Nr.02710/03 Mr. Jörg Zitting 31 augustus 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1), naar welke memorie tevens door de steller van het middel wordt verwezen, volgt dat met de wijziging van art. 422 Sv alleen een getuigenverklaring die feitelijk op de terechtzitting in hoger beroep is afgelegd, kan worden aangemerkt als een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 339, eerste lid aanhef en onder 3, Sv j° art. 342, eerste lid, Sv (zie ook S. Jongeling, Trema 2003, p. 420).
- In casu is de verklaring van de getuige [getuige 1] niet op de terechtzitting in hoger beroep afgelegd maar tijdens de terechtzitting in eerste aanleg zodat het hof de verklaring ten onrechte als getuigenverklaring in de zin van art. 339, eerste lid aanhef en onder 3, Sv j° art. 342 Sv voor het bewijs heeft gebruikt.
- Echter, om kans van slagen te hebben moet een cassatiemiddel voldoen aan enige minimumeisen. Een van die eisen is dat verzoeker een redelijk belang moet hebben bij zijn klacht. Dat belang ontbreekt bij fouten en verzuimen waardoor betrokkene niet in zijn belangen is geschaad (zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e, p. 83 en voor een voorbeeld het daar aangehaalde arrest HR 1 mei 1990, NJ 1990, 783).
- Het hof heeft de inhoud van de verklaring van getuige [getuige 1] voor het bewijs willen gebruiken maar die inhoud in de verkeerde vorm gegoten: in de vorm van art. 339, eerste lid aanhef en onder 3, Sv (verklaring van een getuige) in plaats van art. 339, eerste lid aanhef en onder 5, Sv (schriftelijk bescheid). Echter, in mijn opinie is verzoeker door deze fout niet in zijn belangen geschaad aangezien de motivering van de bewezenverklaring hierdoor in geen enkel opzicht wordt aangetast.
- Voor het gebruik van het bewijsmiddel van art. 339, eerste lid aanhef en onder 5, Sv j° art 344, eerste lid aanhef en onder 2, Sv (processen-verbaal en andere geschriften, in den wettelijken vorm opgemaakt door colleges en personen, die daartoe bevoegd zijn, en behelzende hunne mededeeling van feiten en omstandigheden, door hen zelf waar genomen of ondervonden) gelden geen bijzondere motiveringsregels noch andere regels dan voor het gebruik van het bewijsmiddel van art. 339, eerste lid aanhef en onder 3, Sv jo. art. 342 Sv (verklaring van een getuige). Ook zijn er anderszins geen bewijsrechtelijke regels met betrekking tot het gebruik van bovengenoemde bewijsmiddelen