Nr.00928/03 W Mr. Jörg Zitting 8 juli 2003 Conclusie inzake: [verzoeker=veroordeelde]
(1)geeft daarop de volgende toelichting: "This prohibition refers not only to the length of the sentence, which must not exceed that imposed in the sentencing state, but also to the kind of sanction to be enforced: it must not be harsher than that imposed in the sentencing state. If, for instance, under the law of the administering state the offence carries a more severe form of deprivation of liberty than that which the judgment imposed (e.g. penal servitude or forced labour instead of imprisonment), the administering state is precluded from enforcing this harsher kind of sanction."
- Het verbod op verzwaring van de strafrechtelijke positie van een gevonniste persoon heeft dus betrekking op zowel de duur als de aard van de sanctie. Volgens Paridaens brengt dit mee dat de rechter "rekening zal dienen te houden met de datum waarop de betrokkene - indien hij de hem opgelegde sanctie in het buitenland zou hebben ondergaan - zeker of met grote mate van waarschijnlijkheid in vrijheid zou zijn gesteld" (Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, 1994, p. 113). Dit betekent - wanneer een verweer wordt gevoerd dat door omzetting de strafrechtelijke positie van de gevonniste persoon wordt verzwaard voor wat betreft de duur van de sanctie - dat tevens een omstandigheid moet worden aangegeven op grond waarvan ten minste met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden bepaald wanneer de gevonniste persoon in vrijheid zou worden gesteld naar het recht van het land waar hij is veroordeeld.
- In zijn arrest van 9 november 1999, NJ 2000, 334, heeft de Hoge Raad overwogen dat het onderzoek dat de rechter moet instellen als de veroordeelde het verweer voert dat door omzetting van de straf de strafrechtelijke positie van hem dreigt te worden verzwaard als bedoeld in art. 11, eerste lid onder d, van het VOGP niet steeds zal kunnen resulteren in een met precisie te geven antwoord. De werkelijke duur van de detentie is - alhoewel gebruikelijk ingebed in een systeem van vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling dat veelal in beginsel kenbaar is - dikwijls afhankelijk van omstandigheden en beslissingen die ten tijde van de executieovername nog onbekend zijn. Dat kan ertoe leiden dat de rechter zijn oordeel noodgedwongen moet baseren op de waarschijnlijkheid van de onderscheiden strafrechtelijke positie van de veroordeelde in de staat van veroordeling dan wel in de staat van tenuitvoerlegging (vgl. HR 16 december 1997, DD 98.119).
- Kennelijk heeft de rechtbank het verweer aldus begrepen dat dit inhoudt dat zeker of zeer waarschijnlijk is dat wanneer verzoeker in België geïnterneerd was gebleven, hij binnen twee jaar vrij zou komen, terwijl hij in Nederland in ieder geval twee jaar ter beschikking zal zijn gesteld (en dus langer dan in België). Dit is niet onbegrijpelijk, nu ter terechtzitting is aangevoerd dat in Nederland een eventuele verlenging van de TBS pas na twee jaar wordt beoordeeld, terwijl de Belgische interneringsmaatregel elke zes maanden op verzoek van de veroordeelde kan worden beoordeeld.
- Het oordeel van de rechtbank houdt in dat naar grote waarschijnlijkheid verzoeker de eerstkomende jaren in België geïnterneerd zou blijven. Dit is een uitleg van vreemd recht die door de Hoge Raad gelet op art. 79 RO slechts op de begrijpelijkheid ervan valt te toetsen. Het oordeel is niet onbegrijpelijk, gelet op de overweging van de rechtbank dat verzoekers (eerste) verzoek als bedoeld in art. 18 van de Wet van 1 juli 1964 door de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij (hierna: CBM) is afgewezen en dat de rechtbank kennis heeft genomen van de brief van het zogenoemde PSD-team aan de CBM waaruit blijkt dat een langdurige behandeling van verzoeker nodig is.
- Nu, zoals de rechtbank terecht overweegt, de maatregel van TBS slechts voor een periode van twee jaar geldt, terwijl naar grote waarschijnlijkheid verzoeker de eerstkomende jaren in België geïnterneerd zou blijven, is het oordeel van de rechtbank dat verzoekers strafrechtelijke positie door de omzetting van internering in TBS niet wordt verzwaard, niet onbegrijpelijk.
- Volgens de toelichting op het middel had het verweer ook betrekking op de periode na de eerstkomende jaren, waarop de rechtbank ten onrechte niet zou zijn ingegaan. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geen rekening gehouden met het processuele verschil tussen het Belgische recht - op grond waarvan de geïnterneerde iedere zes maanden de mogelijkheid heeft de beëindiging van de interneringsmaatregel te verzoeken - en de Nederlandse maatregel van TBS, waarbij die mogelijkheid niet bestaat, aldus het middel. Nu de rechtbank heeft verzuimd alle Nederlandse omstandigheden in aanmerking te nemen zou de uitspraak onvoldoende zijn gemotiveerd.
- Zoals reeds opgemerkt is voor een responsieplichtig verweer dat de strafrechtelijke positie van een gevonniste persoon wordt verzwaard voor wat betreft de duur van de sanctie vereist dat een omstandigheid wordt aangevoerd, op grond waarvan met zekerheid of een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden bepaald wanneer de gevonniste persoon naar het recht van het land waar hij is veroordeeld in vrijheid zou zijn gesteld. Dat het verweer bedoelde te zeggen dat verzoeker in België zeer waarschijnlijk binnen twee jaar zou vrijkomen (en dus eerder dan wanneer hij in Nederland ter beschikking zou zijn gesteld, afgezien van de mogelijkheid van gratie) wil ik - evenals de rechtbank - nog wel aannemen. Echter, de enkele omstandigheid dat naar Belgisch recht vaker de mogelijkheid bestaat het voortduren van de internering aan de orde te stellen is geen omstandigheid, op grond waarvan met zekerheid of met een grote mate van waarschijnlijkheid kan worden bepaald wanneer verzoeker na die eerstkomende jaren in België zou vrijkomen. Er is dus geen responsieplichtig verweer gevoerd zodat de rechtbank daarop niet behoefde in te gaan. Overigens had een dergelijk verweer slechts kunnen worden verworpen, nu de maatregel van TBS ingevolge art. 38d Sr slechts voor twee jaar geldt. Indien deze op vordering van het openbaar ministerie voor een of twee jaar wordt verlengd, vindt een nieuwe beslissing tot vrijheidsbeneming plaats.
- Het oordeel van de rechtbank zoals weergegeven onder 6 geeft derhalve geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is tevens niet onbegrijpelijk.
- Het middel faalt en leent zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Explanatory report on the Convention on the Transfer of Sentenced Persons, Strasbourg 1983, p. 18.