Rolnummer C02/134HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 5 september 2003 Conclusie inzake [Eiseres] tegen
(1998)haar vordering in rechte jegens [advocaat Y] tracht geldend te maken, zodat [eiseres] haar rechten terzake heeft verwerkt. Het Hof oordeelde voorts dat waar [eiseres] geen rechten geldend kan maken jegens [advocaat Y], zij dat in geen geval kan jegens [advocatenkantoor] c.s. Het Hof concludeerde dat aan [eiseres] de door haar ingestelde vorderingen dienen te worden ontzegd. Het bekrachtigde het vonnis van de Rechtbank met verbetering van gronden.
- [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [Advocatenkantoor] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna [eiseres] nog heeft gerepliceerd. De cassatiemiddelen
- Middel I bevat 10 middelonderdelen die alle opkomen tegen 's Hofs - in de rechtsoverwegingen 7 en 8 in samenhang met de rechtsoverwegingen 6 en 9 neergelegde - oordeel dat [eiseres] haar rechten heeft verwerkt. De middelonderdelen 1.1 en 1.2 bevatten geen klacht. De middelonderdelen 1.3-1.5 komen op tegen 's Hofs oordeel dat [eiseres] bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk toch niet geldend zou maken; de middelonderdelen 1.6-1.10 komen op tegen 's Hofs oordeel dat [advocaat Y] door het aanzienlijke tijdsverloop in een nadelige bewijspositie is gekomen.
- Bij de beoordeling van dit middel moet het volgende tot uitgangspunt worden genomen. Onbetwist is in rechtspraak en literatuur dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop dan wel louter stilzitten is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldeiser onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de schuldenaar zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. (Zie: Asser-Hartkamp II, 2001, nr. 320 e.v.; Tjittes, Rechtsverwerking, Mon. Nieuw BW A6b, 1992, hoofdstuk 4; Valk, Rechtsverwerking in drievoud, diss. Leiden, 1993; Verbintenissenrecht (losbladige), Valk, art. 2, aant. 21 e.v. Zie voorts: HR 5 april 1968, NJ 1968, 215, m.nt. GJS; HR 8 december 1989, NJ 1990, 474, m.nt. PAS; HR 18 januari 1991, NJ 1991, 272; HR 7 juni 1991, NJ 1991, 708; 16 april 1993, NJ 1993, 367; HR 17 december 1993, NJ 1994, 573, m.nt. Ch. Gielen; NJ 25 februari 1994, NJ 1994, 450, m.nt. PAS; 29 september 1995, NJ 1996, 89; HR 29 november 1996, NJ 1997, 153; HR 30 mei 1997, NJ 1997, 544; HR 24 april 1998, NJ 1998, 621; HR 3 september 1999, NJ 1999, 734; HR 24 september 1999, NJ 1999, 755; HR 21 juni 2002, NJ 2002, 540; HR 11 juli 2003 (R02/022), nog te publiceren.) In dat verband wordt in navolging van Veegens in zijn noot onder HR 16 november 1956, NJ 1957, 619 gesproken van "gekleurde inactiviteit". Mijn ambtgenoot Huydecoper heeft in zijn conclusie voor Uw arrest van 21 juni 2002, NJ 2002, 540, erop gewezen dat in de literatuur enige kritiek op de beoordeling van rechtsverwerking in de rechtspraak is uitgeoefend, welke kritiek hem niet geheel ongegrond lijkt. Hij heeft daarbij met name verwezen naar Konijn, "Doorwerking van het algemeen vermogensrecht in het arbeidsrecht: rechtsverwerking in het arbeidsrecht", SR 2001, p. 195 e.v. en Tjittes, "Relativering van rechtsverwerking", NTBR 1999, p. 193 e.v. en voorts naar de conclusie van onze ambtgenoot Spier voor HR 3 september 1999, NJ 1999, 734, sub nr. 3.
- Huydecoper tekent in dat verband aan dat als uitgangspunt geldt dat het in het algemeen weinig aannemelijk is dat men ten aanzien van degene die een recht op een ander pretendeert, mag vertrouwen dat deze van dat recht afziet en dat tegelijkertijd geldt dat voor het feit dat de betrokkene vooralsnog ervoor kiest om geen actie te ondernemen, allerhande andere redenen denkbaar zijn dan de reden dat de betrokkene van verdere actie heeft afgezien. Intussen zij wel bedacht, zoals ook Huydecoper opmerkt, dat de beoordeling van een beroep op rechtsverwerking sterk is verweven met aan de feitenrechter voorbehouden waarderingen van feitelijke aard zodat toetsing van het desbetreffende oordeel in cassatie maar beperkt mogelijk is. (Zie HR 8 december 1989, NJ 1990, 474, m.nt. PAS; HR 30 mei 1997, NJ 1997, 544; HR 31 oktober 1997, NJ 1998, 86; NJ 15 januari 1999, NJ 1999, 241.) In de zaak van 21 juni 2002 waarin Huydecoper concludeerde en waarin het ging om de vraag of een werknemer zijn aanspraak op loonsverhoging had verwerkt, kwam Uw Raad met zijn A-G tot de slotsom dat - voorzover de Rechtbank niet had miskend dat enkel tijdsverloop niet toereikend is voor het aannemen van gerechtvaardigd vertrouwen - zonder nadere motivering onbegrijpelijk is het oordeel van de Rechtbank dat de werknemer bij de werkgever het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat hij zijn aanspraak op loonsverhoging niet meer geldend zou maken aangezien de Rechtbank geen bijzondere omstandigheden heeft vastgesteld die een grondslag kunnen opleveren voor gerechtvaardigd vertrouwen. In HR 29 september 1995, NJ 1996, 89, waarin mijn oud-ambtgenoot Vranken concludeerde, had het Hof op grond van een samenstel van feiten en omstandigheden geoordeeld dat bij de schuldenaar (een verzekeraar) het gerechtvaardigd vertrouwen was gewekt dat de schuldeiser (zijn verzekerde) zijn aanspraken uit de verzekeringsovereenkomst niet meer zou vervolgen. Daarbij ging het met name om de volgende feiten en omstandigheden: de langdurige periode (bijna tien jaar) die was voorafgegaan aan de schriftelijk door de schuldenaar aan de schuldeiser gedane mededeling dat deze een beroep op rechtsverwerking kon verwachten ingeval hij een (nieuw) geding zou entameren; het doen van deze mededeling door de schuldenaar; het feit dat op grond van die mededeling naar 's Hofs oordeel van de schuldeiser voortvarendheid mocht worden verwacht zo deze zijn aanspraken zou willen vervolgen; de omstandigheid dat de schuldeiser nochtans een onredelijk lange tijd (bijna drie jaren) na die mededeling had stilgezeten alvorens blijk ervan te geven zijn aanspraken te willen vervolgen. Uw Raad oordeelde - in navolging van zijn A-G, die onder meer ook wees op de beperkte toetsingsmogelijkheden van 's Hofs oordeel - dat het Hof niet blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat het Hof zijn oordeel toereikend had gemotiveerd. In zijn arrest benadrukte Uw Raad voorts dat de wettelijke termijnen voor verjaring niet maatgevend zijn voor het rechtsverwerkingsoordeel. (Zie hierover ook Tjittes, Rechtsverwerking, Mon. Nieuw BW A6b, nr. 6, en dezelfde "Relativering van rechtsverwerking", NTBR 1999, p. 193 e.v., nr. 5, met verwijzing naar HR 8 december 1989, NJ 1990, 474, m.nt. PAS en naar het hier besproken arrest van 29 september 1995.) Het Hof had in de hier besproken zaak als omstandigheden waarop zijn oordeel omtrent rechtsverwerking was gegrond, zowel het door de schuldeiser bij zijn schuldenaar gewekte gerechtvaardigde vertrouwen dat hij zijn rechten niet meer geldend zou maken genoemd als de omstandigheid dat de bewijspositie van de schuldenaar was verzwaard. A-G Vranken suggereerde in zijn conclusie dat beide elementen door het Hof bedoeld konden zijn als ondersteuning van de argumentatie; Uw Raad overwoog zonder omhaal van woorden dat 's Hofs oordeel dat van rechtsverwerking sprake is, zelfstandig wordt gedragen door zijn oordeel dat het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanpraken niet verder zou vervolgen.
- De middelonderdelen 1.3-1.5 komen - zoals gezegd - op tegen 's Hofs oordeel dat [eiseres] bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk toch niet geldend zou maken. Zoals blijkt uit zijn hiervoor geciteerde rechtsoverweging 7, was daarbij voor het Hof met name cruciaal dat [eiseres] voortvarendheid had behoren te betrachten nadat [advocaat Y] aansprakelijkheid van de hand had gewezen en vooral nadat [advocaat Y] zich vanaf 23 november 1993 op het standpunt had gesteld dat de vordering van [eiseres] in ieder geval verjaard was en ook het tijdsverloop alsmede de gevolgen van het tijdsverloop voor het tot gelding kunnen brengen van de vordering tot schadevergoeding uitdrukkelijk aan de orde waren geweest in correspondentie tussen Nationale Nederlanden en [eiseres]; het Hof concludeerde dat [eiseres] - door tot zes keer toe gedurende maar liefst negen jaar telkens na aanvankelijke aansprakelijkstelling van [advocaat Y] vervolgens toch niet tot dagvaarding over te (doen) gaan terwijl niet valt in te zien waarom al die tijd geen dagvaarding heeft plaatsgevonden - heeft nagelaten te handelen waar dat wel verwacht mocht worden en dat [eiseres] daardoor bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk toch niet in rechte geldend zou maken, ondanks andersluidende brieven. Dat oordeel geeft - mede gezien het hiervoor onder 7 vooropgestelde - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting; voorzover al toetsbaar in cassatie wegens de verwevenheid met de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van feiten en omstandigheden, is 's Hofs oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. De middelonderdelen 1.3-1.5 stuiten naar mijn oordeel alle op het voorgaande af. Met betrekking tot de in deze onderdelen vervatte klachten, merk ik nog het volgende op.
- Middelonderdeel 1.3 strekt ten betoge dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn oordeel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, aangezien van enige vorm van rechtsverwerking al geen sprake kan zijn gelet op de herhaalde briefvoering en de geldig verrichte stuitingshandelingen; in dat verband voert het middelonderdeel aan dat de wet immers niet de eis of voorwaarde stelt dat een vordering op straffe van verlies wordt ingesteld voordat de vordering is verjaard. Dit middelonderdeel ziet eraan voorbij dat de wettelijke termijnen voor verjaring (en verval) niet maatgevend zijn voor het rechtsverwerkingsoordeel, zoals hiervoor onder 7 betoogd. Ook binnen een lopende verjaringstermijn kan onder omstandigheden als door het Hof genoemd, sprake zijn van rechtsverwerking door het wekken van gerechtvaardigd vertrouwen dat de vordering niet meer geldend gemaakt zal worden; daarbij is met name van belang - zoals het Hof ook tot uitgangspunt nam - of van de schuldeiser kan worden verlangd dat hij binnen de lopende verjaringstermijn zijn vordering in rechte geldend maakt, waarbij een belangrijke rol speelt de omstandigheid dat door de schuldenaar is betoogd dat sprake is van verjaring of rechtsverwerking aangezien in een dergelijk geval - ook als dat betoog niet juist is - van de schuldeiser in beginsel mag worden verwacht dat hij zijn vordering in rechte tracht geldend te maken (althans dat hij onder opgaaf van redenen kenbaar maakt waarom hij zulks nalaat) om te voorkomen dat bij de schuldenaar de indruk wordt gewekt dat de schuldeiser van het daadwerkelijk vervolgen van zijn vordering afziet in verband met het beroep op verjaring of rechtsverwerking. 's Hofs met de waardering van omstandigheden verweven oordeel is althans niet onbegrijpelijk. Middelonderdeel 1.4 mist feitelijke grondslag met zijn veronderstelling dat het Hof heeft miskend dat enkel tijdsverloop of stilzitten niet tot rechtsverwerking leidt. Het Hof heeft zijn oordeel dat sprake is van rechtsverwerking immers daarop gegrond dat bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk is gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk toch niet in rechte geldend zou maken, ondanks andersluidende brieven; van een louter stilzitten is derhalve naar 's Hofs oordeel - dat zoals gezegd ook niet onbegrijpelijk is - geen sprake geweest. Middelonderdeel 1.5 miskent dat - zoals hiervoor bij de bespreking van middelonderdeel 1.3 reeds ter sprake kwam - dat het Hof op grond van de door het middel genoemde omstandigheden tot het oordeel kon komen dat [eiseres] daardoor bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk heeft gewekt dat zij de door haar gestelde aanspraak op schadevergoeding uiteindelijk toch niet in rechte geldend zou maken, ondanks andersluidende brieven.
- De middelonderdelen 1.6-1.10 komen - zoals gezegd - op tegen 's Hofs oordeel dat [advocaat Y] door het aanzienlijke tijdsverloop in een nadelige bewijspositie is gekomen. Deze middelonderdelen behoeven geen bespreking aangezien 's Hofs oordeel dat van rechtsverwerking sprake is zelfstandig wordt gedragen door zijn in rechtsoverweging 7 neergelegde oordeel dat bij [advocaat Y] de gerechtvaardigde indruk is gewekt dat [eiseres] haar aanspraken niet verder zou vervolgen en tegen dat oordeel in cassatie tevergeefs wordt opgekomen. Terzijde merk ik op dat 's Hofs oordeel dat [advocaat Y] door het aanzienlijke tijdsverloop in een nadelige bewijspositie is gekomen - een oordeel dat 's Hofs honorering van het beroep op rechtsverwerking eveneens zelfstandig kan dragen - anders dan de middelonderdelen betogen niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is. De in de middelonderdelen 1.6, 1.8 en 1.9 vervatte klacht dat het Hof zich heeft schuldig gemaakt aan een verboden aanvulling van de feiten en/of de verweermiddelen van [advocaat Y] en van [advocatenkantoor X] miskent dat het Hof binnen de grenzen van de rechtsstrijd alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beoordeling mocht betrekken; zie HR 30 juni 2000, NJ 2000,
- Middelonderdeel 1.8 komt met zijn klacht tegen het slot van rechtsoverweging 8 naar mijn oordeel verder op tegen een overweging ten overvloede voorzover althans het Hof met deze slotoverweging niet heeft willen aangeven dat ook de bewijspositie van [advocaat Y] werd bemoeilijkt door de problemen waarvoor het Hof zich zag gesteld; het middelonderdeel miskent bovendien dat de enkele omstandigheid dat schadevergoeding nader op te maken bij staat is gevorderd het Hof niet behoefde te weerhouden van zijn gewraakte oordeel. Middelonderdeel 1.7 voldoet niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel worden gesteld nu het niet aangeeft waar de volgens het middel onweersproken gebleven stellingen van [eiseres] in feitelijke aanleg waarnaar het middel verwijst, zijn terug te vinden. Middelonderdeel 1.10 mist zelfstandige betekenis.
- Nu middel I faalt behoeft middel II met zijn betoog omtrent hetgeen Uw Raad te doen staat bij gegrondbevinding van middel I, geen bespreking. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden