Nr. 01610/03 Mr Jörg Zitting 2 december 2003 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(2)Er moet een 'overt act' kunnen worden aangewezen waarin de criminele intentie zich openbaart (zie Smith, o.c. p. 180 voor de traditionele Engelse opvatting, die hier universele gelding lijkt te - of in ieder geval zou moeten - hebben; de 'overt act' remt ook de klakkeloosheid van het aannemen van strafbaarheid op grond van de simpele combinatie van een intentie met een alledaagse handeling, zoals ik het bezwaar van Kelk begrijp, Studieboek materieel strafrecht, 2e, p. 333). Gaan criminele intenties van verschillende personen samen dan kan dat, vanwege het verhoogde gevaar op uitvoering daarvan, aanleiding zijn voor de strafbaarstelling van samenspanning (art. 80 Sr), conspiracy (deels strafbaar gesteld bij de Engelse Criminal Law Act van 1977) of Versuch der Beteiligung (§ 30 StGB). Ook in deze gevallen is er overigens sprake van openbaring van een criminele intentie (en van de kenbaarheid daarvan) in de buitenwereld, zij het op onstoffelijke wijze.
- Cruciaal is of de gedachte achter de strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen als basis heeft een abstracte gevaarzetting (Engeland) of een concrete gevaarzetting (Duitsland, Zwitserland, zie Smith, o.c., p. 209). Ten onzent moet op grond van de tekst van art. 46 (een middel ter voorbereiding van dat misdrijf) worden aangenomen dat het om een concreet misdrijf gaat, en niet om misdrijven in het algemeen. Over de vraag hoe concreet een misdrijf moet zijn voorgenomen biedt de wet geen uitsluitsel. In HR 17 september 2002, NJ 2002, 626 ging het om lieden die met gestolen auto's een bank 'aflegden' en geldauto's volgden, en tijdens zo'n observatierit in de kraag werden gegrepen; in de auto werd een bivakmuts aangetroffen. Niet kon worden vastgesteld wanneer, waar en hoe de verdachte de overval zou uitvoeren. Mijn ambtgenoot Machielse concludeerde dat hier sprake was van voorbereidingshandelingen voor een overval op een geldwagen, waarvan de ervaring leert dat die met geweld gepaard gaat (waarom zouden geldlopers anders geld afgeven?).
- Anders dan Smith in zijn proefschrift vermeldt (p. 211) heeft Uw Raad die zaak niet met de aan art. 81 RO ontleende overweging afgedaan, maar de volgende overweging gegeven: "3.5() Het gaat dus om een situatie waarin het beoogde misdrijf of een begin van uitvoering daarvan niet is gevolgd, zodat in de regel een concrete omschrijving van de wijze waarop het voorbereide misdrijf gepleegd zou gaan worden niet mogelijk is. Voor een veroordeling is noodzakelijk dat vaststaat op welk soort misdrijf met een strafmaximum van acht jaren [gevangenisstraf] of meer de voorbereidingshandelingen waren gericht. Dat dient dan ook in de tenlastelegging te worden opgenomen. Maar dat betekent niet dat alle bestanddelen van dat misdrijf in de tenlastelegging moeten worden opgesomd."
- Het cassatiemiddel richtte zich in die zaak tegen het ontbreken van de bestanddelen van de artikelen 312 en 317 in de tenlastelegging, maar wat óók ontbrak in die tenlastelegging was een precieze omschrijving van het voorgenomen misdrijf. Uit de vermelde gedragingen kan weliswaar worden opgemaakt dat het ging om filialen van de ING-bank en de ABN/AMRO-bank in Delft en Vlaardingen, om een geldtransportbedrijf gevestigd op een bepaald industrieterrein, en om geldauto('s) in Rotterdam, Delft en Vlaardingen, maar een exacte aanduiding van een voorbereide overval is dat niet. De variatie is tamelijk groot: van een overval op een bank, op een geldtransportbedrijf tot een overval op een geldauto.
- Met Smith kan dus worden vastgesteld dat een nader bepaald misdrijf vereist is om volgens art. 46 Sr tot strafbaarheid te kunnen besluiten (o.c., p. 210). Maar anders dan Strijards lijkt Uw Raad niet geporteerd voor een naar tijd en plaats nauw omschreven misdrijf (o.c., p. 118). Immers, noch de plaats noch de tijd van het misdrijf stonden in de besproken casus vast, en evenmin het beoogde slachtoffer. Toch kan er weinig twijfel over de gerichtheid van de geconstateerde gedragingen bestaan. Ik neem aan dat sprake was van een - in de woorden van De Hullu, o.c. p. 415 - voldoende geconcretiseerd plan, en dat hier niet veel verschil bestaat met de benadering van Remmelink die - toen deze bepaling ongeveer twee jaar oud was - schreef dat er wetenschap moet zijn van de aard van de te verrichten gedraging (HSR, 15e, p. 415).
- Die gerichtheid kan naar mijn mening in de voorliggende zaak ook uit de brief en de omstandigheden waaronder deze is aangetroffen worden afgelezen, in combinatie met hetgeen ten laste van verzoeker eveneens bewezen is verklaard: medeplichtigheid aan een kort voor het aantreffen van die brief gepleegde overval op een geldloper.
(3)Het gevaar waar Smith terecht voor waarschuwt: dat strafbaarheid kan worden gebaseerd op het enkele voorhanden hebben van voorwerpen welke volgens ervaringsregels plegen te worden gebruikt bij de in art. 46 bedoelde misdrijven, doet zich naar mijn oordeel in de onderhavige zaak niet voor. De laatste klacht, betreffende het ontbreken van een specificatie van het voorbereide misdrijf, slaagt dus evenmin.
- Het middel faalt.
- In het vierde middel wordt er over geklaagd dat de bewezenverklaring van zaak B, feit
- subsidiair niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.
- Het hof heeft - voor zover hier van belang - ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat: "[medeverdachte] op 30 september 1999 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, [het slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een koffer inhoudende een geldbedrag van fl. 175.000,- () welke bedreiging met geweld hierin bestond dat [medeverdachte] of zijn mededader een revolver aan die [slachtoffer] heeft getoond en nabij het bovenlichaam van die [slachtoffer] heeft gehouden en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Rustig, rustig blijven en geef die koffier maar aan mij" en "Geef hier die koffer" () tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 1 september 1999 tot en met 30 september 1999 te Amsterdam opzettelijk middelen heeft verschaft door - een revolver en patronen aan [medeverdachte] te verstrekken."
- In de toelichting op het middel wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat verzoeker opzettelijk een middel heeft verschaft, nu daaruit niet zou kunnen worden afgeleid dat hij ervan op de hoogte was dat [medeverdachte] met het wapen een bankoverval zou plegen.
- Een medeplichtige moet dubbel opzet hebben: zijn opzet moet gericht zijn op het feit van hulpverlening én op het misdrijf dat hij ondersteunt. Vgl. Van Woensel in T&C Sr, 4e, aant. 4b op art.
- Voldoende is overigens dat het opzet van de medeplichtige voorwaardelijk gericht was op het misdrijf dat hij ondersteunde. Vgl. bijv. HR 13 november 2001, NJ 2002,
- Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof in dit verband het volgende vastgesteld: [medeverdachte] en verzoeker hebben in de week voorafgaand aan de overval op de VSB-bank contact gehad. Verzoeker vroeg [medeverdachte] om hem te helpen. Zij zijn samen met de auto van [medeverdachte] naar de plek toegegaan waar later de overval heeft plaatsgevonden. Verzoeker heeft [medeverdachte] aanwijzingen gegeven over hoe hij moest rijden. Verzoeker vertelde [medeverdachte] dat zij "hier naar toe moesten die donderdag". Woensdagavond voor de overval hebben verzoeker en [medeverdachte] nog telefonisch gesproken en hebben zij afspraken gemaakt voor de volgende dag. In de ochtend van 30 september 1999, de dag van de overval, hebben verzoeker en [medeverdachte] afgesproken in een broodjeszaak in Amsterdam. Verzoeker had het vuurwapen en een aantal patronen bij zich en heeft deze, opgerold in een jack, aan [medeverdachte] gegeven. Zij spraken af elkaar enkele uren later op dezelfde plek weer te ontmoeten. In de middag van 30 september 1999 heeft [medeverdachte] de revolver aan verzoeker teruggegeven (bewijsmiddel 1).
- Dat het hof in het onderhavige geval heeft geoordeeld dat verzoeker opzet had op het behulpzaam zijn bij de afpersing van de VSB-bank op 30 september 1999, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op bovenstaande vaststellingen bepaald niet onbegrijpelijk. Verzoeker heeft nota bene zelf de laatste aanwijzingen over de route naar de VSB-bank aan [medeverdachte] gegeven! Dat had hem ook nog wel ten laste kunnen worden gelegd.
- De bewezenverklaring is derhalve voldoende met redenen omkleed. Het middel faalt.
- Het eerste en vierde middel lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het tweede middel gegrond zal verklaren en daaraan het gevolg zal verbinden dat hem goeddunkt en het beroep voor het overige zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Overigens is in casu art. 46 (oud) Sr van toepassing, dat afgezien van de eis dat het voorbereide misdrijf in vereniging gepleegd zal worden, gelijkluidend is aan het huidige art. 46 Sr. 2 Ik laat hier buiten beschouwing dat wie wegens de uitvoering van zulke wensen of gedachten de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd heeft gekregen, voor zulke voortdurende gedachten een verlenging van de termijn van die maatregel riskeert: de bescherming van de maatschappij tegen de gevaarlijkheid van de tbs-gestelde is dan kennelijk nog niet ver genoeg door de behandeling voortgeschreden. 3 Het gaat mij uiteraard om de voorafgaande gedragingen en niet om de bewezenverklaring daarvan.