Nr. 00108/04 Mr Jörg Zitting 15 juni 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] 1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 10 oktober 2002 wegens 1. "deelnemen aan een criminele organisatie", 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod" en 3. primair "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2, eerste lid, onder B van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven. 2. Namens verzoeker heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld. De onderhavige zaak hangt samen met zaak nummer 00109/04 in welke zaak ik heden eveneens concludeer. 3. Het eerste middel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. Tussen het instellen van het cassatieberoep en de ontvangst van de stukken ter griffie van de Hoge Raad is een periode van meer dan acht maanden verstreken. 4. Namens verzoeker is op 16 oktober 2002 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 15 januari 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dat betekent dat er tussen het instellen van het beroep in cassatie en binnenkomst van de stukken meer dan de in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH, r.o. 3.3 bedoelde maximale termijn van acht maanden is verstreken. In totaal zijn er bijna vijftien maanden verstreken. 5. De klacht is terecht voorgesteld en moet leiden tot strafvermindering. 6. Het tweede middel klaagt dat het hof het preliminaire verweer dat verzoeker ten onrechte niet is opgeroepen voor de laatste zittingsdag in eerste aanleg op grond waarvan het onderzoek in eerste aanleg nietig verklaard had moeten worden en terugverwijzing had moeten plaatsvinden, ten onrechte heeft verworpen, althans dat het hof het verweer ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, althans dat die beslissing onbegrijpelijk is. 7. Uit het proces-verbaal van de op 26 september 2002 gehouden appèlzitting blijkt het volgende: "De raadsman voert hierna aan de hand van een pleitnotitie een preliminair verweer.(...) De conclusie van de raadsman is dat het onderzoek in eerste aanleg nietig is en dat de zaak voor verdere behandeling naar de rechtbank te Amsterdam moet worden verwezen, omdat - kort gezegd - de verdachte in het geheel niet is opgeroepen voor de laatste zittingsdag - 18 juni 2001 - waar dat wel had gemoeten, zodat niet kan worden gezegd dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht het laatste woord te voeren. (...) Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verweer wordt verworpen en wel op de volgende gronden: - Op de terechtzitting van 26 maart 2001 is door de voorzitter van de rechtbank aan de verdachte en zijn raadsman medegedeeld dat het onder ter terechtzitting telkens - overeenkomstig het aan de verdediging verstrekte zittingsrooster - onderbroken zou worden, wegens de uitgebreidheid en de duur daarvan en voor het nemen van rust. Tegen deze mededeling is door de verdachte of de raadsman geen bezwaar gemaakt. De verdediging kon dus weten dat de terechtzittingen niet geschorst, maar telkens onderbroken zouden worden, hetgeen meebracht dat de verdachte niet telkens voor een nieuwe zitting opgeroepen zou dienen te worden. - Er hebben op zichzelf telkens korte onderbrekingen plaatsgevonden, die pasten - gelet op de aard van de zaak en de duur van het onderzoek - binnen het bepaalde van art. 277 van het Wetboek van Strafvordering. - Op de terechtzittingen in eerste aanleg van 26 maart 2001, 4 en 9 april 2001 is verdachte telkens verschenen; op de terechtzitting van 9 april 2001 is het onderzoek onderbroken tot de terechtzitting van 2 mei 2001 en is verdachte aangezegd om op laatstgenoemde terechtzitting te verschijnen. Verdachte is echter op die terechtzitting niet verschenen. Gesteld noch () gebleken [is] dat verdachte niet ter terechtzitting kon verschijnen en wel van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wilde maken. Gelet op zijn heden ter terechtzitting afgelegde verklaring dat hij dacht dat deze zaak met een sisser zou aflopen en dat hij zijn werk belangrijker vond, heeft verdachte kennelijk een belangenafweging gemaakt, waardoor de voor hem openstaande mogelijkheid het procesverloop te volgen door middel van effectuering van zijn aanwezigheidsrecht, klaarblijkelijk niet door hem is benut. Het feit dat de verdachte na 9 april 2001 niet meer op de terechtzittingen van de rechtbank is verschenen en dus geen gebruik heeft gemaakt van het recht het laatst te spreken komt daarom geheel voor zijn rekening, te meer omdat de aan artikel 319 van het Wetboek van Strafvordering te ontlenen verplichting tot oproeping van de verdachte niet behoefde te worden nageleefd, omdat in casu het onderzoek ter terechtzitting niet werd geschorst, doch werd onderbroken. - De vordering tot wijziging van de tenlastelegging is op de terechtzitting van 5 juni 2001 toegelaten. De ratio van het bepaalde in artikel 314, lid 2 van het Wetboek van strafvordering is dat aan de verdachte de gelegenheid wordt gegeven zich op zijn verdediging tegen de gewijzigde tenlastelegging voor te bereiden. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 juni 2001 blijkt dat de betekeningsprocedure reeds op 12 juni 2001 was afgerond, zodat moet worden vastgesteld dat de wijzigingsprocedure naar letter en strekking in acht is genomen. Ook overigens is niet gebleken dat de verdachte onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich voor de zitting van 18 juni 2001 voor te bereiden op zijn verdediging tegen de gewijzigde tenlastelegging." 8. In de toelichting op het middel worden de volgende standpunten ingenomen:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.