Nr. 01005/04 P Mr. Vellinga Zitting: 5 oktober 2004 Conclusie inzake: [verdachte=betrokkene]
(1)als volgt verworpen: "5.6 Ook het beroep op de schending van de onschuld presumptie wordt verworpen, nu de verdediging miskent, dat het hier betreft behandeling van een vordering genoemd in artikel 36 e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht."
- In zijn arrest van 1 april 2003, NJ 2003, 497, m.nt. Sch overwoog de Hoge Raad: "3.
- De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 mei 2001, NJ 2001, 575 het volgende overwogen: - De in art. 36e Sr en in titel IIIb van het vierde boek van het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreft de oplegging van een maatregel, te weten de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit. Het gaat hier niet om een straf, maar om een maatregel die strekt tot het ongedaan maken van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat de oplegging van die maatregel een plaats heeft gekregen in een strafrechtelijke procedure doet aan het bijzondere karakter van die maatregel niet af. - Dat bijzondere karakter komt ook tot uitdrukking in de eisen die aan de oplegging ervan worden gesteld. Die eisen zijn minder streng dan de eisen die bij strafoplegging moeten zijn vervuld. Zo zijn de in strafzaken geldende bewijsvoorschriften niet in volle omvang van toepassing. Dat heeft tot gevolg dat in een tenlastelegging opgenomen feiten die tot een vrijspraak hebben geleid, toch ten grondslag kunnen worden gelegd aan oplegging van zo'n maatregel. De rechter dient ook in een dergelijk geval vast te stellen ofwel dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan, ofwel dat aannemelijk is dat de in art. 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft gekregen. Aan een dergelijke vaststelling gaat de in de art. 511b e.v. Sv geregelde procedure vooraf. Daarmee is gewaarborgd dat de rechter die over een tot ontneming strekkende vordering van het openbaar ministerie heeft te beslissen, dit niet doet dan nadat hij heeft onderzocht of en heeft vastgesteld dat de wettelijke voorwaarden, dus onder meer of er aanwijzingen in de zin van het tweede lid zijn dan wel er aannemelijkheid in de zin van het derde lid is, zijn vervuld. - Het vorenstaande brengt mee dat de omstandigheid dat de verdachte van bepaalde feiten is vrijgesproken er niet zonder meer aan in de weg staat dat die feiten in het kader van de ontnemingsprocedure als "soortgelijke feiten" of "feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd" als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr in aanmerking worden genomen. 3.
- De Hoge Raad voegt daaraan nog toe dat een en ander niet onverenigbaar is met art. 6, tweede lid, EVRM, aangezien in de in art. 511b e.v. Sv geregelde procedure aan de betrokkene de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen, waartoe mede behoort de gelegenheid aan te (doen) voeren dat en waarom er onvoldoende aanwijzingen bestaan dat de in art. 36e, tweede lid, Sr bedoelde soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, door de betrokkene zijn begaan, ofwel niet aannemelijk is dat de in art. 36e, derde lid, Sr bedoelde andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dat de procedure naar aanleiding van een vordering als bedoeld in art. 36e, eerste en/of derde lid, Sr blijkens art. 311, eerste lid, laatste volzin, Sv moet worden opgevat als een afzonderlijk onderdeel dan wel voortzetting van dezelfde vervolging die kan leiden tot veroordeling tot straf (vgl. HR 5 december 1995, NJ 1996, 411), noopt niet tot een ander oordeel."
- Daar voeg ik nog aan toe dat de rechter zich in het onderhavige geval - anders dan in een geval van vrijspraak - niet eerder over de schuld van de veroordeelde heeft uitgelaten en dat de veroordeelde de gelegenheid heeft gehad zich tegen de beschuldiging te verdedigen. Overigens impliceert de oplegging van een ontnemingsmaatregel op de voet van art. 36e lid 3 Sr niet dat degene aan wie zo'n maatregel wordt opgelegd zich aan andere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt dan die waarvoor hij eerder is veroordeeld ook al vormt de veroordeling voor die strafbare feiten de basis voor oplegging van de maatregel.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte dan wel op ontoereikende gronden heeft afgewezen het van de zijde van de veroordeelde gedane verzoek een aantal met name genoemde getuigen te horen hetgeen betekent dat de veroordeelde geen eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM heeft gehad.
- Het in het middel bedoelde verzoek is opgenomen in de conclusie van antwoord onder 9 en luidt: "Op verzoek van veroordeelde verzoekt de verdediging indien u van mening bent dat op hem enige bewijslast mocht rusten om aan te tonen dat de gelden niet afkomstig zijn van misdrijven begaan na maart 1993 in dat kader hem de gelegenheid te stellen de navolgende personen te doen horen onder ede, zodat deze kunnen bevestigen dat reeds voor 1993 [betrokkene] bekend stond als een vermogend man. Dat daarvoor zeker grond is volgt al uit het feit dat het zogenaamde tin transport dateert van 21 november
- Daarvoor zijn er al aanzienlijke bedragen naar onder meer België en Zwitserland en de Nederlandse Antillen gebracht."
- De bestreden uitspraak houdt dienaangaande onder
- 9 in: "Aan dit verweer gaat het hof voorbij nu de navolgende beslissing niet wordt gebaseerd op de methode van vermogensvergelijking. De veroordeelde wordt daardoor niet in zijn verdedigingsbelang geschaad."
- Het oordeel van het Hof moet aldus worden begrepen dat het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel (zoals overigens ook volgt uit bijlage E van het arrest; WHV) niet heeft bepaald aan de hand van de methode van de vermogensvergelijking, en dat het dus niet relevant is over hoeveel vermogen de veroordeelde reeds beschikt voordat het zgn. tintransport werd uitgevoerd. Hierin ligt als oordeel van het Hof besloten dat het verhoor van de verzochte getuigen op de terechtzitting niet noodzakelijk is. Dit oordeel geeft blijk van hantering van de juiste maatstaf, is niet onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Daarbij teken ik aan dat het verzoek weliswaar vóór de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting is gedaan doch niet aan het Openbaar Ministerie zodat de maatstaf van art. 315 Sv en niet de maatstaf van art. 288 lid 1, aanhef en onder c, Sv van toepassing is.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Het zesde middel klaagt dat het Hof ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd aannemelijk heeft geoordeeld dat de op de rekeningen van diverse rechtspersonen gestorte bedragen voordeel behelzen dat door de veroordeelde wederrechtelijk is genoten.
- In de toelichting op het middel wordt een beroep gedaan op HR 8 mei 2001, NJ 2001, 507 (m.nt. YB), in het bijzonder voor zover daarin wordt overwogen: "3.
- Het oordeel van het Hof komt erop neer dat niet aannemelijk is geworden dat het beweerdelijk door de B.V. wederrechtelijk verkregen voordeel direct of indirect heeft gestrekt ten voordele van de betrokkene en dat de enkele door het Openbaar Ministerie gestelde omstandigheid dat de betrokkene (nagenoeg) enig aandeelhouder en directeur van die B.V. was, niet meebrengt dat dat beweerdelijke voordeel heeft te gelden als voordeel dat door de betrokkene is verkregen. Een en ander geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Daarvan uitgaande heeft het Hof de vordering terecht afgewezen."
- De bestreden uitspraak bevat als de in bijlage E opgenomen berekening van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel: "§ 3.3.1.2 Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel door [betrokkene] in de periode 21 november 1994 tot en met 27 oktober
- Binnen de periode 21 november 1994 tot en met 27 oktober 1995, is de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de navolgende feiten: - de contante stortingen op de diverse bankrekeningen in Zwitserland, waarvan is gerelateerd in § 4.3 van het proces-verbaal (Zaak 10 pag.
- e.v.), inzake de criminele organisatie en waarvan is vastgesteld dat deze uiteindelijk ter beschikking van [betrokkene] zijn gekomen, danwel bij direct aan hem gerelateerde bedrijven te Zwitserland ([C] GmbH) en op Curaçao ([B] NV), alsmede de contante stortingen op de privé-rekening van [betrokkene] zelf; - het inbeslaggenomen "Grootboek", waarover in § 4.3 van het proces-verbaal (Zaak 10 pag. 66) is gerelateerd, alsmede in het proces-verbaal (Zaak 3), inzake de invoer van een partij cocaïne onder dekking van een lading tin.; AH/1008 - het gerelateerd in het, in de marge genoemde, proces-verbaal betreffende de uitboeking van fl. 2.500.000,- uit het "Grootboek" en het overbrengen hiervan naar Curaçao door [betrokkene]; AH/1009 - het gerelateerde in het, in de marge genoemde, proces-verbaal betreffende de uitboeking van fl. 500.000,- uit het "Grootboek" en het storten hiervan op de rekening van [betrokkene] in België Het gegenereerde wederrechtelijk vermogen in bovengenoemde periode is als volgt berekend: 1) Tussen 31 januari 1995 en 20 april 1995 werden vanaf de rekening van [A] GmbH bedragen overgemaakt, waarvan is vastgesteld dat deze waren gestort op de rekening van [B] NV. Dit was in totaal: Fl. 468.500,- 2) Op 24 januari 1995 en 2 februari 1995 werden op de privé- rekening van [betrokkene] bij de [G] (Bankverein; WHV) te Zwitserland, contante bedragen gestort van in totaal:Fl. 1.500.000,- 3) Tussen 6 december 1994 en 18 april 1995 werden vanaf de rekening van [D] GmbH bedragen overgemaakt, waarvan is vastgesteld dat deze waren gestort op de rekening van [B] NV. Dit was in totaal: Fl. 1.144.000,- 4) Het geld dat contant werd overgebracht naar Curaçao door [betrokkene];`Fl 2.500.000,- 5) Het geld dat werd gestort op de rekening van [betrokkene] in België;Fl. 500.000,- 6) Tussen 3 maart 1995 en 17 mei 1995 werd viermaal een contante storting gedaan op de bankrekening van het bedrijf [C] GmbH van in totaal: Fl. 2.430.000,- 7) Uit het inbeslaggenomen "Grootboek" werden bedragen uitgeboekt, welke qua omschrijving, aan [betrokkene] zijn toe te schrijven. Dit betreffen: - op pagina 5 van het "Grootboek", fl. 25.000,- met de aanduidingen "opa'; - op pagina 10 van het "Grootboek", fl. 55.000,- en fl. 33.000,- met de aanduiding "[betrokkene]". In totaal een bedrag van: Fl. 113.000,- (sub-totaal) Fl. 8.655.500,- 8) Tussen 31 december 1994 tot en met 1 juni 1995 werden vanaf de rekening van [B] NV bedragen overgemaakt naar de bankrekening van [E] v.o.f.. voornamelijk onder de noemer "Management vergoedingen", van in totaal:(af) Fl. 102.495,- Het totaal gegenereerd wederrechtelijk vermogen van [betrokkene] in de periode van 21 november 1994 tot en met 27 oktober 1995, bedroeg derhalve: (totaal) Fl. 8.553.005,-"
- De gebezigde bewijsmiddelen houden in dat de veroordeelde 6000 aandelen nominaal waard $ 1,-- bezit in [B] N.V., dat ene [persoon 6] stelt rekening en verantwoording voor financieel handelen ten opzichte van [B] N.V. te hebben afgelegd tegenover de veroordeelde, en dat een zekere [persoon 5], die de aandelen van [B] omstreeks januari/februari 1994 voor de veroordeelde heeft gekocht, door tussen komst van [F] volledig bevoegd is [B] te vertegenwoordigen.
- Reeds omdat uit de bewijsmiddelen niet valt op te maken of de veroordeelde enig aandeelhouder van [B] N.V. is valt uit de bewijsmiddelen niet af te leiden dat de bedragen die op de rekening van [B] N.V. worden gestort (de hiervoor opgesomde posten onder 1 en 3) zoals het Hof heeft aangenomen geheel ten goede zijn gekomen aan de veroordeelde. Bovendien bevatten de bewijsmiddelen geen aanwijzing dat de door andere rechtspersonen op de rekening van [B] N.V. gestorte bedragen langs enige weg aan het plegen van strafbare feiten ontsproten voordeel behelzen. Post 5 betreft het storten van bedragen op de rekening van een rechtspersoon waarvan uit de bewijsmiddelen niet blijkt welke bemoeienis de veroordeelde daarmee had en evenmin of die bedragen door strafbare feiten verkregen voordeel betreffen. Kennelijk heeft het Hof zich met stilzwijgend voorbijgaan aan het verweer van de veroordeelde, geheel verlaten op het oordeel van de opsporingsambtenaren die het strafrechtelijk financieel onderzoek hebben verricht. Daardoor heeft het Hof in mijn ogen onvoldoende recht gedaan aan de taak die de wetgever het Hof in art. 511f Sv heeft toegedeeld.
- Het middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Opgenomen onder nummer 6 in de conclusie van antwoord van 19 juli 2001.