdachte bij een hervatting van het onderzoek ten einde hem alsnog in staat te stellen gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het geheel aan de verdachte zelf te wijten is geweest dat ten tijde van de nadere terechtzitting van 11 juni 2002 sprake was van omstandigheden waaruit het hof heeft moeten afleiden dat de verdachte geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid en dat hij vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. In zoverre onderscheidt deze zaak zich duidelijk van de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 13 november 2001, NJ 2002,
- Het verzoek tot hervatting van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep wordt derhalve afgewezen."
- Het middel acht 's Hofs oordeel ontoereikend gemotiveerd, nu niet zonder meer begrijpelijk is waarom het belang van gelijktijdige berechting met de medeverdachte moet prevaleren boven het belang van de berechting van verdachte op tegenspraak.
- In aanmerking genomen dat het faxbericht niet inhoudt om welke redenen verdachte op de eerdere terechtzittingen niet is verschenen en tegen de achtergrond van de omstandigheid dat bij de berechting de redelijke termijn reeds was overschreden (zie middel III), heeft het Hof op toereikende gronden geoordeeld dat het onderzoek ter terechtzitting niet alsnog heropend diende te worden om verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen ter terechtzitting te verschijnen.
- Het tweede middel faalt.
- Het derde middel klaagt dat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling van de zaak in appèl meer dan 16 maanden zijn verstreken en dat het Hof desondanks niet ambtshalve met die omstandigheid rekening heeft gehouden bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.
- Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Hof heeft in de overwegingen met betrekking tot de op te leggen straf uitdrukkelijk overwogen dat rekening wordt gehouden met het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de datum waarop het Hof arrest heeft gewezen en dat om die reden op het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de jeugddetentie één week in mindering is gebracht.
- Het derde middel faalt dus eveneens.
- Het tweede en derde middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ik heb ook overigens geen gronden voor cassatie aangetroffen. Daarom concludeer ik dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv.