Nr. 00345/03 CW 2356 Mr Fokkens Zitting 17 februari 2004 Vordering tot cassatie in het belang der wet inzake: [verdachte]
(1)). In de in 1994 in werking getreden nieuwe Wet op de rechtsbijstand (Stb 1993, 775) werd de voorwaardelijke toevoeging uitgebreid tot het geval dat aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde (art. 31 lid 1). Indien vervolgens na beëindiging van de rechtsbijstand blijkt dat de kosten van rechtsbijstand verhaald konden worden op een derde, vervalt de toevoeging doordat na de voorwaardelijke toevoeging geen definitieve toevoeging wordt afgegeven.
- De ratio van de regeling blijkt uit de MvT (TK 1991-1992, 22 609, nr. 3, p. 21) : het voorkomen van onnodige beroepen op financiering van rechtshulp van overheidswege. Vanuit die ratio is het niet verwonderlijk dat art. 44 (oud) in lid 1 bepaalde dat art. 31 niet van toepassing was ten aanzien van rechtsbijstand in strafzaken. Voor zover de verdachte zelf de kosten zou kunnen dragen is er immers een - overigens nooit toegepaste - voorziening getroffen in art. 49 Sv dat de Minister de bevoegdheid geeft de kosten van een raadsman, ook in geval van een ambtshalve toevoeging, te verhalen op de goederen van de verdachte (vgl. de aantek. onder art. 49 in T&C Sv). Voor verhaal op derden zou alleen de Staat via 591a Sv in aanmerking kunnen komen en dat zou erop neerkomen dat de van overheidswege gefinancierde rechtshulp zou worden vervangen door een vergoeding van de werkelijke kosten van de raadsman van overheidswege. Onnodige financiering van rechtshulp van overheidswege zou daarmee in ieder geval niet worden voorkomen; integendeel financieel gezien zou de overheid van de regen in de drup raken bij een dergelijke regeling.
- Ook in de wetsgeschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden dat bedoeld is met deze wijziging art. 31 Wet op de rechtsbijstand inzake de voorwaardelijke toevoeging van toepassing te verklaren in strafzaken. Dit vloeit evenmin voort uit de omstandigheid dat de eigen bijdrage in strafzaken dankzij deze wet - in een beperkt aantal gevallen - wel kan worden opgelegd, aangezien de regeling omtrent de voorwaardelijke toevoeging hier los van staat.
- Daarnaast meen ik dat de achtergrond van de voorwaardelijke toevoeging niet goed past bij de toevoeging in strafzaken. Toevoeging in strafzaken vindt in veel gevallen plaats op last van de rechter. Die toevoeging is definitief. In art. 31 Wet op de rechtsbijstand wordt nadrukkelijk alleen over het bureau gesproken als de instantie die een voorwaardelijke toevoeging kan afgeven. Gelet hierop zou alleen aan de verdachte die recht heeft op toevoeging van een advocaat wegens onvoldoende financiële draagkracht een voorwaardelijke toevoeging kunnen worden afgegeven. Dit zou dan moeten geschieden op de grond dat "aannemelijk is dat de kosten van rechtsbijstand verhaald kunnen worden op een derde" (lid 1). Ik zie niet goed hoe deze - duidelijk op civiele leest geschoeide - bepaling zich laat vertalen naar het strafrecht. Namens de Staat stelt het Openbaar Ministerie immers vervolging in tegen een verdachte, terwijl de Staat eveneens zorgt dat een minvermogende verdachte kosteloze rechtsbijstand ontvangt. Het Openbaar Ministerie zou de derde als bedoeld in art. 31, eerste lid, Wet op de rechtsbijstand moeten zijn. Echter, in geval van een vrijspraak komen - zoals hierboven reeds is opgemerkt - de kosten zowel wanneer de verdachte gebruik heeft gemaakt van kosteloze rechtsbijstand als wanneer hij gebruik heeft gemaakt van door hem zelf bekostigde rechtsbijstand, ten laste van 's Rijks kas. Het enkele verschil betreft de hoogte in vergoeding die de raadsman ontvangt. Overigens zou toepassing van art. 31 Wet op de rechtsbijstand in strafzaken er tevens toe leiden dat indien na beëindiging van de rechtsbijstand de financiële draagkracht van de verdachte zodanig toeneemt dat deze de grenzen voor aanspraak op kosteloze rechtsbijstand overschrijdt, hij geen recht meer heeft op vergoeding van deze kosten (lid 4). Mede gelet hierop meen ik dan ook dat de wetgever het eerste lid van art. 43 Wet op de rechtsbijstand waarin de toepassing van art. 31 in strafzaken was uitgezonderd, per abuis niet heeft gehandhaafd en dat de regeling aldus moet worden uitgelegd dat de mogelijkheid van een voorwaardelijke toevoeging niet geldt in strafzaken.
- In het licht van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat aan HR 20 februari 1998, NJ 1998, 475 niet die conclusies kunnen worden verbonden zoals het Hof Amsterdam in de hiervoor onder 4 weergegeven beschikking heeft gedaan. Niet alleen meen ik dat een voorwaardelijke toevoeging in strafzaken niet mogelijk is, maar ook ben ik van mening dat het om onvergelijkbare situaties gaat. De beslissing van de Hoge Raad van 20 februari had betrekking op een situatie waarin de wet geen enkele regeling bevatte voor de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van de in het gelijk gestelde partij. Dat is hier anders. Het Wetboek van Strafvordering bevat een regeling voor de vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten en die regeling moet mijns inziens aldus worden uitgelegd dat een vergoeding van de kosten van de raadsman onder de in deze zaak spelende omstandigheden uitgesloten is.
- Bij de uitleg van de in art. 591a Sv neergelegde regeling voor vergoeding van de kosten van een raadsman staat voorop dat de verdachte vrij is om al dan niet gebruik te maken van de toevoeging. Als hij daarvan geen gebruik maakt levert het enkele feit dat de gewezen verdachte de voorkeur aan een gekozen raadsman heeft gegeven boven een toegevoegde raadsman geen grond op om de gewezen verdachte een vergoeding te verstrekken die niet uitstijgt boven het bedrag dat aan een toegevoegde raadsman zou zijn betaald (vgl. HR 2 februari 1993, NJ 1993, 551). De vraag waar het om gaat is of gezegd kan worden dat de verdachte die pas na een vrijspraak besluit geen gebruik te maken van de toevoeging kosten van een raadsman in de zin van art. 591a Sv heeft gemaakt? Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De redenen van de wetgever om rechtsbijstand aan de verdachte toe te kennen zijn er in gelegen de rechtsbijstand te waarborgen aan de verdachte die in verzekering is gesteld of in voorlopige hechtenis is genomen, dan wel niet in de financiële situatie verkeert dat hij deze bijstand zelf kan bekostigen. De rechtsbijstand wordt vervolgens op basis van deze toevoeging gegeven. Als de verdachte niet voor deze rechtsbijstand in aanmerking komt of ervoor kiest om in plaats van kosteloze rechtsbijstand zich tegen betaling van een raadsman te voorzien, omdat hij meent dat dit zijn verdediging ten goede zal komen, kunnen de kosten daarvan in beginsel aan hem worden vergoed als de zaak eindigt zonder veroordeling. De vergoeding is beperkt tot de werkelijke kosten. Mijns inziens kan niet worden gezegd dat de verdachte werkelijke kosten heeft gemaakt indien deze eerst besluit om zijn raadsman zelf te betalen nadat de strafzaak tot een einde is gekomen. De rechtsbijstand is dan al op basis van de toevoeging verleend en kosten daarvoor zijn de verdachte niet berekend. Pas de uitspraak leidt tot het besluit de kosten van de raadsman alsnog voor eigen rekening te (gaan) nemen en dat uitsluitend omdat vergoeding van die kosten zeker is of lijkt. Dergelijke kosten worden dan ook - omdat het besluit daartoe na de uitspraak wordt genomen - onnodig gemaakt en vallen om die reden niet onder de kosten van een raadsman die ingevolge art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.
- Gelet op het voorgaande stel ik als middel van cassatie voor: Schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder van art. 591a van het Wetboek van Strafvordering en/of verzuim van vormen, doordat het Hof in zijn onder 4 weergegeven beschikking een vergoeding heeft toegekend voor de kosten van een raadsman. Bij vergoeding aan een gewezen verdachte van kosten van een raadsman komen alleen die kosten in aanmerking die werkelijk door de gewezen verdachte zijn gemaakt. Indien aan een gewezen verdachte gedurende de strafzaak ofwel op last van de rechter ofwel op eigen verzoek een raadsman is toegevoegd en deze zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, kan niet worden gezegd dat hij kosten van een raadsman heeft gemaakt in de zin van art. 591a Sv. De omstandigheid dat de gewezen verdachte na afloop van de strafzaak heeft beslist dat hij de toevoeging wenst in te trekken, maakt dat niet anders.
- Op grond van het vorenstaande vorder ik dat de Hoge Raad de bestreden beschikking van het Gerechtshof te Amsterdam in het belang der wet zal vernietigen en zal verstaan dat de door Uw Raad gegeven beslissing geen nadeel zal toebrengen aan door de gewezen verdachte verkregen rechten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, plv. 1 Dat art. 15c lid 2 geen algemene bevoegdheid bevatte om de toevoeging met terugwerkende kracht in te trekken bij een verbetering van de financiële situatie van de verzoeker om rechtshulp, maar moet worden gelezen in samenhang met het eerste lid, is uiteengezet in de Nota naar aanleiding van het eindverslag bij het betreffende wetsontwerp (TK 1983-1984, 17 769, nr.9, p. 17)