Nr. 01669/03 Mr Jörg Zitting 2 december 2003 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(3)staat bijvoorbeeld de eerdergenoemde zaak HR NJ 2001, 327, waarin de verdachte terzake van twee doodslagen en een poging tot doodslag in het verkeer werd veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en zes jaar ontzegging van de rijbevoegdheid. In aanmerking genomen verzoekers veelvuldige recidive en de omstandigheid dat hij, in plaats van zijn verantwoordelijkheid te nemen, is doorgereden na het ongeval en alle sporen heeft willen uitwissen door zijn auto in de Maas te dumpen, is tegen die achtergrond de thans opgelegde straf niet uitzonderlijk hoog.
- Voor zover het middel erover beoogt te klagen dat het hof de "maatschappelijke boosheid" teveel heeft laten meewegen bij de bepaling van de straf, faalt het eveneens, nu de waardering van de factoren die voor de strafoplegging van belang zijn, is voorbehouden aan de feitenrechter, terwijl het oordeel daaromtrent geen nadere motivering behoeft. Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e, p.
- Uit de omstandigheid dat het hof een straf heeft opgelegd, ver beneden de maximumstraf gesteld op de strafbare feiten in samenloop begaan (16 jaar en 3 maanden gevangenisstraf), kan men naar mijn indruk overigens niet afleiden dat het hof zich te veel door maatschappelijke boosheid heeft laten leiden.
- Voor zover in het middel tenslotte op het standpunt berust dat in het geval een verdachte vanwege de opgelegde straf in hoger beroep gaat, het hof niet met een bevestiging van het vonnis (en de strafmotivering) zou mogen volstaan, vindt het geen steun in het recht.
- Ook het tweede middel faalt dus.
- Het derde middel richt zich tegen de verbeurdverklaring van de Mitsubishi Pajero, waarin verzoeker ten tijde van het ongeval reed, en de bijbehorende kentekenbewijzen.
- In het middel wordt betoogd dat het hof deze verbeurdverklaring nader had behoren te motiveren gelet op een in eerste aanleg gevoerd verweer dat de auto geleasd was.
- Het middel faalt reeds nu uit het proces-verbaal van de appèlzitting, inclusief de aangehechte pleitnotities, - zijnde de kenbron van wat daar is voorgevallen - niet blijkt dat dit verweer ter terechtzitting in hoger beroep is herhaald. Onder die omstandigheden mocht het hof ervan uitgaan dat het verweer in hoger beroep niet gehandhaafd werd. Vgl. Van Dorst, o.c., p. 81 en de daar aangehaalde jurisprudentie.
- De middelen falen alle en kunnen aan de hand van art. 81 RO worden afgedaan. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Ik merk op dat het onder
- subsidiair tenlastegelegde feit door de wetgever juist met het oog op situaties als de onderhavige met de - voor culpoze delicten - hoge straf van 9 jaar gevangenisstraf is bedreigd. 2 Van de door het hof overgenomen bewijsconstructie kan men - zoals bij sommige wetenschappelijke publicaties - vermoedelijk zeggen: de rechtbank had geen tijd om een kort vonnis te schrijven. 3 Had de verdachte in die zaak ook zijn auto in de rivier laten verdwijnen en vervolgens een valse aangifte van diefstal van die auto gedaan?