C02/211HR Mr. D.W.F. Verkade Zitting 19 september 2003 Conclusie inzake [Eiser 1] en [eiseres 2] tegen St. Willibrordusparochie Vierakker
(1)2.1. Partijen hebben in 1988 een huurovereenkomst (woonruimte) gesloten met betrekking tot de pastorie aan de [adres] te [plaats], van welke pastorie een gedeelte nog door de Parochie voor haar kerkelijke activiteiten wordt gebruikt. 2.2. De huurovereenkomst bevatte onder meer de volgende bepalingen: Artikel 6 De huurders zullen zich onthouden van handelingen, welke voor omwonenden en medegebruikers van de woning enigerlei overlast of hinder veroorzaken. Artikel 8 1. Op de begane grond blijft de kamer op de zuidwesthoek plus de kamer ernaast buiten de huur. 2. De huurders geven aan het kerkbestuur of hun vertegenwoordigers ten allen tijde toegang tot het archief en de zolder. (...). 2.3. In 1993 hebben partijen een nieuw schriftelijk huurcontract opgemaakt en in 1997 een aanvulling daarop. Artikel 5 sub a van het contract uit 1993 luidt, voor zover hier van belang, als volgt: De huurders hebben zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het kerkbestuur niet het recht: a. enigerlei veranderingen in of aan de woning aan te brengen. (....). Artikel 4 van de aanvulling van 1997 luidt: De huurders zullen te allen tijde een ieder die, uit hoofde van de kerk, de door de kerk in gebruik zijnde ruimtes van de pastorie wil betreden via de hoofdingang daartoe ongehinderd de gelegenheid geven. 2.4. De pastorie heeft een hoofdtoegangsdeur, waarachter zich een hal bevindt. Deze hal wordt door zowel [eiser] c.s. als de Parochie gebruikt: door [eiser] c.s. om hun woning te bereiken en door de Parochie om twee parochieruimten te bereiken. 2.5. Aan de achterkant van de pastorie, naast de woning van [eiser] c.s., heeft de Parochie een archiefruimte. Deze ruimte is ofwel via een achteringang van de pastorie te bereiken ofwel via de woning van [eiser] c.s. 2.6. Op 11 mei 2001 hebben [eiser] c.s. het deurslot van de hoofdtoegangsdeur vervangen. Zij hebben van het nieuwe slot geen sleutel aan de Parochie verstrekt zodat vanaf die datum de toegang tot de pastorie voor de Parochie was geblokkeerd. 2.7. [Eiser] c.s. hebben de Parochie aanvankelijk laten weten dat de pastorie alleen dinsdagavond van 18.45 uur tot 22.00 uur geopend zal zijn. Nadien hebben zij zich bereid verklaard de pastorie te willen openen op verzoek van de Parochie. Zij hebben de Parochie verzocht een overzicht op te maken van de tijden waarop de pastorie geopend moest worden. 2.8. De Parochie heeft zo'n overzicht niet gemaakt. 2.9. [Eiser] c.s. hebben ook de toegang tot de archiefruimte van de Parochie vergrendeld. 2.10. Bij vonnis van 23 april 2002 heeft de sector kanton van de rechtbank Zutphen de huurovereenkomst tussen partijen op vordering van de Parochie ontbonden en reconventionele vorderingen van [eiser] c.s. afgewezen. 3. Procesverloop 3.1. Bij exploit van 19 juni 2002 heeft de Parochie [eiser] c.s. gedagvaard in kort geding voor de president van de rechtbank Zutphen. De Parochie heeft onder meer gevorderd dat [eiser] c.s. worden veroordeeld tot het terugplaatsen van het slot van de Parochie op de hoofdtoegangsdeur met afgifte aan de Parochie van alle bij dit slot behorende sleutels, en het ongedaan maken van de afsluiting van de archiefruimte. 3.2. [Eiser] c.s. hebben verweer gevoerd en drie reconventionele vorderingen ingediend. Blijkens 's hofs arrest strekten de reconventionele vorderingen, samengevat, ertoe: A: dat de Parochie geen beroep mag doen op artikel 4 van de aanvullende overeenkomst, althans dat dat beding wordt geschorst, B: dat de Parochie verplicht wordt om met [eiser 1] te onderhandelen over de toelatingsmodaliteiten tot de pastorie, en C: dat [eiser] c.s. tegenover de parochieleden worden gerehabiliteerd. 3.3. De president heeft bij vonnis van 4 juli 2001 voormelde vorderingen van de Parochie toegewezen. Zakelijk weergegeven heeft hij daartoe overwogen dat het [eiser] c.s. niet vrij staat de toegang tot de centrale hal en het archief af te sluiten en aldus te verhinderen dat deze ruimten voor de Parochie vrij toegankelijk zijn. Over de reconventionele vorderingen heeft hij geen uitspraak gedaan. 3.4. [Eiser] c.s. zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen bij het hof te Arnhem. Na verweer van de Parochie, heeft het hof bij arrest van 9 juli 2002 het vonnis van de president vernietigd voor zover daarin niet over de reconventionele vorderingen is beslist, die vorderingen afgewezen, en het vonnis voor het overige bekrachtigd. 3.5. De in cassatie relevante overwegingen van het hof luiden: 4.1. De eerste grief is gericht tegen de veroordeling van [eiser 1] om het slot van de hoofdtoegangsdeur van de pastorie terug te plaatsen. Daartoe voert [eiser 1] het volgende aan. De vordering van de parochie tot terugplaatsing van het slot was onredelijk, nu [eiser 1] bij het plaatsen van het nieuwe slot had toegezegd om dat slot open te houden op door het kerkbestuur aan te geven tijden. Voorts had de parochie bij deze vordering geen belang, omdat [eiser 1] tijdens de zitting in kort geding de sleutels, althans één sleutel, van het nieuwe slot ter beschikking heeft gesteld en de parochie heeft geweigerd deze aan te pakken. 4.2. Het hof verwerpt de grief. In dit kort geding dient het hof, nu de bodemrechter inmiddels een eindvonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, zijn beslissing in beginsel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter zonder daarbij de kans van slagen van een tegen dat vonnis ingesteld rechtsmiddel te betrekken en ongeacht of dit oordeel is gegeven in de overwegingen of in het dictum. Onder omstandigheden kan plaats zijn voor een uitzondering op dit beginsel, bijvoorbeeld indien het vonnis van de bodemrechter klaarblijkelijk op een misslag berust (HR 19 mei 2000, NJ 2001/407). Nu niets is aangevoerd waaruit voortvloeit dat voormeld vonnis van de kantonrechter van 23 april 2002 klaarblijkelijk op een misslag berust, dient het hof dus uit te gaan van hetgeen de kantonrechter onder 3.16 heeft geoordeeld, te weten dat de afsluiting van de hoofdtoegangsdeur tot de pastorie ten gevolge van het door [eiser 1] vervangen van het slot een evidente vorm van wanprestatie is. Dit oordeel is gebaseerd op de overweging onder 3.15 dat het [eiser 1] niet vrij stond, gelet op het bepaalde in artikel 8 van het huurcontract en artikel 4 van de allonge, om door afsluiting te verhinderen dat de parochie vrijelijk toegang had tot de ruimten die buiten de huur vielen en die bij haar in gebruik waren en dat daaraan niet afdoet dat [eiser 1] zich nadien bereid heeft verklaard om aangekondigd bezoek van de kant van de parochie telkenmale toegang te verlenen, aangezien zulks iets anders is dan vrije toegang verlenen en het huurcontract [eiser 1] niet het recht gaf eigenmachtig te bepalen of, wanneer en aan wie toegang werd verleend zo lang het ging om vertegenwoordigers van de parochie. De kantonrechter heeft voorts overwogen dat het feit dat [eiser 1] klachten had omtrent het gebruik dat de parochie maakte van de bij haar in gebruik zijnde ruimten niet tot een ander oordeel kan leiden, aangezien [eiser 1] in dat verband andere wegen had kunnen en moeten bewandelen. Het hof verwerpt het verweer van [eiser 1] dat de parochie bij de onderhavige vordering geen belang meer zou hebben door het aanbieden van de sleutel(
- s)van het nieuwe slot. Nu het afsluiten van de toegangsdeur van de pastorie moet worden aangemerkt als een evidente vorm van wanprestatie, heeft de parochie recht op herstel van de oude situatie. 4.3. De tweede grief, inhoudende dat de president ten onrechte geen uitspraak heeft gedaan over de reconventionele vorderingen van [eiser 1], is terecht opgeworpen, maar kan [eiser 1] niet baten, omdat deze reconventionele vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen. 4.4. De reconventionele vordering onder A, te weten de veroordeling van de parochie om geen beroep te doen op beding 4 van de aanvullende overeenkomst, althans om het beding te schorsen totdat over de betekenis van dat beding in een bodemprocedure onherroepelijk zal zijn geoordeeld, is om de volgende redenen niet toewijsbaar. De kantonrechter heeft onder 3.3 geoordeeld dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden bij de wijze van totstandkoming van het beding. Voorshands moet dus worden aangenomen dat het beding geldig is overeengekomen, zodat niet valt in te zien waarom de redelijkheid en de billijkheid zouden meebrengen dat de parochie zich niet op dat beding zouden mogen beroepen. Voorzover het betoog van [eiser 1] zou inhouden dat de parochie misbruik van bevoegdheid zou maken, is dit door de parochie bestreden. In dit kort geding is geen plaats voor bewijslevering op dit punt. Voorts is de betekenis van het beding ("De huurders zullen te allen tijde een ieder die, uit hoofde van de kerk, de door de kerk in gebruik zijnde ruimtes van de pastorie wil betreden, via de hoofdingang daartoe ongehinderd de gelegenheid geven.") op zichzelf duidelijk, zodat bij gebreke van een vordering van [eiser 1] in de bodemprocedure over die betekenis, ook het subsidiaire onderdeel van de reconventionele vordering niet toewijsbaar is. Voorzover [eiser 1] daarmee bedoelt om het beding in te perken op de wijze zoals hij in reconventie in de bodemprocedure heeft gevorderd, komt zijn vordering al niet voor toewijzing in aanmerking omdat de kantonrechter deze reconventionele vorderingen heeft afgewezen. 4.5. De reconventionele vordering onder B houdt in dat de parochie verplicht wordt om met [eiser 1] te onderhandelen over de namen van de personen die met een sleutel toegang hebben tot de twee niet aan [eiser 1] verhuurde kamers in de pastorie en over de tijdstippen waarop die personen op die wijze toegang hebben en/of op die wijze in die ruimten mogen verblijven. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat in dit kort geding moet worden uitgegaan van de op zichzelf (taalkundig) duidelijke betekenis van artikel 4 van de aanvullende overeenkomst. Daaruit valt niet af te leiden dat [eiser 1] enige zeggenschap zou behoren te hebben over de personen die toegang hebben tot door de parochie gebruikte en niet aan [eiser 1] verhuurde ruimten. 4.6. De reconventionele vordering onder C, inhoudende dat [eiser 1] tegenover de leden van de parochie wordt gerehabiliteerd door in de eerstvolgende editie van het parochieblad te publiceren dat er met het op 14 en 21 juni 2001 op de hoofddeur van de pastorie aangebrachte biljet een onjuiste voorstelling van de werkelijke situatie is gegeven, is evenmin toewijsbaar. Deze vordering is noch in de pleitnota in eerste aanleg noch in de memorie van grieven noch bij pleidooi in hoger beroep toegelicht. Slechts bij de in eerste aanleg overgelegde producties bevindt zich een foto van een op een deur bevestigd biljet met de mededeling dat in verband met het niet kunnen bereiken van de parochieruimtes er die dag geen parochiesecretariaat is. Het hof acht die mededeling voorshands niet onrechtmatig jegens [eiser 1], zodat voor rehabilitatie, afgezien nog van het thans ontbreken van enig spoedeisend belang, geen plaats is. 3.6. [Eiser] c.s. hebben tijdig beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van drie middelen. De Parochie heeft voor antwoord geconcludeerd en de zaak schriftelijk toegelicht. [Eiser] c.s. hebben van schriftelijke toelichting afgezien. 4. Bespreking van het cassatiemiddel 4.1. Middel I is tegen de hiervoor weergegeven rovv. 4.1 en 4.2 gericht, en wel in samenhang met (de daarop voortbouwende, A-G) rovv. 4.7 tot en met 4.9 en de beslissing onder 5. 4.2. Onderdeel 1.1 bevat geen klacht. 4.3. Onderdeel 1.2 bevat ook geen klacht. Het onderdeel bevat een resumé van de relevante bepalingen in de tussen partijen gesloten huurovereenkomsten en de aanvulling daarop. 4.4. Onderdeel 1.3 neemt die bepalingen als uitgangspunt. Het klaagt dat het hof heeft miskend dat naast elkaar sprake is van (privé-)woonruimte gehuurd door [eiser] c.s., en het medegebruik van de hoofdingang en de hal ten behoeve van de frater (als degene die uit hoofde van de kerk de bij de kerk in gebruik zijnde ruimtes van de pastorie wil betreden), opdat de frater zichzelf en anderen toegang kan verschaffen. Het onderdeel klaagt voorts dat het hof heeft miskend dat bij de ingang van de huur [eiser 1] alle sleutels ter beschikking zijn gesteld van de gehuurde woonruimte, dus met inbegrip van de hoofdtoegangsdeur en de hal, die tot deze woonruimte behoren. Ik behandel dit onderdeel samen met onderdeel 1.4. 4.5. Onderdeel 1.4 bouwt op de onderdelen 1.2 en 1.3 voort. Het voert aan dat, gezien het voorgaande, [eiser] c.s. geen inperking van hun huurrechten behoeven te dulden, en dus ook niet de stoornis waarvan hier sprake is. Het onderdeel vervolgt met de stelling dat, kort gezegd, [eiser] c.s. zich terecht tegen een algemene vordering tot toegang konden verzetten, nu hen woonruimte in huur was gegeven, nu de Parochie de bestemming woonruimte diende te eerbiedigen, nu zij de toegangsdeur en de centrale hal daarachter slechts in medegebruik had, en nu zij geen vrij of onvoorwaardelijk recht op toegang met [eiser] c.s. had overeengekomen. 4.6. De klacht(
- en)gaan uit van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij zouden inhouden dat de omstandigheid dat [eiser] c.s. woonruimte huurden in de pastorie, met een gemeenschappelijke toegangsdeur mede tot de parochiale ruimten, hen (reeds) daarom het recht zou geven degenen die 'uit hoofde van de kerk' de door de kerk in gebruik zijnde ruimtes van de pastorie willen betreden, de toegang via de voordeur en de hal naar de parochiale ruimten te ontzeggen. De klachten missen feitelijke grondslag voor zover zij ervan zouden uitgaan dat de Parochie een 'algemene vordering' tot het geheel van de pastorie, dus ook de aan [eiser] c.s. verhuurde woongedeelten zou hebben ingesteld. Inzet van de procedure in conventie was slechts de ongehinderde beperkte toegang op de voet van de overeenkomst respectievelijk de aanvullende overeenkomst. 4.7. Onderdeel 1.5 heeft betrekking op het archief. Zakelijk weergegeven is de klacht dat het hof heeft miskend dat, na aanbellen, via de hoofdingang en de woonkamer tot de desbetreffende ruimte toegang werd verleend. 4.8. De klacht berust op een verkeerde lezing en mist dus feitelijke grondslag: de toegang tot het archief komt in het arrest niet aan de orde.