ECLI:NL:PHR:2004:AP1873
Zaaknr. R03/010HR Mr. Huydecoper Parket, 16 april 2004 Conclusie inzake Information Technology Management Services B.V. verzoekster tot cassatie tegen [verweerder 1] en [verweerster 2] verweerders in cassatie Feiten en procesverloop
In de arbeidsverhouding tussen ITMS en [verweerder] c.s. zijn (aanzienlijke) spanningen ontstaan. Over de oorzaken daarvan, die partijen elkaar over en weer verwijten, zijn partijen in de feitelijke instanties zeer gedetailleerd aan het woord geweest. In de cassatiefase kan slechts worden vastgesteld dat over die oorzaken (vrijwel) niets vaststaat.
De kantonrechter heeft overwogen dat hem ook ter zitting is gebleken dat de tussen partijen bestaande arbeidsrelatie ernstig is verstoord en dat voortzetting ervan in redelijkheid niet langer tot de mogelijkheden behoort. Er kon niet worden vastgesteld, aan welke partij(en) de gebleken moeilijkheden in overwegende mate te verwijten zijn. De kantonrechter heeft daarom - kort gezegd - de arbeidsovereenkomsten met ingang van 1 juni 2002 ontbonden onder toekenning van een vergoeding (aan [verweerder] c.s.) conform de zogenaamde "neutrale" kantonrechtersformule(2).
Vervolgens heeft het hof in een beschikking met rek.nr. 2002/382 het hoger beroep in de ontbindingszaken verworpen, op grond van overwegingen die ertoe strekken dat het namens ITMS aangevoerde geen grond oplevert voor "doorbreking" van de regel dat van beschikkingen op de voet van art. 7:685 BW geen hoger beroep of cassatieberoep openstaat (zie art. 7:685 lid 11 BW). Het verzoek om voorlopig getuigenverhoor werd in een beschikking van dezelfde datum onder rek.nr. 2002/574 afgewezen, onder meer op de grond dat ITMS wegens de verwerping van het hoger beroep in de "parallelzaak", geen belang meer had bij toewijzing(3).
Namens [verweerder] c.s. is een verweerschrift in cassatie ingediend. Vervolgens heeft de advocate van ITMS laten weten dat zij niet in staat gesteld is stukken te fourneren, en dat zij zich als advocate van ITMS aan de zaak onttrekt. Namens [verweerder] c.s. is verzocht om een uitspraak, en is ook een procesdossier gefourneerd.
Gevolgen van onttrekking van de procesvertegenwoordiger
In de rechtspraak zijn, met betrekking tot de dagvaardingsprocedure in de feitelijke instanties, daarvoor de volgende regels gevormd: (- Onttrekking van de procureur is mogelijk (niettegenstaande de regel van art. 79 lid 2 Rv. (art. 146 Rv. (oud)); zie voor cassatie intussen art. 416 Rv.).
Er is geen reden om, als het gaat om de gevolgen van de onttrekking, deze jurisprudentieregels niet ook voor de rekestprocedure en voor de cassatie-instantie toepasselijk te achten(5). De ratio die uit de rechtspraak naar voren komt - vooral: het gerechtvaardigde belang van de andere partij(en) - doet zich hier in dezelfde omvang gelden(6). (Niet) fourneren van het procesdossier
Deze benadering spoort met de onder het "oude" recht gevormde rechtsleer(14). Zoals al aangestipt zie ik geen aanwijzingen die duidelijk maken dat onder het nieuwe recht een andere benadering beoogd is, of gewenst zou zijn.
Bespreking van het middel
Bespreking van het middel ten aanzien van de ontbindingsbeslissingen
In de rechtspraak is niettemin een smalle marge voor hoger beroep en cassatie aanvaard: die marge bestaat (slechts) wanneer de rechter buiten het toepassingsbereik van het artikel is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of wanneer er zulke fundamentele rechtsbeginselen zijn geschonden dat niet kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak(16).
Bij de schending van fundamentele beginselen moet men met name denken aan het beginsel van hoor en wederhoor(17). Een motiveringsgebrek kan niet als schending van een fundamenteel rechtsbeginsel van het hier bedoelde soort gelden(18). Ook het op ontoereikende gronden passeren van een bewijsaanbod(19) en het geven van een beslissing die indruist tegen het verbod van discriminatie op grond van geslacht(20) levert geen schending van zo'n beginsel op.
Men kan zich dan ook afvragen of er geen klemmende redenen zijn om de materie in heroverweging te nemen. Dat geldt dan overigens de wetgever, niet de rechter: die roeit in dit verband met riemen die hem door de wetgever zijn aangereikt, en die, denk ik, niet in het kader van (alleen) de rechtspraak door ander (roei)materieel kunnen worden vervangen.
Het in alinea's 18 t/m 20 hiervóór aangestipte bezwaar is ook hier duidelijk zichtbaar: toetsing aan fundamentele beginselen spoort niet optimaal met een summiere, deels op discretionaire wegingen gebaseerde beoordeling; maar binnen het systeem dat de wet voorschrijft, en dat door de tot dusver gevormde rechtspraak is aanvaard, valt niet makkelijk aan die consequentie te ontkomen(24). Ik zal er hierna dan ook van uit gaan dat het hof binnen het aldus beschreven kader had te oordelen.
Het zal dan ook niet verbazen dat ik de klachten als ongegrond beoordeel: een benadering zoals ik die zojuist summier beschreef is nauwelijks geëigend om in het kader van de eerder beschreven beperkingen van de procedure op de voet van art. 7:685 BW, steekhoudende cassatieklachten op te leveren.
Ik begrijp de bestreden overweging van het hof aldus, dat het hof aan de hand van de stukken en het besprokene in hoger beroep, vaststelt dat in de eerste aanleg (verhoudingsgewijs) uitvoerig over de betekenis en de toelaatbaarheid van de "print-screens" is gesproken, zodat mag worden geoordeeld dat die stukken aan de orde geweest en behandeld zijn.
Daarom beoordeel ik de eerste klacht als ongegrond.
De klacht bestaat uit twee afzonderlijke elementen: er wordt geklaagd dat de kantonrechter de betrokkenen aanvankelijk niet zou hebben willen toelaten(26) (waaruit volgens ITMS zou mogen worden afgeleid dat de kantonrechter niet onpartijdig was); en er wordt geklaagd dat onbegrijpelijk zou zijn (het oordeel) dat ITMS met betrekking tot deze aanwezigen geen bewijsaanbod zou hebben gedaan.
De tweede deelklacht is al daarom niet aannemelijk omdat de overweging van het hof met betrekking tot ITMS' bewijsaanbod (in rov. 3.9 van de beschikking met rek.nr. 2002/382) ten overvloede is gegeven ("daargelaten..."). Ik begrijp deze overweging ten overvloede intussen zo, dat het hof in de passage die in alinea 10 van het cassatierekest wordt aangehaald geen relevant bewijsaanbod heeft onderkend. (Ook) dat oordeel is overwegend feitelijk van aard, en bepaald niet onbegrijpelijk - de betreffende passage noemt een gegeven dat voor het oordeel van de kantonrechter kennelijk (en ook hier: begrijpelijk) geen gewicht in de schaal heeft gelegd.
Dat wordt niet anders doordat de rechter in de eerste aanleg de - licht als exorbitant aan te merken - verlangens van ITMS met betrekking tot bewijslevering en kennisneming van (buitengewoon uitgebreide) stukken, niet heeft gehonoreerd. De partij die (zoals het hof kennelijk ten aanzien van ITMS heeft geoordeeld) van de eerste rechter aanzienlijk méér aandacht voor haar stellingen vraagt dan in het kader van de betreffende - summiere - procedure te verantwoorden is, kan zich niet beklagen over ongelijke behandeling als aan dat verlangen geen gevolg wordt gegeven (hoewel de wederpartij, die in dit verband géén exorbitante eisen heeft gesteld, dan inderdaad niet met een navenante weigering wordt geconfronteerd) (27).
Verschillende van de klachten van het middel berusten op miskenning van dit gegeven.
Anders dan de teneur van deze klacht inhoudt, heeft het hof in de rov. 3.5 en 3.6 er telkens blijk van gegeven, de juiste beoordelingsmaatstaf aan te leggen.
De hier mede aangedragen klacht dat alle bezwaren van ITMS tezamen anders gewogen zouden moeten worden dan ieder van die bezwaren afzonderlijk, stuit erop af dat ITMS dat niet aan het hof heeft voorgehouden; maar ook op het feit dat de bezwaren van ITMS stuk voor stuk ongegrond zijn bevonden. Ongegronde bezwaren leveren ook bij gezamenlijke weging geen gegrond bezwaar op.
Bovendien zou dit verwijt (aan het adres van de kantonrechter) bij lange na niet toereikend zijn om "doorbreking" van het zgn. "rechtsmiddelenverbod" te rechtvaardigen. Ook om die reden kan dit verwijt niet tot cassatie leiden.
In alinea 16 herhaalt ITMS opnieuw enkele van haar argumenten ten betoge dat de in rov. 3.12 geformuleerde oordeel over de (on)partijdigheid van de kantonrechter onvoldoende begrijpelijk zou zijn. Ik kan slechts herhalen dat het hof zich hier door een ook door mij als vergezocht aangemerkt (feitelijk) betoog, niet heeft laten overtuigen. Dat is allicht niet onbegrijpelijk. Tegenover de herhalingen die het middel bezigt, kan ik weinig anders doen, dan deze bevindingen herhalen.
Ik laat het intussen bij de retorische vraag: het hof heeft met juistheid overwogen dat motiveringsklachten als de onderhavige geen grond kunnen opleveren voor "doorbreking" van het "rechtsmiddelenverbod". Het middel beweert anders, maar doet dat ten onrechte.
Voor alinea 18 geldt, mutatis mutandis, hetzelfde. Anders dan het middel hier aanvoert, motiveert het hof overigens wèl zijn oordeel over de hier aangeduide argumenten (in rov. 3.13).
Klachten tegen de beschikking inzake het voorlopig getuigenverhoor
De klacht van alinea 20 berust (weer - zie ook alinea 25 hiervóór) op het misverstand dat van "behandeling" alleen sprake kan zijn wanneer het desbetreffende gegeven volledig - inhoudelijk - wordt besproken. Dat is niet zo. Een (mondelinge) behandeling kan er bijvoorbeeld ook in bestaan, dat geconstateerd wordt dat het desbetreffende onderwerp inmiddels achterhaald is, en daarom niet inhoudelijk hoeft te worden besproken.
De toespelingen in deze alinea op bevooroordeeldheid van het hof meen ik te kunnen laten voor wat zij zijn: namelijk kennelijk ongegrond.
De alinea's 22 en 23 bestrijden de "ratio decidendi". Ik parafraseer die als: een voorlopig getuigenverhoor komt hier niet meer in aanmerking omdat de "hoofdzaak" waar dat verhoor in dienst moest doen, inmiddels definitief was beslist.
Overige klachten
Wat ITMS hierover in cassatie aanvoert vindt geen steun in de stukken. De cassatie-instantie is er nu eenmaal niet voor om te betogen dat wat in de loop van procedures in de feitelijke instanties is voorgevallen, zich anders heeft toegedragen dan uit de processen-verbaal en beslissingen van die instanties blijkt.
Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is overigens niet méér dan dat: een, gewoonlijk verhoudingsgewijs summiere, aantekening van wat ter zitting is voorgevallen. Ook als zo'n proces-verbaal gebreken vertoont (wat in de onderhavige zaak overigens niet vast staat) brengt dat niet mee dat de naar aanleiding van de betreffende zitting gegeven rechterlijke beslissingen onjuist of onbegrijpelijk zouden zijn(29).
Op deze bedenkingen stuiten de beschouwingen uit de alinea's 24 t/m 28(30) van het cassatierekest af.
Conclusie Ik meen dat het cassatieberoep verworpen zou moeten worden, met veroordeling van de verzoekster in de kosten.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 ITMS heeft daartoe twee verzoekschriften ingediend. In appel zijn deze gezamenlijk behandeld (zie rov. 3.3. van de beschikking van het hof). [verweerder] c.s. hadden in de eerste aanleg een vordering inzake voorlopige voorzieningen (betreffende loondoorbetaling) ingesteld, die in de eerste aanleg gelijktijdig met de ontbindingsverzoeken (mondeling) is behandeld, evenals een in de procedure inzake voorlopige voorzieningen namens ITMS ingestelde reconventionele vordering. (Al) daarom is te begrijpen dat de mondelinge behandeling een aanzienlijke tijdsduur - blijkens rov. 3.8 van de in cassatie bestreden beschikking met rek.nr. 2002/382: drie uur - in beslag heeft genomen.
2 Daarmee wordt, zo begrijp ik het, bedoeld dat geen positieve of negatieve correctiefactor is toegepast met het oog op aan de ene of de andere partij toerekenbare factoren, die tot de verstoring van de verhoudingen hebben bijgedragen.
3 Het hof overwoog daarnaast dat de feiten waarop het voorlopig getuigenverhoor betrekking zou hebben, ook indien bewezen, niet tot een andere uitkomst van het geding betreffende de ontbinding zouden kunnen leiden - volgens mij een grond die de hier gegeven beslissing zelfstandig kan dragen.
4 HR 2 februari 2001, NJ 2002, 372 m.nt. HJS, rov. 3.3; HR 1 maart 1974, NJ 1975, 6 m.nt. WLH, "O. aangaande dit middel"; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 17.
5 Conclusie van A-G Ten Kate voor HR 24 juni 1977, NJ 1978, 211 m.nt. WHH (impliciet bevestigd in het arrest); dit te meer nu, zoals al opgemerkt, art. 416 Rv. voor de cassatie-instantie expliciet in de mogelijkheid van onttrekking van de advocaat voorziet.
6 Zie o.a. Snijders, alinea 5 van de noot onder NJ 2002, 372 en Haardt, alinea 2 van de noot onder NJ 1975, 6.
7 Aan (de advocate van) ITMS is herhaaldelijk om overlegging van het dossier verzocht. Ik zie geen reden om thans nadere verzoeken te doen die strekken tot completering van de stukken - dit te meer, omdat de stukken die wel zijn overgelegd, de indruk maken volledig te zijn.
8 Zie o.m. Burgerlijke Rechtsvordering (losbl. (oud)), Asser, art. 45, aant. 2 en art. 144, aant. 3.
9 Deze bepaling geldt blijkens het opschrift van het Eerste Boek Rv. en van de derde afdeling van Titel 1 van dat boek voor procedures bij rechtbank, hof en Hoge Raad in het algemeen. Aangezien de onderhavige cassatieprocedure volgt op twee beschikkingen van 22 oktober 2002, is ingevolge art. VII van de wet van 6 december 2001, Stb. 580 het "nieuwe" procesrecht in cassatie van toepassing.
10 Parl. Gesch. Burg. Procesrecht, Van Mierlo - Bart, 2002, p. 186 - 187.
11 HR 5 december 2003, rechtspraak.nl LJN nr. AK 4856, rov. 3.2.2 - 3.2.4; HR 25 januari 2002, NJ 2002, 119, rov. 3.4.
12 Conclusie van A-G Wesseling-Van Gent voor HR 25 januari 2002, NJ 2002, 119, alinea 2.12.
13 HR 19 maart 1993, NJ 1993, 303, rov. 2.
14 Zie bijvoorbeeld HR 29 september 2000, NJ 2000, 655, rov. 5.1; HR 12 februari 1988, NJ 1988, 874 m.nt. WHH, rov. 3; HR 24 juni 1977, NJ 1978, 211 m.nt. WHH (zoals al in voetnoot 5 hiervóór aangegeven: expliciet in de conclusie van A-G Ten Kate, impliciet in het arrest); Star Busmann - Rutten - Ariëns, Hoofdstukken van Burgerlijke Rechtsvordering, 1972, nr. 264.
15 Nu namens [verweerder] c.s. expliciet wordt ingestemd met behandeling van verschillende cassatieprocedures op basis van één cassatierekest acht ik mij ontslagen van de plicht, te onderzoeken of daartegen overigens bezwaar zou kunnen bestaan; zie in dit verband echter HR 27 februari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO 0973, rov. 3.
16 De rechtsleer op dit punt is nog onlangs zowel grondig als helder besproken in alinea's 2.5 - 2.9 van de conclusie van A-G Keus voor HR 23 januari 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AN 7884; zie overigens HR 30 maart 2001, NJ 2001, 303 m.nt. PAS onder NJ 2001, 302, rov. 3.3 - 3.6; HR 26 november 1999, NJ 2000, 210 m.nt. PAS, rov. 3.6 en 3.7; HR 5 maart 1999, NJ 1999, 676 m.nt. JBMV, rov. 3.2 en 3.3; HR 27 maart 1998, NJ 1998, 553, rov. 3.3 - 3.5; HR 22 november 1996, NJ 1997, 205 m.nt. PAS, rov. 3.3 - 3.6; HR 22 september 1995, NJ 1996, 38, rov. 3.2 en 3.3; HR 23 juni 1995, NJ 1995, 661, rov. 3.4 en 3.5; HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 m.nt. PAS, rov. 3.4 - 3.7; HR 22 maart 1991, NJ 1991, 400, rov. 3.4; HR 4 maart 1988, NJ 1989, 4 m.nt. WHH, rov. 3.2 en 3.3; HR 4 april 1986, NJ 1986, 549, rov. 3.2; HR 12 maart 1982, NJ 1983, 181 m.nt. PAS onder NJ 1983, 182, rov. 3 en 4; Verdere verwijzingen o.a. in: Arbeidsovereenkomst (losbl.), Luttmer-Kat, art. 7:685 BW, aant. 20; Vademecum burgerlijk procesrecht, deel Arbeidszaken (losbl.), Asser, nr. 34.9; Bakels c.s., Schets van het Nederlands arbeidsrecht, 2003, p. 173 (voetnoot 417); Van der Grinten c.s., Arbeidsovereenkomstenrecht, 2002, p. 366 - 368; Tekst & Commentaar Arbeidsrecht, 2002, Luttmer-Kat, art. 7:685 BW, aant. 11; Rood, Procesrecht in arbeidszaken, 2002, p. 44 - 51.
17 Zie o.m. HR 30 maart 2001, NJ 2001, 303 m.nt. PAS onder NJ 2001, 302, rov. 3.4 - 3.6; HR 26 november 1999, NJ 2000, 210 m.nt. PAS, rov. 3.7; HR 16 september 1994, NJ 1995, 76, rov. 3.1 - 3.4; HR 24 september 1993, NJ 1993, 758, rov. 3.6; HR 12 februari 1993, NJ 1993, 572 m.nt. HJS, rov. 4.4; HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 m.nt. PAS, rov. 3.7; HR 6 maart 1992, NJ 1993, 79 m.nt. HJS, rov. 3.1 en 3.2; HR 22 maart 1991, NJ 1991, 400, rov. 3.4; HR (22 december 1989) en 22 juni 1990, NJ 1990, 704, rov. 3; HR 9 juni 1989, NJ 1990, 56, rov. 3.1; HR 19 mei 1989, NJ 1989, 802 m.nt. JBMV, rov. 3.4.
18 Zie o.m. HR 23 juni 1995, NJ 1995, 661, rov. 3.5; HR 15 oktober 1993, NJ 1994, 64, JAR 1993, 246, rov. 3.2; HR 24 september 1993, NJ 1993, 758, rov. 3.7; HR 8 juli 1992, JAR 1992, 53, rov. 3; HR 3 juli 1989, NJ 1989, 857, rov. 3.2; HR 4 maart 1988, NJ 1989, 4 m.nt. WHH, rov. 3.3.
19 HR 5 maart 1999, NJ 1999, 676 m.nt. JBMV, rov. 3.2.
20 HR 24 april 1992, NJ 1992, 672 m.nt. PAS, rov. 3.5.
21 HR 22 november 1996, NJ 1997, 205 m.nt. PAS, rov. 3.6; HR 3 december 1982, NJ 1983, 182, rov. 3.2.
22 HR 29 september 2000, NJ 2001, 302 m.nt. PAS, rov. 4.3.5.
23 HR 2 april 2004, rechtspraak.nl LJN nr. AO 1939, rov. 4.1.1 - 4.1.3; HR 7 november 2003, NJ 2004, 174 m.nt. GHvV, rov. 3.3.1; HR 10 januari 2003, NJ 2003, 321, rov. 3.4; HR 1 maart 2002, NJ 2003, 211 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, rov. 3.4; HR 1 maart 2002, NJ 2003, 210 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss, rov. 3.11; HR 2 november 2001, NJ 2001, 667, rov. 3.3; HR 15 december 2000, NJ 2001, 251 m.nt. PAS, rov. 3.4; HR 5 maart 1999, NJ 1999, 644 m.nt. PAS, rov. 3.4.2; HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 257 m.nt. PAS, rov. 5.1 (Baijens/Mr. H).
24 Hier wordt men bovendien, althans binnen vrij enge grenzen, tot een "binaire" keuze genoodzaakt (een soort keuze die bij juristen vaak weinig enthousiasme oproept): de keuze tussen wel of niet, in plaats van tussen (nu eens) iets méér en (dan weer) iets minder. Ik denk namelijk dat men procesrechtelijke richtsnoeren, bijvoorbeeld een regel als: een deugdelijk onderbouwd bewijsaanbod moet gehonoreerd worden, op die manier moet beoordelen: men acht die regel in een gegeven groep van gevallen wel of niet toepasselijk. Systemen die zulke regels verder kwalificeren, van omstandigheden afhankelijk maken of aan billijkheidsafwegingen onderwerpen, maken een (te) grote kans, onwerkbaar te zijn en/of geen bruikbaar, hanteerbaar en min of meer voorspelbaar kader op te leveren. Men formuleert dan geen regel, maar een "uitgangspunt" dat rechters nu eens wel en dan weer niet als doorslaggevend zullen aanmerken. Dat klinkt willekeurig; en ook bij nadere beschouwing ontkomt men er niet aan: dat is het in zulke gevallen ook.
25 Ik wil er geen geheim van maken dat ik niet weet wat met de uitdrukking "print-screens" bedoeld wordt. Ik meen dat dat ook niet nader uit het dossier blijkt. In alinea 4 van het cassatierekest wordt intussen een stelling van [verweerder] c.s. geciteerd die suggereert dat het om meer dan 100 pagina's gaat, met gegevens die voor leken niet aanstonds begrijpelijk zijn. Ook zonder precies te weten wat met "print-screens" bedoeld wordt kan men dan als begrijpelijk beoordelen dat de rechter die een verzoek op de voet van art. 7:685 BW (en tegelijkertijd een conventioneel en een reconventioneel verzoek om toekenning van voorlopige voorzieningen) moet beoordelen, het inbrengen van een dergelijk volume aan stukken op de voorhand als discutabel "inschat". Al daarom verbaast het niet dat de rechter in eerste aanleg beperkingen ten aanzien van het onderzoek van dit gegeven in acht heeft genomen en dat het hof de wijze waarop de eerste rechter dat heeft gedaan als aanvaardbaar heeft beoordeeld. Rechtens onjuist of onbegrijpelijk is dat, anders dan het middel bij herhaling poneert, bepaald niet.
26 De stukken in appel maken duidelijk dat de betrokkenen wèl ter zitting aanwezig zijn geweest (zij hebben een gezamenlijke verklaring over hun waarnemingen ter zitting afgelegd); zodat de klacht kennelijk alleen berust op het feit dat de kantonrechter aanvankelijk bezwaar tegen hun toelating zou hebben laten blijken.
27 HR 22 maart 1991, NJ 1991, 400 rov. 3.4: "De enkele omstandigheid dat de rechter geen gevolg geeft aan een bij de mondelinge behandeling door de betrokkene in het kader van zijn verweer gedaan verzoek om deze behandeling tot een later tijdstip aan te houden teneinde hem in de gelegenheid te stellen dat verweer nader, mondeling of schriftelijk, door een medisch deskundige te doen toelichten, levert (...) geen veronachtzaming op van het beginsel van hoor en wederhoor." Het niet in de gelegenheid stellen van een partij om haar standpunt te herzien in verband met de zienswijze van de Commissie gelijke behandeling, levert (in de omstandigheden van dat geval) evenmin schending van het beginsel van hoor en wederhoor op, HR 24 april 1992, NJ 1992, 672, rov. 3.7.
28 Zie bijvoorbeeld regel 15 lid 2 van de Gedragsregels voor advocaten (door mij geraadpleegd in Vademecum Advocatuur 2001, p. 241).
29 HR 18 april 2003, NJ 2003, 286 m.nt. Ma, rov. 3.27; HR 6 maart 1992, NJ 1992, 359, rov. 3.1; HR 24 augustus 1984, NJ 1985, 35, rov. 3.3.
30 Ik heb het in deze alinea aangekondigde fax-journaal niet aangetroffen (ook niet bij het van ITMS zelf afkomstige cassatierekest).
Overigens ontgaat mij de relevantie van wat het cassatierekest in verband met dit fax-journaal aanvoert: blijkens het overgelegde processtuk "Aanvullende producties ten behoeve van de zitting van 4 oktober 2002" zouden er inderdaad op 27 september 2002, dus de vrijdag vóór de zitting van 4 oktober 2002, stukken in een omvang van tenminste 60 pagina's aan mr. Paulich, de raadsvrouwe van [verweerder] c.s. zijn verstuurd. Men verdoet dan zijn tijd - en die van anderen - door er een twistpunt van te maken of dat per fax (of langs andere weg) is gebeurd. De partij die haar zaak met zulke uitweidingen belast, roept enigszins over zich af dat rechters soms blijk geven van de minder welwillende houding, waarover in dit dossier zo ruimschoots wordt geklaagd.