Nr. 01372/03 Mr. Jörg Zitting 3 februari 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1)Gelet op die omstandigheden en het in het rapport van de deskundige Grotenhuis neergelegde oordeel dat bij tijdige diagnose, direct gevolgd door een operatieve behandeling, [het slachtoffer] geheel van het letsel zou zijn genezen en geen blijvende schade zou hebben ondervonden, zou - aldus de raadsman - sprake zijn van een causaliteitsbreuk die aan toerekening van de dood van het slachtoffer aan verzoeker in de weg zou staan. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat het overlijden van degene die een enkele klap krijgt toegediend een buitengewoon en in het algemeen niet voorzienbaar gevolg is.
- Het betoog van de raadsman komt hierop neer dat toerekening aan verzoeker van de dood van het slachtoffer niet redelijk is enerzijds omdat dit geen voorzienbaar gevolg van verzoekers handelen was en anderzijds omdat het slachtoffer niet zou zijn overleden indien het adequate medische hulp had gekregen. Voorts klaagt de raadsman over de toepassing van een verkeerde maatstaf voor de beoordeling van de vraag of sprake is van relevante causaliteit.
- Om met dit laatste punt te beginnen: op welk arrest van de Hoge Raad het hof het oog heeft gehad bij zijn verwerping van het verweer is bij eerste indruk niet geheel duidelijk. Enerzijds spreekt het hof over aansprakelijkheid wegens het voorafgaand wangedrag van verzoeker, waaraan tekort schietende medische hulp niet afdoet. Hiermee kan gedoeld zijn op HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, m.nt. 'tH. Die verwijzing zou dan minder gelukkig zijn, omdat dit arrest een geval van doodslag betrof, een delict waarbij het gevolg door de dader wordt beoogd. Dit is ook de klacht van dit middelonderdeel. In de onderhavige zaak gaat het echter om een door het gevolg gekwalificeerd delict, waarbij het opzet niet op het gevolg is gericht. Voor deze situatie is HR 23 december 1980, NJ 1981, 534, m.nt. GEM (Aortaperforatie) richtinggevend. Anderzijds blijkt het hof wel degelijk uit te gaan van het door het gevolg gekwalificeerde delict, waaraan het dan de normatieve zwaai geeft dat verzoeker niet aan zijn bestraffing voor dat kwalificerende gevolg behoort te ontkomen. Het hof brengt dat in verband met het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
- Terecht verwijst de steller van het middel naar literatuur waarin de vraag van de causaliteit in de sleutel van de onderscheiden soorten delictsomschrijvingen wordt gezet.
(2)Bij de door het gevolg gekwalificeerde delicten - zoals het onderhavige - is het gevolg onttrokken aan het opzet van de dader; het gevolg is 'geobjectiveerd' (Pantoffelarrest: HR 14 juni 1939, NJ 1940, 34), maar moet wel voortspruiten uit de verboden gedraging (Gijzelingsarrest: HR 22 september 1998, NJ 1999, 104, m.nt. JdH). De grond voor de toerekening van het gevolg is hier niet gelegen in het in de gedraging gelegde of uit de gedraging sprekende opzet op het gevolg, maar in de voorafgaande gevaarlijke en verboden gedraging. Door zich aldus te gedragen neemt men het risico van een slechte afloop. Voorzienbaarheid is bij deze delictssoort niet vereist. De aansprakelijkheid dient te worden beperkt tot de gevolgen die kunnen worden gezien als een verwerkelijking van de specifieke risico's die eigen zijn aan de aard van het delict, aldus De Jong en Knigge, o.c., p. 82-
- Met deze opvatting strookt het Gijzelingsarrest en ook HR 12 november 1985, NJ 1986, m.nt. ALM.
- Indien men de overweging van het hof in haar geheel beschouwt meen ik niet dat het hof is uitgegaan van een causaliteitsinvulling die thuis hoort bij (opzettelijke) gevolgsdelicten, zoals de klacht beweert. Het hof neemt immers de zware mishandeling tot uitgangspunt (- daarbij opzet in voorwaardelijke vorm aannemend -) en verbindt aan het intreden van het dodelijk gevolg het voorafgaande wangedrag van verzoeker, dat de reden was voor de noodzaak van medisch ingrijpen en de oorzaak van het overlijden van het nog jonge slachtoffer. Mijns inziens gaat het middel dus uit van een onjuiste lezing van het arrest.
- De onjuistheid van de klacht over de (on)voorzienbaarheid van het gevolg volgt reeds uit de passages bij De Jong en Knigge en uit de aangehaalde arresten en behoeft geen verdere bespreking.
- Tenslotte de klacht over de medische missers. 't Hart heeft in zijn noot onder HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821 (waarin het ging om opzettelijke levensberoving) een onderscheid gemaakt in soorten medische fouten. Die noot is de moeite van het memoreren waard. Hij onderscheidt drie groepen van gevallen. "Allereerst die groep waarin de gedraging van de verdachte een niet-letaal letsel veroorzaakt dat een daadwerkelijk medisch ingrijpen noodzakelijk maakt, waaruit de dood voortvloeit. Het slachtoffer van een verkeersongeluk bijv. moet wegens gecompliceerde beenbreuken worden geopereerd. Doordat er iets mis gaat bij de narcose, komt hij om het leven. Dit lijken mij de gevallen waarop Vellinga doelt. Hier zal het overlijden niet licht worden toegerekend als veroorzaakt door het onvoorzichtige verkeersgedrag. Ten tweede die groep van gevallen, waarin bij de medische behandeling complicaties plaatsvinden die tot de dood van de patiënt voeren. Iets dergelijks deed zich voor in het geval van het Longembolie-arrest, HR 12 sept. 1978, NJ 1979, 60, m.nt. ThWvV. Het letsel dat het slachtoffer van een ongeluk had opgelopen was op zichzelf niet dodelijk, maar het overleed aan een uit dat letsel als complicatie ontstane longembolie. In dit geval kon het overlijden toch als een gevolg van het ongeval worden opgevat. Ten derde tenslotte die gevallen waarin het letsel op zichzelf wel dodelijk is, maar eerder, anders of beter medisch ingrijpen het intreden van de dood had kunnen voorkomen. Het onjuiste medische optreden is dan wel oorzaak van het niet-voorkomen van het gevolg van de gedraging van de verdachte, maar die (deze, NJ) gedraging blijft als causaal voor de dood beschouwd worden. Dit deed zich voor in HR 23 dec. 1980, NJ 1981, 534, m.nt. GEM, toen het verweer werd verworpen dat een medische omissie - het beweerdelijk niet ontdekken van perforaties van de aorta en het niet stelpen van de dientengevolge optredende bloedingen - werd verworpen."
- In de onderhavige zaak hebben we te maken met de laatste door 't Hart aangeduide categorie van gevallen. Het door verzoeker toegebrachte letsel was in potentie dodelijk. Alleen tijdige diagnose direct gevolgd door een operatieve ingreep had nog soelaas kunnen bieden. Dat dit ongelukkigerwijs achterwege is gebleven is geenszins een omstandigheid die in de reeks van gebeurtenissen een zodanig gewicht heeft dat daardoor de vuistslag als relevante oorzaak wegvalt. Aan de toerekening naar redelijkheid - zoals de Hoge Raad deed in het door het gevolg gekwalificeerde geval van het Aortaperforatiearrest - behoeven medische verzuimen niet in de weg te staan. Dat het hof zulks in het onderhavige geval niet heeft gedaan is in ieder geval rechtens niet onjuist, niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
- Het middel faalt.
- De middelen falen en lenen zich voor toepassing van art. 81 RO. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Over deze door de raadsman gekozen bewoordingen het volgende. Dat de ouders van het slachtoffer, ongetwijfeld mede als gevolg van de geruststellende mededelingen die hen in het ziekenhuis zijn gedaan (`geef hem wat paracetamol en wat ijs', verklaring Grotenhuis, p. 2 fine), in de morgen van 31 juli de ernst van de situatie niet direct hebben ingezien en blij zullen zijn geweest dat hun zoon tenminste leek te slapen, is heel droevig. Om als raadsman nog eens zout in deze door verzoeker toegebrachte wond te wrijven is ronduit weerzinwekkend. 2 In Van Bemmelen en Van Veen, Ons Strafrecht, 14e, bewerkt door De Jong en Knigge, wordt onderscheid gemaakt tussen materiële opzetdelicten, culpoze gevolgsdelicten, door het gevolg gekwalificeerde delicten en concrete gevaarzettingsdelicten (p. 72 e.v.).