Nr. 00535/04 Mr Jörg Zitting 31 augustus 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1)Dat de getuige [getuige 1] verklaart omtrent wat hij van een door hem "[betrokkene 1]" genoemde persoon heeft gehoord is de essentie van een de auditu-verklaring. De bijzonderheid is wel dat de door hem genoemde [betrokkene 1] niet traceerbaar bleek omdat [getuige 1] niet bereid was de echte naam van [betrokkene 1] te noemen. In zoverre is in de keten van zegslieden een onverifieerbaar element binnengeslopen en vertoont de zaak enige gelijkenis met die van een getuige wiens identiteit niet blijkt. Technisch gesproken betreft het evenwel niet de in art. 344, derde lid, Sv bedoelde verklaring, en zal op andere wijze de onverifieerbaarheid van de overgebrachte verklaring van de originele zegsman moeten worden gecompenseerd. Het hof deed dit door de verklaring met de nodige behoedzaamheid te hanteren. Daarbij lette het hof met name op de ondersteuning van die verklaring door de inhoud van de overige bewijsmiddelen.
- Dat lijkt mij de juiste compensatie. Consequentie is dat zo'n verklaring niet heel veel nieuwe elementen kan bevatten, die niet door andere bewijsmiddelen worden gedekt. In de onderhavige zaak wordt de door '[betrokkene 1]' weergegeven gang van zaken bij de mensensmokkel geheel gedekt door de andere bewijsmiddelen, waarbij de gedetailleerde weergave van de persoonsverwisseling op Schiphol treffend is. Ten aanzien van verzoeker - die volgens '[betrokkene 1]' de leider was, er toen niet was omdat de smokkel was gestaakt en in Portugal zat - wordt de overgebrachte verklaring van '[betrokkene 1]' ondersteund door bewijsmiddelen 9 en 14, zij het dat verzoeker daarin niet expliciet als leider wordt aangemerkt. Dat hij een coördinerende rol bovenin de organisatie heeft gehad - zoals het hof bij de straftoemeting overweegt - blijkt evenwel ook uit andere bewijsmiddelen, en in zoverre wordt zijn beweerde leiderschap ook ondersteund. Het oordeel van het hof getuigt mijns inziens niet van een verkeerde rechtsopvatting.
- Het middel faalt.
- Het vijfde middel klaagt dat strafmotivering onvoldoende met redenen is omkleed, althans in licht van de bewijsmiddelen onbegrijpelijk is.
- Het hof heeft voor de opgelegde straf in het verkorte arrest onder meer de volgende motivering gebruikt: "Uit de bewijsmiddelen vloeit voort dat de verdachte in deze - aldus geraffineerde wijze opererende - organisatie geen direct werkzaam aandeel heeft gehad in de feitelijke uitvoering van de misdrijven waar het oogmerk van de organisatie op was gericht, maar dat hij een meer coördinerende rol bovenin de organisatie heeft verricht. Het hof is van oordeel dat de rol van de verdachte in de organisatie daarmee belangrijker is geweest dan van de feitelijke uitvoerders en dat dit hem derhalve zwaarder dient te worden aangerekend. De omstandigheid dat verdachte moet worden vrijgesproken van de concrete gevallen van mensensmokkel doet het hof daarom ook minder zwaar meewegen bij de strafoplegging dan de rechtbank klaarblijkelijk heeft gedaan."
- Anders dan de steller van het middel meent kon het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen wel degelijk afleiden dat verzoeker een meer coördinerende rol in de organisatie had. Ik wijs bijvoorbeeld op het eerste bewijsmiddel waarin verzoeker zelf verklaart een soort plaatsvervanger van zijn broer te zijn in de belwinkel wanneer zijn broer er niet was. In het elfde bewijsmiddel verklaart de broer van verzoeker dat verzoeker ook in de belwinkel werkte en hem verving toen hij in Pakistan was. Uit onderzoek van telecommunicatie blijkt dat verzoeker contacten onderhield met andere leden van de organisatie waarmee ook zijn broer in contact stond (bewijsmiddelen 4 en 6). In het negende bewijsmiddel omschrijft een getuige hoe hij benaderd werd om zijn bankrekening te laten gebruiken voor stortingen die contant aan de broer van verzoeker moesten worden gegeven als de gesmokkelde personen veilig in Canada waren aangekomen. Ook de naam van verzoeker wordt hierbij - vrijwel in één adem met zijn broer - genoemd.
- Het middel faalt.
- Het zesde middel klaagt dat het hof heeft nagelaten een beslissing te nemen ten aanzien van de 57 oranje Fiertel simkaarten die staan vermeld op de aan het arrest gehechte beslaglijst onder nummer
- Op de laatste pagina van het verkorte arrest worden de beslissingen genomen over de inbeslaggenomen voorwerpen. Zoals het middel terecht opmerkt, heeft het hof geen beslissing genomen over de 57 simkaarten die op de beslaglijst staan vermeld onder nummer
- Uw Raad kan deze 57 simkaarten conform art. 353, tweede lid, onder a, Sv teruggeven aan verzoeker onder wie de kaarten in beslag genomen zijn.
- Het middel is terecht voorgesteld.
- Het zevende middel klaagt dat het hof de telefoon van het merk Noria die als nummer 4 op de beslaglijst staat vermeld ten onrechte verbeurd heeft verklaard.
- Het hof heeft in het verkorte arrest, onder het kopje 'verbeurdverklaring' geoordeeld dat: "De inbeslaggenomen voorwerpen vermeld op de aan dit verkort arrest gehechte beslaglijst onder 4, 9, 17, 42 en 43, die aan de verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen is begaan of voorbereid."
- In de toelichting wordt aangevoerd dat noch uit de bewijsmiddelen noch uit andere omstandigheden die door het hof worden genoemd dan wel uit de stukken blijken, aannemelijk wordt dat het bewezen verklaarde feit met behulp van de verbeurdverklaarde telefoon is begaan of voorbereid.
- Het hof heeft kennelijk de telefoon en de simkaart en de andere verbeurdverklaarde voorwerpen als een gezamenlijkheid van voorwerpen beschouwd. Gelet op het feit dat de belwinkel een belangrijke schakel was bij de mensensmokkel, en verzoeker en zijn mededaders onderling veel mobiel belden, getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk. Dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt of en wanneer in het kader van de mensensmokkel met deze telefoon is gebeld, is niet relevant.
- Het middel faalt.
- Het zesde middel slaagt. De overige middelen, behoudens het vierde, kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest, maar slecht voor zover daarin geen beslissing over de inbeslaggenomen simkaarten is genomen en tot teruggave daarvan aan verzoeker, en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 20 december 1926, NJ 1927, 85.