ECLI:NL:PHR:2003:AL8435
Rolnummer C02/161HR mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 10 oktober 2003 Conclusie inzake [de vrouw] tegen [de man] Inleiding 1. Dit geding betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van het door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen, verder ook: de vrouw en de man, die waren gehuwd op huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van elke gemeenschap (behoudens een gemeenschap van inboedel) en een Amsterdams verrekenbeding waaraan staande huwelijk geen uitvoering is gegeven. In cassatie gaat het met name om de vraag of de vrouw jegens de man aanspraak kan maken op levering aan haar van de aan de man toebehorende voormalige echtelijke woning (tegen de helft van de waarde daarvan) nu de man - vóór de echtscheiding - schriftelijk heeft verklaard dat in geval van echtscheiding het aanwezige vermogen zal worden verdeeld alsof hij in gemeenschap van goederen was gehuwd en voorts in aansluiting op die verklaring aan de vrouw heeft bericht dat hij ervan uitgaat dat zij de echtelijke woning toegescheiden wil krijgen en dat hij denkt dat zulks wel mogelijk is.
Het Hof heeft bedoelde vraag - anders dan de Rechtbank - ontkennend beantwoord na door de man ingesteld principaal appel waarin uitsluitend de kwestie van de echtelijke woning aan de orde kwam. Daartegen komt de vrouw in cassatie op. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat het voorwaardelijk incidenteel appel - waarin de vrouw heeft betoogd dat uitsluitend ingeval het Hof zou oordelen dat de woning niet aan haar wordt toebedeeld, een geheel nieuwe afrekening (aan de hand van een nieuwe peildatum) tussen partijen dient plaats te vinden - afgezien van het feit dat voldoende onderbouwde grieven ontbreken, grondslag mist. Ook dat oordeel wordt door de vrouw in cassatie bestreden.
Er bestaat tussen de echtgenoten alleen een gemeenschap van inboedel. Iedere andere gemeenschap van goederen is uitgesloten." "artikel 6.
Ik zal op korte termijn overleg plegen met mijn accountant en je daarna voorstellen doen toekomen voor een boedelscheiding en een alimentatie-regeling.
Uitgangspunt voor mij zal zijn, zoals ik al heb toegezegd, dat het gehele aanwezige vermogen bij helfte tussen ons wordt verdeeld alsof wij in gemeenschap van goederen getrouwd waren. (...) Behoudens tegenbericht ga ik er in ieder geval van uit dat jij in het huis in [plaats] wilt blijven wonen en dat je dit ook toegescheiden wilt krijgen. Ik denk wel dat dat mogelijk is. Wel zullen wij het huis binnenkort moeten laten taxeren door een makelaar, zodat wij weten wat de waarde daarvan is. (...)"
De man heeft verweer gevoerd en in reconventie gevorderd de gemeenschappelijk inboedel van partijen te verdelen en de vrouw te veroordelen haar vermogen te (laten) beschrijven met inbegrip van de door haar opgebouwde pensioenrechten. De man heeft voorts een kort geding procedure aanhangig gemaakt waarin hij vorderde de vrouw te veroordelen om de voormalige echtelijke woning binnen twee dagen na de betekening van het vonnis, althans binnen een termijn die de President redelijk zou voorkomen, te verlaten. De President heeft de gevraagde voorziening geweigerd; zowel het hoger beroep als het cassatieberoep van de man in dat geding zijn verworpen, het cassatieberoep met toepassing van art. 101a RO (HR 3 oktober 1997, rolnr. 16.416).
Van een verboden schenking als bedoeld in artikel 7A:1715 BW is - aldus de Rechtbank - geen sprake, aangezien deze afspraak niet leidt tot bevoordeling van de vrouw door de man uit vrijgevigheid nu partijen de jaarlijkse verrekening als bedoeld in artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden achterwege hebben gelaten en de toezegging van de man daarom moet worden opgevat als een eenvoudige manier om aan het einde van het huwelijk die nalatigheid alsnog op te heffen. De Rechtbank heeft - onder aanhouding van iedere verdere beslissing - partijen opgedragen inlichtingen te verschaffen op de in het vonnis omschreven punten betreffende de diverse vermogensbestanddelen en de waarde daarvan.
De Rechtbank overwoog evenwel dat zij partijen zal houden aan de datum van 1 januari 1992 als peildatum voor de vaststelling van de waarde van de toen aanwezige vermogensbestanddelen voorzover niet ten aanzien van specifieke vermogensbestanddelen overeenstemming is bereikt over een andere peildatum; dit, omdat partijen - naar uit de correspondentie tussen partijen blijkt - in het licht van de toezegging van de man om het vermogen te verdelen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd, kennelijk hebben beoogd als peildatum voor die verdeling aan te houden een datum gerelateerd aan het feitelijke uiteengaan in plaats van de datum van echtscheiding, hetgeen ook een redelijk uitgangspunt is in het licht van de bijzondere omstandigheden van het geval.
Dit brengt mee dat in de verhouding tussen partijen vermogensbestanddelen van partijen feitelijk op vordering van een partij aan die partij kunnen worden toegedeeld met dien verstande dat de verdeling van de waarde van de wederzijdse vermogensbestanddelen gelijkelijk onder partijen wordt gedaan. De Rechtbank dient dus aan de hand van het bepaalde in artikel 3:185 BW en met inachtneming van hetgeen partijen over en weer aanvoeren inzake de toedeling van de voormalige echtelijke woning te beslissen aan wie de woning moet worden toebedeeld. De Rechtbank acht het in dit geval billijk dat de voormalige echtelijke woning te [plaats] wordt toegedeeld aan de vrouw, waarbij zij wordt verplicht de helft van de waarde van de woning op 1 januari 1992 aan de man te vergoeden; daarbij neemt de Rechtbank in aanmerking dat de man kennelijk in lijn met de toenmalige bedoeling van partijen enkele maanden na 12 december 1991 een andere woning heeft gekocht en dat hij daarin is gaan wonen, terwijl de vrouw met (de) kinderen van partijen in de voormalige echtelijke woning is blijven wonen, niet is gebleken dat de man thans niet meer in de door hem gekochte woning woont en gesteld noch gebleken is dat de man de voormalige echtelijke woning voor zichzelf nodig zou hebben.
De Rechtbank heeft ten slotte - nadat zij voorts met betrekking tot de overige vermogensbestanddelen de waarde had bepaald voorzover dat niet eerder was geschied - de man veroordeeld tot levering van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw en tot betaling aan de vrouw van een bedrag van f 49.882,02; de Rechtbank heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft zich onder verwijzing naar de verklaring van de man d.d. 11 augustus 1991 beroepen op de door partijen gemaakte afspraak om in geval van echtscheiding te zullen verdelen als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd en op de brief van de man d.d. 12 december 1991 omtrent de toescheiding van de echtelijke woning aan haar; zij heeft voorts een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid, in welk verband zij verwezen naar hetgeen de Rechtbank hieromtrent overwoog. Zij heeft voorts voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld, waarin zij - uitsluitend ingeval het Hof tot het oordeel zou komen dat toescheiding en levering van de voormalige echtelijke woning aan haar niet mogelijk zou zijn - heeft betoogd dat een geheel nieuwe afrekening (aan de hand van een nieuwe peildatum) tussen partijen dient plaats te vinden.
4.3 De verklaring van [de man] d.d. 11 augustus 1991 kan tegen de achtergrond van hetgeen hierboven is overwogen slechts verbintenisrechtelijke gevolgen hebben. Voorzover [de vrouw] bedoeld heeft te stellen dat [de man] met deze verklaring een toezegging tot eigendomsoverdracht van de woning heeft gedaan, heeft zij onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor het aannemen van een overeenkomst, die een verbintenis tot eigendomsoverdracht oplevert.
Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat het incidentele appel niet kan slagen; het overwoog daartoe als volgt: "4.6 In voorwaardelijk incidenteel appèl verzoekt [de vrouw], kort gezegd, het hof partijen te veroordelen over te gaan tot verdeling van hun opgebouwde vermogen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd, met vaststelling van de verschillende onderdelen van het te verdelen vermogen en van een peildatum voor de waardering daarvan. Afgezien van het feit dat het incidenteel appèl niet kan slagen bij gebreke van voldoende onderbouwde grieven, mist de vordering, gelet op hetgeen door het hof hierboven onder 4.2 en 4.3 in het principaal appèl is overwogen, grondslag. Het incidenteel appèl heeft geen succes."
Ten slotte heeft het Hof beslist dat de zaak naar de rol wordt verwezen voor uitlating partijen omdat het Hof niet in staat is op grond van de gewisselde stukken uit te rekenen hetgeen de vrouw van de man per saldo te vorderen heeft nu het huis niet aan haar wordt toebedeeld.
Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 10. Het cassatieberoep richt zich tegen een tussenarrest dat dateert van 15 november 2001, zodat de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld dient te worden naar het recht dat gold vóór de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg (Wet van 6 december 2001, Stb. 580). Gezien art. 401a en art. 399 (oud) Rv. is het cassatieberoep ontvankelijk nu het zich richt tegen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven beslissingen en tussentijds cassatieberoep door het Hof niet is uitgesloten.
In zijn conclusie van antwoord betoogt de man dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat door het instellen van cassatieberoep het wijzen van het eindarrest noodgedwongen is of wordt opgeschort en daarmee ook de verplichting tot ontruiming waaromtrent het Hof overwoog dat de vrouw de voormalige echtelijke woning zal moeten ontruimen ingeval zij zonder rechtsgeldige titel in deze woning verblijft. Dit betoog faalt. De vrouw heeft een rechtens te respecteren belang bij het instellen van cassatieberoep tegen de eindbeslissingen van het Hof; het feit dat door een tussentijds cassatieberoep het wijzen van een eindarrest wordt opgeschort impliceert niet dat sprake is van misbruik van procesrecht.
Het cassatiemiddel 11. Middelonderdeel 1 komt met zijn onderdelen 1.1-1.4 op tegen de rechtsoverwegingen 4.2 en 4.3 van 's Hofs arrest waarin het Hof - kort gezegd - oordeelde dat de verklaring van de man dat het aanwezige vermogen in geval van echtscheiding zal worden verdeeld alsof hij in gemeenschap van goederen was gehuwd, slechts verbintenisrechtelijke gevolgen kan hebben en geen grond biedt voor toedeling van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw op de voet van art. 3:185 BW, en voorts dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd voor het aannemen van een overeenkomst die een verbintenis tot eigendomsoverdracht oplevert.
Aan verrekenbedingen komt geen goederenrechtelijke werking toe; verrekenbedingen hebben slechts obligatoire werking; zij resulteren in de regel in een geldvordering. Zie Asser-De Boer, 2002, nr. 488. Het staat partijen wél vrij in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun ontbonden huwelijk waarvoor een verrekenbeding gold, nadere afspraken te maken over de verrekening die staande huwelijk niet heeft plaatsgevonden en aldus overeen te komen op welke wijze zij invulling geven aan de verrekenvorderingen die uit het in de huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding zijn ontstaan. Zo kunnen partijen die een Amsterdams verrekenbeding in hun huwelijkse voorwaarden hebben opgenomen, overeenkomen dat verrekend moet worden als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd.
Een zodanige afspraak biedt met name ingeval geen van beide partijen over een noemenswaardig aanvangsvermogen beschikte, een eenvoudige oplossing voor het verzuim tijdens het huwelijk te verrekenen. In dat verband kunnen partijen voorts overeenkomen een of meer bepaalde goederen in betaling te geven of - anders gezegd - in eigendom over te dragen in het kader van de afrekening in geld waartoe de verrekenvorderingen verplichten; zie Asser-De Boer, l.c. Zo kunnen partijen bijvoorbeeld overeenkomen dat de aan de man toebehorende voormalige echtelijke woning aan de vrouw wordt geleverd teneinde haar in staat te stellen daar met de kinderen van partijen te blijven wonen. Ter voldoening aan hun verplichting tot afrekening kunnen partijen ook overeenkomen een "verdeling" van de aan ieder van hen afzonderlijk toekomende goederen tot stand te brengen als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd door inbetalinggeving dan wel eigendomsoverdracht van goederen over en weer; een dergelijke afspraak zal slechts tot een rechtstreekse aanspraak op levering van een bepaald goed kunnen leiden ingeval partijen overeenstemming bereiken over de eigendomsoverdracht van dat goed.
Van een verdeling in eigenlijke zin is daarbij geen sprake aangezien, zoals gezegd, door de overeenkomst van partijen geen goederenrechtelijke gemeenschap kan zijn ontstaan.
Welke betekenis aan de afspraken van partijen moet worden toegekend, is een kwestie van uitleg waarbij geldt dat het gaat om de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen en verklaringen mochten toekennen en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 (Haviltex), m.nt. CJHB). Uit het enkele feit dat partijen de term "verdelen" gebruiken in plaats van de term "verrekenen" kan niet worden afgeleid dat partijen elkaar aanspraken hebben willen verschaffen op goederen. In zijn arrest van 26 oktober 2001, NJ 2002, 93, m.nt. WMK, spreekt de Hoge Raad overigens van "verdelen" en niet van "verrekenen" van vermogensbestanddelen in een geval waarin partijen in hun huwelijkse voorwaarden een Amsterdams verrekenbeding en uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen waren overeengekomen: Stille (Advocatenblad 2002, p. 83) heeft betoogd dat ervan moet worden uitgegaan dat de Hoge Raad hier het oog heeft gehad op het verrekenen van de waarde van de daarvoor in aanmerking komende vermogensbestanddelen nu niet goed voorstelbaar is dat de Hoge Raad een goederenrechtelijke gemeenschap op het oog gehad zou hebben. Zie ook Kleijn in zijn noot onder genoemd arrest en Wortmann, WPNR 2002, (6477), p. 171.
De nieuwe wettelijke regeling inzake verrekenbedingen (Wet van 14 maart 2002 (Stb. 152) tot wijziging van titel 8 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (regels verrekenbedingen)), in werking getreden op 1 september 2002 en derhalve in het onderhavige geding niet van toepassing, gaat ook ervan uit dat een verrekenbeding zelf in de regel slechts recht geeft op verrekening in geld: art. 1:137 BW lid 1 stelt voorop dat een verrekening - onverminderd het bepaalde in het derde lid - geschiedt in geld. Het derde lid bepaalt evenwel dat een echtgenoot slechts gehouden is een inbetalinggeving van goederen te aanvaarden, dan wel deze slechts kan verlangen in plaats van een verrekening in geld, voorzover de verrekening in geld naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. In de memorie van toelichting bij deze bepaling, Tweede Kamer, vergaderjaar 2000-2001, 27 554, p. 15, wordt in dat verband aangetekend dat het onder omstandigheden onaanvaardbaar kan zijn dat de echtelijke woning die toebehoort aan de man die tijdens het huwelijk het gehele gezinsinkomen heeft verdiend, wordt verkocht om aan de verrekenvordering te voldoen terwijl de vrouw in de woning wil blijven wonen met de kinderen, de vrouw de hypotheeklasten ook kan betalen, en de man geen goede redenen heeft om de voorkeur te geven aan verkoop van de echtelijke woning boven overdracht aan de andere echtgenoot.
Middelonderdeel 1.5, dat opkomt tegen rechtsoverweging 4.4 van 's Hofs arrest, bevat geen zelfstandige klacht.
Dat partijen kennelijk uiteindelijk geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de "verdeling" - waarbij tevens overeenstemming diende te worden bereikt over de waardering en in verband daarmee over de peildatum - zodat in zoverre niet een overeenkomst is totstandgekomen waaruit een rechtstreekse verplichting tot levering voortvloeide, doet niet eraan af dat voor de man uit de verklaring van 11 augustus 1991 in verbinding met die van 12 december 1991 de gehoudenheid tot inbetalinggeving/levering van de woning kán zijn ontstaan, mede in het licht van de eisen van de redelijkheid en billijkheid die de verhouding van (ex-)echtgenoten beheersen en die kunnen meebrengen dat de man de vrijheid miste af te zien van inbetalinggeving/levering aan de vrouw, zodat de man in zoverre ook tot inbetalinggeving/levering kan worden veroordeeld.
Daarbij verdient aantekening dat ingeval partijen daadwerkelijk in gemeenschap van goederen zouden zijn gehuwd, een toezegging van de man inzake toescheiding van de woning aan de vrouw zonder twijfel - mede gezien het feit dat is gesteld noch gebleken dat de man de woning voor zichzelf nodig heeft - zou leiden tot een toedeling door de rechter op de voet van art. 3:185 BW. Zo bezien heeft het Hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Voorzover het Hof heeft geoordeeld dat uit de toezegging van de man als vervat in zijn brief van 12 december 1991, waarmee de man een nadere invulling gaf aan zijn verklaring van 11 augustus 1991, niet kán voortvloeien dat de vordering van de vrouw toewijsbaar is, althans kan zijn, als verbintenisrechtelijk gevolg van die toezegging, ook al kan niet worden aangenomen dat tussen partijen een overeenkomst is totstandgekomen die de man rechtstreeks verplichtte tot levering, geeft 's Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Voorzover het Hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval enkel op basis van de brief van 11 augustus 1991 kon worden beslist op de vordering van de vrouw en dat de brief van de man van 12 december 1991, waarop de vrouw zich expliciet heeft beroepen, in dat verband niet relevant was, is 's Hofs oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De daarop gerichte klachten van het middel slagen derhalve. 's Hofs arrest kan niet in stand blijven; na verwijzing zal opnieuw moeten worden beoordeeld of voor de man een verplichting tot levering bestond, in welk verband tevens aan de orde kan komen de door de man (subsidiair) aan de orde gestelde kwestie van de peildatum.
Ook de man heeft begrepen waartegen hij zich diende te verweren: uit zijn memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel blijkt dat het de man duidelijk was dat het de vrouw te doen was om de peildatum en om de waardering van de aandelen van de praktijkvennootschap van de man. (Vgl. in dit verband Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 137 en 138; zie ook Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nr. 26 en 40.) De vrouw heeft haar bezwaren ook geadstrueerd. Zij heeft in dat verband betoogd dat de keuze van de peildatum naar haar oordeel samenhangt met de wijze waarop tussen partijen wordt verdeeld dan wel verrekend en voorts dat naar haar oordeel de waarde van de aandelen in de praktijkvennootschap van de man aanzienlijk hoger lag dan door Rechtbank aangenomen aangezien de man tijdens het huwelijk de eigendom van zijn kantoorpand in de vennootschap had ingebracht. 's Hofs oordeel dat de vrouw geen voldoende onderbouwde grieven naar voren heeft gebracht, is dan ook zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Onderdeel 2.1 wordt derhalve terecht voorgesteld: de klacht dat het Hof te hoge eisen heeft gesteld aan de inrichting van een conclusie van eis in hoger beroep voorzover het met de term "voldoende onderbouwde grieven" verdergaande formele eisen heeft bedoeld te stellen, slaagt, evenals de klacht dat 's Hof oordeel onbegrijpelijk is voorzover het Hof heeft geoordeeld dat onvoldoende duidelijk bleek op welke gronden de vrouw vernietiging vroeg van hetgeen de Rechtbank heeft beslist.
Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden