Nr. 02503/03 B Mr Machielse Zitting 8 juni 2004 Conclusie inzake: [klager]
(1)3.9 Het middel betoogt dat de in NJ 1982, 234 en NJ 1989, 637 geformuleerde regel desalniettemin op het onderhavige geval van toepassing is; dat wil zeggen dat de Rechtbank gebonden is aan het oordeel van het OM dat het inbeslaggenomen geld kon worden teruggegeven aan klager, die derde-belanghebbende is. Daarvoor voeren zij twee redenen aan: in de eerste plaats spreekt de Hoge Raad in HR NJ 1982, 234 en HR NJ 1989, 637 niet over de "beslagene", maar over de "rechthebbende" (waaronder ook de niet-beslagene kan vallen). Bovendien heeft de beslagene, de broer van klager, niet verzocht om teruggave van het inbeslaggenomen geld. 3.10 Uit de enkele omstandigheid dat de Hoge Raad in HR NJ 1982, 234 en HR NJ 1989, 637 over de "rechthebbende" en niet over de "beslagene" spreekt, kan niet worden afgeleid dat de daar geformuleerde regel ook van toepassing is op derde-belanghebbenden, nu in die zaken het onderscheid tussen de belanghebbende die tevens beslagene is enerzijds en de derde-belanghebbende anderzijds niet relevant was. Uit beide uitspraken valt overigens op te maken dat het een klaagschrift van de beslagene betrof. In zoverre faalt het middel. 3.11 Dat de broer van klager niet zelf heeft verzocht om teruggave van het onder hem inbeslaggenomen geld lijkt mij ook niet van belang voor de vraag of de Rechtbank is gebonden aan het oordeel van het OM dat het inbeslaggenomen voorwerp kan worden teruggegeven aan een derde-belanghebbende. Niet voor niets voorziet de wet in een regeling voor het geval het OM een inbeslaggenomen voorwerp wil terug- of afgeven aan een derde-belanghebbende: ofwel de beslagene dient ex art. 116, tweede lid, Sv afstand te doen, ofwel het OM deelt het voornemen mee aan de beslagene ex art. 116, derde lid, Sv, die vervolgens daartegen bezwaar kan maken. Zoals mijn voormalig ambtgenoot Leijten ook opmerkt, zal vaak sprake zijn van tegenstrijdige belangen wanneer het OM een inbeslaggenomen voorwerp wil teruggeven aan een derde-belanghebbende in plaats van aan de beslagene. De enkele omstandigheid dat dat volgens de stellers van het middel in de voorliggende zaak niet het geval is, kan geen reden zijn een algemene regel te formuleren inhoudende dat de Rechtbank is gebonden aan het oordeel van het OM wanneer deze een inbeslaggenomen voorwerp wil teruggeven aan een derde-belanghebbende. 3.12 De stellers van het middel verwijzen nog naar HR 25 november 2003, Nieuwsbrief Strafrecht 2004, 1 nr. 17, maar het komt mij voor dat aan die beslissing geen argument is te ontlenen voor het standpunt van het middel. Het betreft een zaak waarin zendapparatuur in beslag is genomen en waarin het OM in de vervolging van de beslagene niet-ontvankelijk is verklaard, zonder dat over het beslag is beslist. De zendapparatuur behoorde toe aan een derde. Zowel de beslagene als de derde diende een klaagschrift in tegen de inbeslagneming van de apparatuur. De Officier van Justitie verklaarde in raadkamer dat het belang van strafvordering de voortzetting van het beslag niet vergde. De Rechtbank verklaarde de klaagschriften toch ongegrond. In die zaak overwoog de Hoge Raad: "4.
- Ingevolge art. 116, eerste lid, Sv doet het openbaar ministerie de inbeslaggenomen voorwerpen teruggeven aan de beslagene zodra het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet. Het openbaar ministerie kan die voorwerpen ook doen teruggeven aan een redelijkerwijs als rechthebbende aan te merken derde indien de beslagene niet tijdig beklag tegen dat hem schriftelijk kennisgegeven voornemen van het openbaar ministerie instelt (art. 116, derde lid, Sv). Deze teruggave geschiedt in die gevallen buiten de rechter om. In het systeem van de wet ligt aldus besloten dat, indien het openbaar ministerie bij de behandeling van een beklag als bedoeld in art. 552a Sv te kennen geeft van oordeel te zijn dat het belang van de strafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, de rechter, zonder zelf in een beoordeling van evenvermeld punt te treden, op het klaagschrift dient te beslissen. In een geval als het onderhavige brengt dit mee dat dient te worden onderzocht of de klager redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt." Of het belang van strafvordering voortzetting van het beslag nog vergt staat dus niet ter discussie, maar wel wie redelijkerwijs als belanghebbende is aan te merken. In de onderhavige zaak is het niet anders gesteld. Het zou ook eigenaardig zijn als het anders was. In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank bij vonnis beslist dat het inbeslaggenomen geld diende te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende en dus niet teruggegeven moest worden aan beslagene. Een stelsel zoals in het middel voorgesteld zou tot gevolg hebben dat de rechter die aldus heeft beslist over het voortduren van het beslag ten behoeve van een rechthebbende niets meer te zeggen heeft over de teruggave aan een rechthebbende als het OM zich achter het standpunt van een klager stelt. Wanneer de beslagene dus een klaagschrift zou indienen en de Officier van Justitie dat klaagschrift zou ondersteunen zou de raadkamer van de Rechtbank tóch moeten beslissen tot teruggave aan beslagene, hoewel eerder de Rechtbank juist in andere zin had beslist. 3.13 Niet blijkt dat de Rechtbank het bovenstaande heeft miskend. De Rechtbank heeft immers in haar beschikking gewag gemaakt van de beslissing van de vonnisrechter dat het beslag ten behoeve van de rechthebbende(n) diende te worden gecontinueerd. Voorts heeft de Rechtbank beslist dat klager niet als rechthebbende kan gelden. Aldus is de beschikking toereikend gemotiveerd.
- Het middel faalt.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klager alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn beklag. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Boef en beslag