ECLI:NL:PHR:2004:AP1493
Nr. 02641/03 Mr. Machielse Zitting 8 juni 2004 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Aan verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 3 juni 2003 een gevangenisstraf van een week, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, opgelegd, met onttrekking aan het verkeer van vijf lege ampullen, wegens 1. primair "moord" en 2. "als arts opzettelijk een valse verklaring nopens een oorzaak van overlijden afgeven".
Dit beroep is door de verdediging als volgt vorm gegeven.
Toen [verdachte] zich in de ochtend van 5 februari 1997 begaf naar het verzorgingstehuis De Open Hof, waar zijn patiënte [slachtoffer] was opgenomen, werd hij overvallen door de situatie dat zij nog in leven was, terwijl hij had verwacht dat zij gedurende de nacht zou zijn overleden. Hij raakte ongewild en onvoorbereid verzeild in een situatie waarop hij niet heeft kunnen anticiperen. Hij kwam, zijn patiënte op sterven na dood aantreffend in een erbarmelijke ontluisterende situatie en vrezende dat zij zou "wegrotten" en niet meer waardig zou kunnen sterven in aanwezigheid van haar kinderen, in een situatie van acute en concrete nood, waaruit het belangenconflict voortvloeide waaraan hij een einde moest maken. Hij zag geen alternatieven en had slechts een zeer korte tijd om een afweging te maken, waarbij hij onder zware psychische druk stond die zijn manoeuvreerruimte beperkte.
Deze druk werd veroorzaakt door de volgende omstandigheden: a. De zeer exceptionele mensonterende situatie van [slachtoffer] in de laatste fase van haar leven. Zij lag al sinds 3 februari 1997 onverschoond en onverzorgd in bed met grote necrotische doorligwonden die een enorme stank veroorzaakten. b. De verminderde psychische draagkracht van [verdachte], veroorzaakt door het recent overlijden van zijn vader en het feit dat hij nog in het verwerkingsproces zat van een de avond daarvoor door hem verrichte euthanasie. c. De aanhoudende druk van de kinderen van [slachtoffer] en het verzorgend personeel van De Open Hof. d. Het gevoel van onmacht door een verlies aan regie, doordat zijn collega tegen de wens van [verdachte] de beslissing had genomen tot verhoging van het morfinepeil, waardoor het sterfproces eigenlijk in gang werd gezet, terwijl [verdachte] zelf steeds de wens van zijn patiënte had gerespecteerd en alles had gedaan om haar te activeren en haar leven te verlengen.
7.2. Het hof verstaat dit beroep aldus, dat de verdediging een beroep doet op overmacht in de zin van noodtoestand, waarbij, voor zover aan de door [verdachte] gemaakte afweging naar objectieve maatstaven gebreken kleefden, deze in de concrete situatie verontschuldigbaar waren omdat [verdachte] onder een zodanige psychische druk stond dat hij daaraan geen weerstand behoefde te bieden.
Begin 1995 is [slachtoffer] met haar echtgenoot verhuisd naar het verzorgingscentrum De Open Hof. Vanaf juli 1996 leefde [slachtoffer] apart van haar echtgenoot. Zij kon deze situatie moeilijk verwerken en werd vanaf oktober 1996 in toenemende mate bedlegerig. Omdat zij nauwelijks te mobiliseren was en haar bed niet uit wilde komen, ontstonden bij [slachtoffer] ernstige decubituswonden. [Verdachte] heeft in die periode meermalen tevergeefs getracht [slachtoffer] te overtuigen van het belang van fysiotherapie en haar erop gewezen dat haar wens om in bed te blijven liggen haar dood naderbij kon brengen. In die periode heeft [verdachte] de wenselijkheid van opname in een verpleeghuis besproken. [Het slachtoffer] weigerde een dergelijke opname.
Het beleid van [verdachte] was gericht op bevordering van de mobiliteit van [slachtoffer] en bestrijding van haar ongemak en pijn, aanvankelijk met MS Contin en later met Durogesic pleisters 50 mcg, allebei morfinepreparaten. Daarbij heeft hij [slachtoffer] erop gewezen dat deze vorm van pijnbestrijding een levensverkortend effect kon hebben.
Vanaf 18 december 1996 ging het slechter met [slachtoffer]. Zij had toen een grote decubitusplek met pus en necrose op de rechterheup.
Op 8 januari 1997 bleken de decubitusplekken iets te zijn verbeterd. [Het slachtoffer] at echter nauwelijks meer, omdat het slikken moeizaam ging.
Tijdens een bezoek van [verdachte] op 21 januari 1997 bleek dat [slachtoffer] helemaal niet meer uit bed kwam. Zij had ernstige necrose aan een van de hielen en zij is hiervoor in het AMC behandeld. Desgevraagd heeft [slachtoffer] toen aan [verdachte] aangegeven te willen leven, waarop aan haar duidelijk is gemaakt dat zij dan haar bed uit diende te komen.
Op 27 januari 1997 heeft [verdachte] de dosering van de Durogesicpleisters verhoogd tot 75 mcg. Hij had al eerder ter bestrijding van de pijn tijdens de verzorging morfinezetpillen voorgeschreven.
Op 28 januari 1997 heeft [verdachte] [slachtoffer] gevraagd of zij wilde inslapen, waarop zij heeft aangegeven dat zij haar kinderen wilde blijven zien en hij, [verdachte], heeft daaruit begrepen dat zij voor het leven koos. [Verdachte] heeft het beleid - pijnstilling en optimale verzorging van de decubituswonden - derhalve gecontinueerd. De necrose gaf een penetrante stank af.
Op 31 januari 1997 is [slachtoffer] door een collega-arts van [verdachte], die in dezelfde praktijk werkzaam was, gezien. Blijkens een aantekening in het journaal van [verdachte] jammerde [slachtoffer] toen van de pijn, echter zonder affect. De collega-arts heeft daarop telefonisch overleg gehad met [verdachte], die haar erop wees dat [slachtoffer] gekozen had voor het leven en dat zij derhalve terughoudend diende te zijn met de toediening van morfine en zeker niet over moest gaan tot verhoging van de dosis morfine. De collega-arts heeft die avond echter een extra Durogesicpleister van 50 mcg laten plakken, waarmee de totale dosis van dat middel uitkwam op 125 mcg.
Op 3 februari 1997 is [verdachte] weer bij [slachtoffer] geweest. Zij lag toen in een diepe roes in een foetushouding. [Het slachtoffer] at niet meer en dronk nauwelijks. Zij was niet meer aanspreekbaar. Omdat [slachtoffer] onrustig was, heeft [verdachte] met de zorgmanager afgesproken dat deze haar, indien zij weer onrustig werd, valium per injectie zou toedienen. Overigens heeft [verdachte] zelf niet waargenomen dat zij onrustig was. Hij heeft dit vernomen van de zorgmanager.
Op 4 februari 1997 is [verdachte] bij [slachtoffer] teruggeweest. Toen bleek dat zij geen valium toegediend had gekregen. Dit bevreemdde hem, daar dit niet in overeenstemming was met de eerder ook door de dochters aangegeven onrust. Om haar rustig te laten slapen, heeft [verdachte] [slachtoffer] toen vier ampullen fenobarbital à 100 mg toegediend. Hij liet nog eens vier ampullen van dit middel achter en sprak met de zorgmanager af dat hij deze 's avonds zou toedienen. [Verdachte] wilde hiermee haar onrust wegnemen en haar rustig laten slapen, maar hij verwachtte wel dat zij na de toediening van deze tweede dosis zou komen te overlijden.
Op 5 februari 1997 heeft [verdachte] [slachtoffer] in de ochtend opnieuw bezocht. Haar familie had de hele nacht bij haar gewaakt. [Verdachte] was verbaasd dat zij toen nog leefde. Hij had verwacht dat de zorgmanager hem 's nachts zou hebben gebeld om het overlijden van [slachtoffer] te melden. Zij was op last van de zorgmanager niet verschoond. Zij lag nog steeds in foetushouding en de stank van de necrose was zeer penetrant. Zij reageerde niet op pijnprikkels. [Verdachte] heeft toen intermusculair vier ampullen morfine à 20 milligram toegediend om te voorkomen dat [slachtoffer] tijdens het verschonen bij zou komen en pijn zou ervaren. Toen de beide dochters vervolgens aangaven dat hun moeder deze situatie nooit gewild zou hebben en zeiden: "dit doe je een hond nog niet aan", heeft [verdachte] aan de dochters voorgelegd dat hij ofwel haar nog een injectie als de dag daarvoor (fenobarbital) zou kunnen geven en later op de dag terugkomen, ofwel het overlijden van [slachtoffer] nu zou kunnen bespoedigen.
Daarop hebben de dochters van [slachtoffer] aangegeven dat hun voorkeur uitging naar deze laatste optie. [Verdachte] heeft toen besloten [slachtoffer] Alloferine (alcuronium) toe te dienen, die hij nog bij zich had in verband met een daags daarvoor door hem geplande euthanasie. De expiratiedatum van dit medicijn was maart 1995. [Verdachte] heeft de aanwezige ziekenverzorgende verzocht de zorgmanager op te roepen, maar die bleek op dat moment niet in het tehuis aanwezig. [Verdachte] heeft zijn komst niet afgewacht en [slachtoffer] toen vijf ampullen Alloferine van elk 10 mg intraveneus toegediend. Enkele minuten later heeft hij het overlijden van [slachtoffer] geconstateerd. Vervolgens heeft [verdachte] de aanwezige ziekenverzorgende verzocht de lege ampullen en de injectienaalden op te ruimen.
Tenslotte heeft hij een verklaring van natuurlijk overlijden opgemaakt.
9.2. Het hof sluit niet uit dat in uitzonderlijke situaties een arts die overgaat tot actief levensbeëindigend handelen bij een patiënt die geen euthanasiewens kenbaar heeft gemaakt en niet meer in staat is zulks alsnog te doen, maar bij wie naar heersend medisch inzicht sprake is van ondraaglijk en uitzichtloos lijden, danwel van een onomkeerbare en voortschrijdende ontluistering, zich met vrucht op noodtoestand kan beroepen, in die zin dat hij na zorgvuldige afweging volgens de normen van de medische ethiek en met de kennis van zaken waarover hij als arts geacht moet worden te beschikken uit de tegenover elkaar staande plichten en belangen de keuze heeft gemaakt die objectief beschouwd en gelet op de specifieke omstandigheden van het geval gerechtvaardigd is te achten.
9.3. Onder erkenning dat zich in dergelijke situaties, meer nog dan in de euthanasiepraktijk, sterk uiteenlopende omstandigheden kunnen voordoen, waardoor het formuleren van algemeen geldende zorgvuldigheidseisen op bezwaren stuit, zal voor een beoordeling van het beroep op noodtoestand zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij de (in 1997 geldende) in de jurisprudentie voor euthanasiezaken ontwikkelde zorgvuldigheidscriteria.
9.4. Dit betekent in deze zaak dat het hof zich de volgende vragen heeft gesteld:
9.4.a. Was het lijden van de patiënte naar heersend medisch inzicht ondraaglijk en uitzichtloos, dan wel was er sprake van een onomkeerbare en voortschrijdende ontluistering van de patiënte?
De situatie van [slachtoffer] was op 5 februari 1997 niet ondraaglijk daar zij zelf volgens [verdachte] comateus was en in het geheel niet reageerde op pijnprikkels. Wel kan als vaststaand worden aangenomen dat haar situatie uitzichtloos was en [verdachte]'s inschatting dat zij in ieder geval op die dag zou komen te overlijden lijkt reëel, mede gelet op hetgeen de geraadpleegde deskundigen daarover hebben verklaard. Voorts was sprake van een grote mate van ontluistering, zij het dat die slechts waarneembaar was voor haar omgeving. Hoe erbarmelijk die situatie ook was voor de familie, toch zal dit aspect op dit punt niet de doorslaggevende factor mogen vormen, zeker niet gelet op de zeer korte levensverwachting van [slachtoffer] 9.4.b. Bestonden er redelijke andere oplossingen? [Verdachte] heeft blijk gegeven zich bewust te zijn geweest van bestaande alternatieven. Aan de beide dochters van [slachtoffer] heeft hij de mogelijkheid aangegeven haar nogmaals een fenobarbitalinjectie te geven en vervolgens later die dag terug te komen (het hof begrijpt: zodra zij zou zijn overleden). Zelf heeft [verdachte] nog overwogen om haar te laten verschonen, in verband waarmee hij (naar zijn zeggen) 80 mg morfine had ingespoten. Hij heeft daar echter toch van afgezien omdat hij de kans groot achtte dat zij tijdens verzorging zou komen te overlijden, hetgeen hij ethisch minder verantwoord vond.
Nu [verdachte] steeds nadrukkelijk rekening heeft gehouden met de afwezigheid van een euthanasiewens bij zijn patiënte, valt niet goed te begrijpen waarom hij heeft gemeend haar zeer aanstaande overlijden niet te kunnen afwachten. Evenmin valt in te zien waarom het toedienen van een dodelijke injectie in dit geval ethisch te prefereren zou zijn boven een eventueel overlijden tijdens verzorging (die in hoofdzaak uit wondverzorging zou hebben bestaan).
9.4.c. Is er tenminste één andere, onafhankelijke arts geraadpleegd?
De situatie van [slachtoffer] is niet door een terzake deskundige en onafhankelijke arts beoordeeld alvorens [verdachte] heeft besloten tot levensbeëindiging van [slachtoffer] over te gaan. Zoals in het navolgende zal worden overwogen waren de omstandigheden niet zo onvoorzienbaar dat een dergelijke consultatie tot de onmogelijkheden behoorde.
9.4.d. Heeft informatieuitwisseling plaatsgevonden met direct betrokkenen? [Verdachte] was de behandelend huisarts van [slachtoffer] Hij kende haar al sinds omstreeks 1980 en was, naast haar medische geschiedenis, tevens op de hoogte van haar biografie en sociale achtergrond.
Het hof onderschrijft de stelling van [verdachte] dat hij de enige persoon is die verantwoording draagt voor de beslissing het leven van [slachtoffer] te beëindigen. Desondanks is het hof van oordeel dat hij voor het zorgvuldig afwegen van die beslissing meer acht had kunnen slaan op het standpunt en het inzicht van andere personen die zich in de directe omgeving van [slachtoffer] bevonden. Zo had het voor de hand gelegen dat [verdachte] op 5 februari 1997 de terugkomst van de zorgmanager van De Open Hof had afgewacht om de ontstane situatie met hem te bespreken alvorens tot levensbeëindiging over te gaan. [Verdachte] had deze zorgmanager immers betrokken bij de toediening van pijnstillende en sederende medicatie en hem de dag tevoren gevraagd patiënte nogmaals een fenobarbitalinjectie te geven in de verwachting dat zij mede daardoor gedurende de nacht zou komen te overlijden. Bovendien had deze zorgmanager, zoals [verdachte] wist, het besluit genomen patiënte niet meer te laten verschonen.
In de onderhavige situatie had een zorgvuldige uitvoering tevens ingehouden dat [verdachte] de dochters van [slachtoffer] vollediger had geïnformeerd over de mogelijke alternatieven. Niet is gesteld of gebleken dat [verdachte] aan de dochters de mogelijkheid heeft voorgelegd om het aanstaand overlijden van hun moeder af te wachten maar haar intussen te laten verschonen met het risico dat zij tijdens het verschonen zou komen te overlijden. [Verdachte] heeft verklaard dat het beslissingsproces om af te zien van het verschonen van zijn patiënte en over te gaan tot actieve levensbeëindiging zich heeft voltrokken in een tijdsbestek van ongeveer 15 minuten. Een dergelijke tijdsspanne voor een beslissing over leven en dood draagt niet de sporen van een zorgvuldige afweging.
9.4.e. Is de levensbeëindiging op (medisch) zorgvuldige wijze uitgevoerd?
Het feit dat [verdachte] de levensbeëindiging heeft verricht met een euthanaticum dat hij op 5 februari 1997 toevallig nog bij zich had en waarvan de vervaldatum bijna 2 jaar was verstreken in een vijfvoudige ED 95, acht het hof niet getuigen van een medisch zorgvuldige uitvoering.
9.4.f. Is er melding gedaan aan de gemeentelijk lijkschouwer van een niet-natuurlijke dood?
De gemeentelijk lijkschouwer is door [verdachte] niet verwittigd en hij heeft een verklaring van natuurlijke dood afgegeven.
9.5. Uit bovengenoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en gelet op de verschillende deskundigenrapporten, concludeert het hof dat niet gesteld kan worden dat [verdachte] naar wetenschappelijk verantwoord medisch inzicht en getoetst aan de in de medische ethiek geldende normen, een keuze heeft gemaakt die - objectief beschouwd en tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval - als gerechtvaardigd is te beschouwen. Overmacht in de zin van noodtoestand kan derhalve niet worden aangenomen."
De zorgvuldigheidseisen zijn ontleend aan de vaste jurisprudentie terzake van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.
De essentie van gerechtvaardigde levensbeëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding, vormt het uitdrukkelijk verzoek daartoe van de patiënt. Dit verzoek is bij voorkeur schriftelijk vastgelegd, al is dit op zichzelf niet vereist voor het gerechtvaardigd zijn van de inwilliging ervan, zolang de patiënt in staat is zijn wil te uiten.
Het verzoek moet verder vrijwillig, weloverwogen en duurzaam zijn.
Op een verzoek dat het resultaat is van een opwelling, een plotselinge, hevige gemoedstoestand, moet niet worden ingegaan. De duurzaamheid van het verzoek blijkt uit de herhaling ervan, ook nadat de arts met de patiënt over diens verzoek en over diens gezondheidstoestand heeft gesproken.(2) Deze stellingname van de wetgever is niet uit de lucht komen vallen maar is de neerslag van de bestaande rechtspraak van de Hoge Raad op dit terrein. Ook het arrest waarnaar de steller van het middel onder 2.4 van de schriftuur verwijst (HR NJ 1985, 106) betrof een geval waarin de patiënte een uitdrukkelijk en serieus verzoek had gedaan haar leven te beëindigen. De rechtspraak heeft de criteria ontwikkeld waaraan voldaan moet zijn wil een beroep op noodtoestand in geval van levensbeëindiging op verzoek kunnen slagen. De arts is niet strafbaar als hij heeft voldaan aan die eisen, die de wetgever heeft neergelegd in art. 2 van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding. Essentiëel daarbij is een uitdrukkelijk en ernstig verzoek van de patiënt.
Een speciale procedure zou moeten worden gevolgd indien sprake was van een patiënt die zijn wil niet kon uiten, zoals een pasgeborene, of een comateuze patiënt die niet tevoren een schriftelijke verklaring had afgelegd. Maar zo een procedure bestaat nog steeds niet. De discussies over levensbeëindigend handelen zonder verzoek waren in 1997 nog zeker niet afgerond. In 1997 zijn wel een aantal discussienota's van de door het hoofdbestuur van de KNMG ingestelde Commissie Aanvaardbaarheid Levensbeëindigend handelen (CAL) gepubliceerd onder de titel "Medisch handelen rond het levenseinde bij wilsonbekwame patiënten".(3) Deze publicatie wijdt ook enige bladzijden aan levensbeëindiging in de stervensfase zonder verzoek.
Op p. 174 beschrijft de Commissie de onderscheidingen die zij maakt binnen de categorie 'levensbeëindigend handelen zonder uitdrukkelijk verzoek'. Situatie b wordt erdoor gekenmerkt dat de patiënt stervend is, niet meer aanspreekbaar is en dat de arts morfine met een curare preparaat toedient. De patiënt heeft "wel, of niet, eerder de wens tot euthanasie geuit". De Commissie schrijft dar het toedienen van de spierverslapper(4) niet anders is te omschrijven dan als "levensbeëindigend handelen" en dat er uiteraard sprake is van een niet-natuurlijke dood. De Commissie laat doorschemeren dat zo een handelwijze naar haar mening enkel geoorloofd is indien er tevoren met de patiënt over is gesproken en indien de patiënt daarmee heeft ingestemd.
Daarbuiten kan zich een enkele uitzonderingssituatie voordoen, maar ik vermoed dat de Commissie zo een uitzonderingssituatie slechts wil erkennen ingeval van onverwachte ontwikkelingen. In haar conclusie bij dit hoofdstuk poneert de Commissie immers als uitgangspunt dat - zo mogelijk - een arts moet handelen op geleide van hetgeen de patiënt wil of gewild zou hebben, en dat alleen bij stormachtige ontwikkelingen en in evidente overmachtssituaties de arts aan actieve levensbeëindiging mag denken.(5) En haar bespreking van de juridische invalshoeken ten aanzien van verschillende soorten situaties besluit de Commissie met haar opmerking dat actieve levensbeëindiging zonder verzoek in het algemeen niet zal kunnen worden gerechtvaardigd in de gevallen waarin een dergelijke handeling niet kan worden gebaseerd op eerdere verklaringen van de patiënt, waarin het twijfelachtig is of een noodsituatie bestaat en/of waarin de levensbekorting een periode betreft die (aanzienlijk) langer is dan enkele uren of enkele dagen.(6) Ik neem niet aan dat de arts gerechtvaardigd is als hij het normaal aflopend leven van de patiënt bekort omdat dat hem in verband met een gepland concertbezoek beter uitkomt.
Gelet op het voorgaande ligt het voor de hand deze ultieme levensbekorting te koppelen aan een noodtoestand, in het leven geroepen door een onverwachte en stormachtige ontwikkeling.
Ik maak uit dit alles op dat de discussie in medische kring in 1997 over de levensbeëindiging zonder verzoek nog niet duidelijk was uitgekristalliseerd en dat het enige houvast werd geboden door de rechtspraak van de Hoge Raad over de noodtoestand.
Dat het Hof daarom aansluiting heeft gezocht bij de in 1997 geldende zorgvuldigheidscriteria voor levensbeëindiging op verzoek ligt voor de hand. Dat het Hof hier en daar een accent zal hebben gelegd op objectieve eisen lijkt mij voor de hand te liggen waar een uitdrukkelijk en ernstig verzoek van de patiënt om euthanasie zo imposant ontbrak.
In het onderhavige geval had patiënte ongeveer een week eerder, toen er al sprake was van decubituswonden en necrose die een penetrante stank afgaf, verdachte laten weten dat zij haar kinderen wilde blijven zien, waaruit verdachte had afgeleid dat zij voor het leven koos. Kennelijk was op dat moment voor patiënte de ontluistering niet van dien aard dat zij niet verder wilde.
De opsteller van het middel lijkt er echter van uit te gaan dat juist omdat patiënte ieder moment kon overlijden, verdachte welhaast gedwongen was om zeer snel te besluiten of hij alloferine zou toedienen. Alsof de situatie dat patiënte op natuurlijke wijze zou komen te overlijden voordat verdachte haar de alloferine had toegediend, een dermate onwenselijke situatie zou opleveren, dat een te haastige keuze om patiënte te doden verdachte niet tegengeworpen zou mogen worden.
Bij een patiënte arriveren en, als ze tegen de verwachting in nog in leven is, de toevlucht nemen tot een dodelijk middel dat men toevallig nog op zak heeft van een eerdere euthanasie, en dan een vijfvoud van de gebruikelijke hoeveelheid toedienen, waarbij de vervaldatum van het middel twee jaar verstreken blijkt (waarbij overigens niet blijkt dat verdachte dit gecontroleerd had), levert een uitvoering op die niet meer medisch zorgvuldig te noemen is. Een dergelijke uitvoering heeft er meer van weg dat patiënte volgens verdachte zo snel mogelijk moest sterven, waarbij de wijze waarop van ondergeschikt belang was.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Zie de noot van Leenen bij de uitspraak in eerste aanleg in deze zaak in het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 2001, p.213-215: Leenen benadrukt in zijn noot dat het in deze zaak niet gaat om euthanasie, doch om levensbeëindiging zonder verzoek.
2 Kamerstukken II 1998-1999, 26691, nr. 3, p. 8.
3 Uitgave van Bohn Stafleu Van Loghum.
4 Alloferine is zo een pharmacum zoals blijkt uit de bewijsmiddelen 7 en 8.
5 Ibidem, p. 175.
6 Ibidem, p. 199.
7 Ik zie hier ook geen strijd met rechtsoverweging 8.4.3 van HR 27 november 1984, NJ 1985, 106. Het Hof betrekt immers verschillende factoren bij de vaststelling van het al dan niet bestaan van een noodtoestand, en stelt voor wat betreft de factor van de ontluistering vast dat die in dezen geen doorslaggevende factor vormt. Voorts dient de overweging waarnaar de steller van het middel verwijst natuurlijk wél te worden gelezen in de context van eerdere overwegingen. De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 8.4.2 juist aan dat het oordeel van het Hof dat ondraaglijk lijden naar medisch inzicht niet aannemelijk was geworden zonder nadere toelichting onbegrijpelijk was. Daaruit kan toch niet worden afgeleid dat het bestaan van ondraaglijk lijden er niet toe doet. De steller van het middel legt hier naar mijn mening HR NJ 1985, 106 op een onjuiste wijze uit.
8 De verplichte onafhankelijke consultatie hing hier samen met de omstandigheid dat het een geval betrof waarbij het lijden van de patiënt niet voortvloeide uit een somatische ziekte of aandoening.
9 Vgl. ook HR 3 mei 1988, NJ 1989, 391, r.o. 6.2, waar de HR de overweging dat de omstandigheid dat een arts heeft verzuimd een onafhankelijke collega te raadplegen niet zonder meer uitsluit dat die arts een beroep op noodtoestand kan doen, uitdrukkelijk koppelt aan de situatie dat de levensbeëindiging geschiedt op het uitdrukkelijk en ernstig verlangen van de patiënt.
Zie voorts eerdergenoemde Rechtbank Den Haag 24 oktober 1995, Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1996, p.149-154: hier betrof het eveneens levensbeëindiging zonder uitdrukkelijk verzoek; de Rechtbank rekent het de arts aan dat hij elke vorm van behoorlijk collegiaal overleg achterwege heeft gelaten.
Overigens noemt art. 2 Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Euthanasiewet) ook consultatie van ten minste één andere, onafhankelijke arts als zorgvuldigheidseis bij euthanasie, dus in geval er wel sprake is van een uitdrukkelijk verzoek van de patiënt.
10 Palliatieve zorg is medische zorg die gericht is op het verlichten van het lijden van terminale patiënten. Vgl. Van der Wal/Van der Heide/Onwuteaka-Philipsen/Van der Maas, Medische besluitvorming aan het einde van het leven, 2003, p.88; B.H. Ter Kuile, Nederlandse Euthanasiewetgeving; een juridische beschouwing, EUR 2002, p.22.
11 Vgl. Van der Wal e.a., a.w., p.88 e.v.(zie met name de conclusies op p.100/101): palliatieve zorg en euthanasie (in de zin van actieve levensbeëindiging op verzoek) worden als verschillende grootheden gezien, die elkaar weliswaar kunnen beïnvloeden, doch waarbij actieve levensbeëindiging geen onderdeel kan uitmaken van een palliatief beleid; Ter Kuile, a.w., p.23-25 par. 26; Groenewoud, End-of-life decisions in medicine, 2002, p.88 e.v.: het verschil tussen actieve levensbeëindiging en palliatieve zorg wordt hier (deels) gekoppeld aan de middelen die gebruikt worden; het gebruik van een letaal middel als alloferine valt niet onder palliatieve zorg.
12 Zie HR 30 november 1999, NJ 2000, 216.