Nr. 00389/04 Mr. Fokkens Zitting: 6 juli 2004 Conclusie inzake: [verdachte]
(3)Dat geldt ook voor de laatste opmerking, waarin de raadsman namens de benadeelde partijen verzoekt om een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde het verbod om in de [a-straat] te komen. Daarmee illustreert de raadsman immers de druk die van de belaging is uitgegaan op de slachtoffers, anders zou die vrees er niet zijn.
- Voor het overige valt niet in te zien in welk opzicht verdachte door deze opmerking in zijn verdediging kan zijn geschaad. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt ook niet dat de raadsman van verdachte bezwaar heeft gemaakt tegen de opmerkingen van de advocaat van de benadeelde partijen.
- Tenslotte faalt ook de klacht dat de benadeelde partij niet in de gelegenheid is gesteld om na het requisitoir van de Advocaat-Generaal haar eis toe te lichten. De verdachte is daardoor niet in een rechtens te respecteren belang geschaad, omdat de ratio van de regeling in art. 334, vierde lid, Sv is dat de benadeelde partij de gelegenheid krijgt te reageren op het standpunt van het Openbaar Ministerie omtrent haar vordering, zie HR 30 november 1999, NJ 2000,
- Het middel faalt.
- Nu de middelen falen en ik ook overigens geen gronden om de bestreden uitspraak te vernietigen heb aangetroffen concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden plv. 1 Vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO7066, rov. 3.
- 2 Zie HR 11 januari 1994, NJ 1994, 278, rov. 5.
- 3 Kamerstukken II 1989/1990, 21 345, nr. 3, p. 33.