ECLI:NL:PHR:2004:AO1974
Zaaknr. R03/066HR Mr. Huydecoper Parket, 9 januari 2004 Conclusie inzake [De vrouw] verzoekster tot cassatie tegen [De man] verweerder in cassatie Feiten en procesverloop
In eerste aanleg werd dit verzoek afgewezen op grond van, kort gezegd, het namens [de vrouw] gevoerde "pensioenverweer". In appel wees het hof echter - met verwerping van het "pensioenverweer" - het ontbindingsverzoek alsnog toe, evenals het verzoek dat ertoe strekte dat de ten gunste van [de vrouw] geldende alimentatie op nihil zou worden gesteld.
Bespreking van het cassatiemiddel Pensioenverweer
Pensioenreglementen en daarmee vergelijkbare regelingen (zoals individuele pensioen- of levensverzekeringen) voorzagen er destijds, althans in veel gevallen, in dat een aanspraak op nabestaandenpensioen (destijds overigens meestal alleen: een weduwenpensioen) alleen toekwam aan de nabestaande met wie de betrokkene ten tijde van zijn overlijden gehuwd was. Waar dergelijke regelingen van toepassing waren verloor de echtgenote (of, als het een "sexe-neutrale" regeling betrof, ook de echtgenoot) in geval van echtscheiding of huwelijksontbinding de aanspraak op nabestaandenpensioen.
Inmiddels is de regelgeving inzake nabestaandenpensioenen in Nederland, juist met het oog op deze als onbillijk aangemerkte situatie, gewijzigd. In 1972(5) werd art. 8a van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) aangenomen. Ingevolge die bepaling behield de echtgenote (en inmiddels ook de echtgenoot c.q. de geregistreerde partner) na scheiding, huwelijksontbinding resp. ontbinding van het partnerschap, een aanspraak op nabestaandenpensioen naar rato van de op het moment van de scheiding/ontbinding opgebouwde rechten. Daardoor werd, in de zienswijze van de wetgever, een minimumvoorziening geboden(6) om tegemoet te komen aan het in de vorige alinea beschreven, als onbillijk beoordeelde effect.
Ik meen daarom dat de klachten van onderdelen 2.1.1 en 2.1.2 van het cassatiemiddel gegrond zijn: ook ik vermag niet te begrijpen wat het hof kon doen besluiten (zie rov. 7 van de bestreden beslissing) dat er door de huwelijksontbinding geen vooruitzicht op (kort gezegd) nabestaandenpensioen teloor gaat of wordt verminderd.
Alimentatie
Het beding van niet-wijziging
Een tweede opmerking in dit verband: de partijen hebben in de processtukken niets relevants over de uitleg van het beding (van niet-wijziging, dus het thans naar voren gehaalde art. 2.2 van het convenant) aangevoerd(12). Daardoor komt de klacht dat de (appel)rechter aan bepaalde aspecten meer aandacht had moeten besteden of zijn oordeel over dit beding nader had moeten motiveren, voor een belangrijk deel in de lucht te hangen. De rechter die bevindt dat uitleg van een bepaald beding voor zijn beslissing nodig is en dat de partijen zich over de betekenis daarvan in het geheel niet hebben uitgelaten moet, huiselijk gezegd, roeien met de riemen die hij heeft; en vanzelfsprekend mag hij dat dan ook doen.
Overigens: zelfs als de door [de vrouw] verdedigde uitleg wèl als meer plausibel dan de door het hof gevonden uitleg zou moeten worden beschouwd (wat ik, zoals uit het voorafgaande zal zijn gebleken, niet aanneem) levert dat op zich zelf nog geen grond voor vernietiging in cassatie op. Een minder plausibele uitleg is daarom nog niet onbegrijpelijk - ware dat anders, dan zou van de marge van appreciatie voor de feitelijke rechter die art. 419 lid 3 Rv. hier beoogt te geven, niets overblijven. Uitleggen van een contract(sbepaling) komt immers neer op beoordeling, welke uitleg men, alle omstandigheden in aanmerking genomen, als de meest plausibele aanmerkt. Tot de uiterste consequentie doortrekken van die gedachte leidt ertoe dat een minder plausibel geoordeelde uitleg altijd als onvoldoende begrijpelijk moet worden aangemerkt, en daarmee: dat die uitleg in cassatie in volle omvang ter discussie zou kunnen worden gesteld. Aanvaarding van die consequentie is klaarblijkelijk strijdig met de o.a. in art. 419 lid 3 Rv. tot uitdrukking komende bedoeling, en trouwens ook klaarblijkelijk onwenselijk. .
De verdere beoordeling van het alimentatiegeschil
In dit geval wijst het hof in rov. 5 als relevante wijziging aan dat [de man] 60 jaar wordt en dan in plaats van salaris pensioen gaat onvangen. Dat zijn echter, zoals in onderdeel 2.2.8 wordt aangegeven, omstandigheden die in het convenant expliciet onder ogen zijn gezien en waarvoor in het convenant expliciet een regeling is getroffen. Dat zo zijnde, kunnen deze omstandigheden niet gelden als een relevante wijziging die aan een nieuwe vaststelling van de alimentatieverplichting ten grondslag mag worden gelegd - of behoeft althans, in het licht van de in voetnoot 21 aangehaalde vindplaatsen en het feit dat [de vrouw] had betwist dat hier van een relevante wijziging van de omstandigheden sprake was, (nadere) motivering, waarom deze omstandigheden wèl als zo'n wijziging zouden mogen gewaardeerd(22).
Die klacht lijkt mij niet doeltreffend. Van de kant van [de man] was gewezen op de (gestegen) waarde van [de vrouw]s appartement en op het feit dat [de vrouw] over gespaard vermogen (waarvan de omvang onvoldoende door [de vrouw] zou worden aangegeven) moest kunnen beschikken(25). [de vrouw] had [de man]s desbetreffende uitlatingen niet, of slechts zeer globaal weersproken(26). Bij die stand van zaken bieden de partijstellingen (nog juist) voldoende houvast voor de hier bestreden vaststellingen.
Daarom beoordeel ik ook de klacht (in het aanvullende cassatiemiddel) die ertoe strekt dat het hof zich heeft georiënteerd op stellingen van [de man] die zo laattijdig werden ingebracht dat van [de vrouw] geen deugdelijk verweer kon worden verwacht, als ongegrond.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De stukken van het dossier geven blijk van een aantal andere materiële en processuele geschilpunten tussen partijen, die echter in cassatie geen rol (meer) spelen, en die ik daarom buiten beschouwing laat.
2 Zie voor gegevens daarover bijvoorbeeld de - m.i. in feitelijk opzicht in appel niet bestreden - overwegingen in de beschikking van de rechtbank in eerste aanleg van 13 maart 2001, p. 1, onderste alinea en p. 2, eerste alinea (aansluitend op de pleitnota van de raadsvrouwe van [de vrouw] van 30 januari 2001, p. 1); en het verweerschrift van [de vrouw] in appel, p. 2. Gegevens over de aan deze (vast)stellingen ten grondslag liggende bepalingen van het pensioenreglement (van de werkgeefster van [de man]) vindt men in art. 18 en art. 22 van dat reglement, dat men in het cassatiedossier vindt na een brief van Mr. Roest aan de rechtbank van 14 november 2000 (A-dossier, stuk genummerd 10); zie voor een vertaling van deze bepalingen de bijlage bij de brief van Mr. Roest aan de rechtbank van 17 januari 2001 (A-dossier, stuk genummerd 15). De bepalingen van het reglement lijken de namens [de vrouw] daarvan weergegeven (en ook door de rechtbank vastgestelde) inhoud te ondersteunen.
3 In deze brief wordt vermeld dat ervan is afgezien copie aan de raadsvrouw van [de man] te sturen. Dat lijkt mij niet conform de voor advocaten geldende beroepsregels (zie bijvoorbeeld Gedragsregel 15, Schuurman en Jordens editie 39, p. 411) - maar dat kan worden daargelaten. Een aanvullende klacht zoals die hier aan de orde is moet op dezelfde manier worden behandeld als het cassatierekest waarbij de oorspronkelijke cassatieklachten aan de Hoge Raad worden voorgelegd. De regel van art. 426b lid 2 Rv. geldt daarvoor dus ook.
In dit geval is door de griffie van de Hoge Raad, na toezending van het aanvullend middel per fax aan de raadsvrouwe van [de man], geïnformeerd of alsnog de behoefte bestond om verweer te voeren. Daarop is ontkennend geantwoord. Daarmee is, denk ik, voldoende aan de strekking van art. 426b lid 2 Rv. tegemoet gekomen.
4 Zie voor de in dit verband gemaakte afweging bijvoorbeeld de Parlementaire Geschiedenis (door mij ontleend aan "Echtscheiding"(losbl.)), en dan met name de Memorie van Toelichting, Kamerst. II 1968 - 1969 10 213 nr. 3, § 4; het Voorlopig Verslag, paragraaf "Verlies van pensioenrechten en dergelijke uitkeringen", en de gelijknamige paragraaf in de Memorie van Antwoord.
De (geruime tijd) later gevolgde ontwikkeling rond verevening van pensioenrechten bij scheiding (ik verwijs bijvoorbeeld naar de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 24 oktober 1997, NJ 1999, 395 m.nt. JdB) geeft aan, dat de destijds bestaande opvattingen over de noodzakelijke billijkheidscorrectie eerder aan gewicht hebben gewonnen, dan omgekeerd.
5 Inwerkingtreding op 9 februari 1973.
6 Zie de Parlementaire Geschiedenis van art. 8a PSW, zoals o.a. kenbaar uit Schuurman en Jordens editie 117, p. 278.
7 Bij de beoordeling daarvan is in aanmerking te nemen dat [de man] volgens zijn stellingen in 1975 bij de werkgever is gaan werken waar de thans in geding zijnde pensioenregeling geldt (vanaf wanneer die pensioenregeling (ook) voor [de man] is gaan gelden heb ik uit de stukken niet kunnen opmaken).
8 Aan de hand van het convenant maakt [de vrouw] aanspraak op alimentatie volgens deze berekening.
9 Bij verweerschrift in appel, p. 2, was intussen namens [de vrouw] gewezen op het feit dat bij hertrouwen van [de man] (die het voornemen daartoe uitdrukkelijk en herhaaldelijk had kenbaar gemaakt), ingevolge het pensioenreglement een verdeling van het beschikbare pensioen tussen de verschillende nabestaanden moet plaatshebben. Dat zou weer aanleiding kunnen geven om de bij art. 22 van het pensioenreglement voorziene uitkering (gesteld dat [de vrouw] daar wel aanspraak op had kunnen maken) toch niet als een adequate "vervanging" van het tevoren bestaande vooruitzicht op ("gewoon") weduwenpensioen te beschouwen. Met dat al betreft het hier niet materie, die zich voor beoordeling in cassatie leent. Gegrondbevinding van de klacht m.b.t. het pensioenverweer zou (ook) daarom tot verwijzing moeten leiden.
10 Of niet zonder véél nadere motivering, die echter geheel ontbreekt.
11 Uit de recentere rechtspraak noem ik HR 8 oktober 2002, NJ 2003, 503 m.nt. Du Perron, rov. 3.6; HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 416, rov. 3.8; HR 20 september 2002, rechtspraak.nl LJN nr. AE3385, rov. 3.4; HR 13 september 2002, JOR 2002, 186, rov. 3.3.2; HR 14 juni 2002, NJ 2002, 481, rov. 3.4; HR 30 maart 2001, NJ 2003, 170 m.nt. MS, rov. 3.4; daarnaast bijvoorbeeld Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 49 - 51; Asser - Hartkamp 4 - II, 2001, nr. 284.
12 Van de kant van [de man] is herhaaldelijk - maar vrijwel zonder onderbouwing - betoogd dat het beding met toepassing van art. 1:159 lid 3 BW terzijde gesteld zou mogen worden. Van de kant van [de vrouw] is slechts aangevoerd (verweerschrift in eerste aanleg, alinea 9; zie ook de pleitnota van 6 oktober 2000, p. 2, derde alinea) dat het convenant helemaal geen beding van niet-wijziging als bedoeld in art. 1:159 BW zou inhouden.
13 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB, i.h.b. rov. 2.
14 O.a HR 6 maart 1998, NJ 1999, 113 m.nt. DWFV, rov. 3.5.3; HR 22 april 1994, NJ 1995, 560 m.nt. WMK, rov. 3.5; HR 11 november 1988, NJ 1990, 440, rov. 3.4.
15 Al heb ik mij afgevraagd wat het feit dat het convenant na lange bemiddeling (zie onderdeel 2.2.4) tot stand zou zijn gekomen tot de uitleg van het beding van niet-wijziging kan bijdragen - ik zou menen dat dat gegeven de ene uitleg van dat beding niet veel plausibeler maakt dan de andere.
16 Conclusie A-G Hartkamp voor HR 11 juni 1999, NJ 1999, 750 (alinea 5, vierde subalinea), waarnaar dat arrest verwijst; Tanja-Van den Broek, WPNR 6493, p. 430 - 431.
17 Ofschoon namens [de man] geen specifieke argumenten gericht op de uitleg van art. 2.2 van het convenant waren aangevoerd was van zijn kant wel benadrukt dat het convenant eenzijdige bevoordeling van [de vrouw] zou meebrengen.
18 Men zou de in de vorige voetnoot bedoelde stellingen van [de man] wel in die zin kunnen verstaan, maar van de kant van [de vrouw] is dit niet betoogd. Voor de beoordeling in cassatie is intussen al beslissend dat er in het middel niet wordt geklaagd dat het hof de alimentatievaststelling op deze voet (dus: ervan uitgaande dat in het convenant bewust was afgeweken van de wettelijke maatstaven) had moeten beoordelen.
19 HR 12 september 2003, NJ 2004, 6 m.nt. SW, rov. 3.3.4; HR 23 oktober 1987, NJ 1988, 438 m.nt. EAAL, rov. 3.2; zie ook HR 4 februari 2000, NJ 2000, 213, rov. 3.4.
20 In die zin bijvoorbeeld HR 15 november 1996, NJ 1997, 450 m.nt. JdB, rov. 3.4, zie ook alinea 12 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense; HR 17 maart 1989, NJ 1989, 855 m.nt. EAAL, rov. 3.3; Personen- en Familierecht (losbl.), Wortmann, art. 401, aant. 4A; Asser - De Boer, 2002, nr. 1043.
21 Bovendien geldt dat de rechter in gevallen waarin wordt betwist dat een relevante wijziging heeft plaatsgehad, in de motivering van de beslissing waarbij die betwisting wordt verworpen moet aangeven in welke opzichten hij relevante wijzigingen aannemelijk acht, HR 4 februari 1983, NJ 1983, 628, rov. 3.2 en HR 22 mei 1981, NJ 1981, 497 (eerste rechtsoverweging).
22 Zie opnieuw HR 12 september 2003, NJ 2004, 6 m.nt. SW, rov. 3.3.3.
23 Men kan zich daar wel voorstellingen over maken (zoals: dat het hof ervan uit is gegaan dat het appartement aanmerkelijk in waarde is gestegen, of dat het hof ook het verdere vermogen (genoemd worden: spaartegoeden en aanspraken op lijfrente) van [de vrouw] als wijziging(en) heeft aangemerkt). Volgens mij brengt de motiveringseis die uit de in voetnoot 21 aangehaalde bronnen blijkt mee, dat de rechter hierover (een voldoende mate van) duidelijkheid moet verschaffen, zodat aanvulling bijwege van veronderstelling het motiveringsgebrek niet kan "helen"; bovendien geldt (ook) hier dat het convenant er uitdrukkelijk in voorzag dat [de vrouw] een aanzienlijk bedrag wegens "overbedeling" zou ontvangen (en is door partijen in de feitelijke instanties over en weer herhaaldelijk op dit gegeven gewezen). In dat gegeven ligt besloten, dat in het convenant verdisconteerd is dat [de vrouw] in de loop van de tijd (namelijk: naarmate de vordering wegens overbedeling werd "afgelost") een aanzienlijk kapitaal zou (kunnen) vergaren. (Ook) dat brengt mee dat nadere motivering behoeft, waarom het feit dat [de vrouw] thans inderdaad over vermogen blijkt te beschikken een relevante wijziging oplevert ten opzichte van wat in het convenant onder ogen werd gezien. [Ik wil overigens niet verhelen dat ik hier een aantal bijzonderheden bespreek die in het middel niet expliciet aan de orde komen. Als die van belang worden geacht moet, wil het middel op dit punt slagen, de betrekkelijk summiere klacht die het middel op dat punt inhoudt dus met enige welwillendheid worden gelezen.] 24 Verwijzend naar HR 7 december 1990, NJ 1991, 201 (rov. 3.1.2).
25 Zie daarvoor het proces verbaal van de mondelinge behandeling op 6 oktober 2000 (mededelingen Mr. Roest); de brief van Mr. Roest van 10 november 2000, blz. 2 en 3; pleitnotities Mr. Roest van 28 januari 2001, blz. 3 en 4.
26 Zie bijvoorbeeld het verweerschrift in eerste aanleg, alinea 10; het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2000 (mededelingen van Mr. Dongelmans); verweerschrift in appel, blz. 3 en 4 (ofschoon daar wordt betwist dat er relevant vermogen zou zijn - wat in het verweerschrift in eerste aanleg overigens was erkend - wordt terloops melding gemaakt van ontvangen erfenissen en schenkingen en van het feit dat [de vrouw] op haar spaargeld zou (moeten) interen. Het hof kon dit volgens mij geredelijk als een ontoereikende betwisting van de aanwezigheid van (gespaard) vermogen aanmerken.); in dezelfde zin het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof van 19 februari 2003, blz. 2 (uitlatingen Mr. Dongelmans).
27 Zie voor een uitvoerig gedocumenteerd overzicht van de recente rechtsleer over dit onderwerp alinea's 2.5 - 2.13 van de conclusie van A-G Wesseling-Van Gent in de zaak met nr. R03/043HR, rechtspraak.nl LJN nr. AN8077.