Nr.00620/04 U Mr. Jörg Zitting 18 mei 2004 Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon]
(1)waaruit de rechtbank concludeert dat de opgeëiste persoon geruime tijd voor dat het uitleveringsverzoek door het Koninkrijk België werd gedaan, op de hoogte is gebracht van de betekening van het bovengenoemd vonnis. Daarom moet worden aangenomen dat de buitengewone verzetstermijn reeds is verstreken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het verzoek van het Koninkrijk België niet een vervolgings- maar een executie-uitlevering betreft. In dat kader worden geen Nederlanders aan België uitgeleverd. Gelet op het vorenstaande dient op het verzoek tot uitlevering te worden beslist als volgt.
- De beslissing De rechtbank verklaart de uitlevering van [de opgeëiste persoon] voornoemd aan het Koninkrijk België terzake van de executieuitlevering zoals onder 4 omschreven ontoelaatbaar."
- Vooropgesteld zij dat de Nederlandse regering bij de bekrachtiging van het hier toepasselijke Benelux Uitleveringsverdrag (BUV) geen voorbehoud heeft gemaakt met betrekking tot uitleveringsverzoeken ter tenuitvoerlegging van verstekvonnissen, zoals dat bijvoorbeeld wel is gemaakt bij art. 1 van het Europees Uitleveringsverdrag (EUV). Volgens de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1965-1966, 8054, nr. 10, p. 7) was de "noodzaak (daartoe) ook niet aanwezig" omdat met "betrekking tot verstekvonnissen geldt, dat in België en Luxemburg de mogelijkheid voor verzet altijd bestaat, zodat de verdachte in ieder geval verzekerd kan zijn van een contradictoire behandeling van zijn strafzaak".
- Tegen die achtergrond moet het er voor worden gehouden dat de opgeëiste persoon in België in voldoende mate in de gelegenheid zal worden gesteld om in de zaak die tot zijn veroordeling bij het bewuste verstekvonnis heeft geleid, zijn verdediging te voeren voordat tot tenuitvoerlegging van dat vonnis zal worden overgegaan. Vgl. onder meer HR 4 maart 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003,
- Het oordeel van de rechtbank geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
- Het feit dat ter zitting is aangevoerd dat de (buitengewone) verzetstermijn inmiddels zou zijn verlopen doet aan bovenstaand uitgangspunt niet af. Vgl. opnieuw 4 maart 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2003, 124, waarin datzelfde verweer was gevoerd en HR 9 oktober 2001, NJ 2001, 671: Het is aan de Belgische rechter voor wie het verzet gebracht wordt, om te oordelen over de rechtmatigheid van dat verzet.
- De vraag of de verzetstermijn in casu is verlopen, is dus aan de Belgische rechter ter beoordeling en niet aan de Nederlandse uitleveringsrechter. Vgl. ook onderdeel 2039 van het door de Belgische autoriteiten overgelegde commentaar inzake de wetsbepalingen inzake verzet: "De rechter op verzet onderzoekt in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het verzet. Dit wil zeggen dat hij nagaat of het verzet als rechtsmiddel regelmatig werd ingesteld door een partij die hiertoe in de voorwaarden verkeerde, en volgens de door de wet bepaalde vereisten inzake vorm en termijn."
- Bij schrijven van 23 december 2002 hebben de Belgische autoriteiten desgevraagd bevestigd dat de opgeëiste persoon nog verzet kan instellen tegen het vonnis bij verstek uitgesproken door de correctionele rechtbank te Brussel. In het licht hiervan druist het oordeel van de rechtbank dat in casu niettemin sprake is van een onherroepelijke veroordeling in tegen één van de basisregels in het internationale rechtshulpverkeer, te weten het vertrouwensbeginsel. Zie recentelijk nog HR 13 januari 2004, LJN: AN
- Het middel klaagt hier terecht over.
- De beslissing van de rechtbank kan dus, om verscheidene redenen, niet in stand blijven. Het middel is terecht voorgesteld. Ik verwijs voor de volledigheid naar mijn conclusie van heden in de van dezelfde rechtbank afkomstige zaak met griffienummer 00628/04 U en in de Almelose zaak met griffienummer 00759/04 U.
- De conclusie strekt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord. AG 1 Het lijkt erop dat de rechtbank geen enkel onderscheid ziet tussen de betekening van een vonnis en confraternele briefjes over een uitgesproken vonnis.