Nr. 00847/04 Mr. Vellinga Zitting: 5 oktober 2004 Conclusie inzake: [verdachte]
(1). Het ging daar eveneens om een smokkel van sigaretten vanuit Rusland, waarbij aan geen enkele douaneverplichting was voldaan en de sigaretten in Nederland werden aangetroffen. Omwille van de duidelijkheid geef ik de relevante overwegingen van de Hoge Raad in zijn geheel weer: "3.4. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van de Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PbEG 1992 L 76 zoals nadien gewijzigd; hierna: de Richtlijn) en van de Wet op de accijns van belang: (
- i)Artikel 3, eerste lid, van de Richtlijn: "1. Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende produkten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen: (...) - tabaksfabrikaten." (
- ii)Artikel 5, eerste lid, van de Richtlijn: "1. De in artikel 3, lid 1, genoemde produkten worden aan accijns onderworpen bij de produktie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied. Als "invoer van een accijnsprodukt" wordt beschouwd, de binnenkomst van dat produkt in de Gemeenschap, met inbegrip van de binnenkomst uit een gebied bedoeld in de uitzonderingen van artikel 2, leden 1, 2 en 3, of uit de Kanaaleilanden. (...)" (iii) Artikel 6 van de Richtlijn: "1. De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 12, lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen. Als uitslag tot verbruik van accijnsprodukten wordt beschouwd: (...)
- c)elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze produkten, wanneer deze producten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst. 2. De voorwaarden voor verschuldigdheid en het toe te passen accijnstarief zijn die welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de Lid-Staat waar de uitslag tot verbruik of het constateren van tekorten plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geïnd op de door elke Lid-Staat vastgestelde wijze, waarbij de Lid-Staten dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale produkten en op produkten uit andere Lidstaten." (
- iv)Artikel 1 Wet op de accijns: "1. Onder de naam accijns wordt een belasting geheven van: (...) f. tabaksproducten. 2. De accijns wordt verschuldigd ter zake van de uitslag en van de invoer van de in het eerste lid bedoelde goederen." (
- v)Artikel 2f Wet op de accijns: "Als uitslag wordt mede aangemerkt het in strijd met artikel 5 (...) voorhanden hebben van een accijnsgoed dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken." (
- vi)Artikel 5 Wet op de accijns: "1. Het is niet toegestaan: (...) b. een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken. (...)" 3.5. In zijn arrest van 5 april 2001 in zaak C-325/99, Jur EG 2001 blz. I-2729 (Van de Water), heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (verder: Hof van Justitie) onder meer overwogen: "34. Zoals de Nederlandse regering en de Commissie hebben opgemerkt, volgt uit de opzet van de richtlijn en uit de bepalingen daarvan betreffende de definitie en de werking van de belastingentrepots en de schorsingsregeling, (...) dat een accijnsgoed dat buiten een schorsingsregeling voorhanden wordt gehouden, noodzakelijkerwijs ooit, op welke wijze dan ook, is uitgeslagen tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1. 35. Ingevolge artikel 6, lid 1 van de richtlijn worden als uitslag tot verbruik beschouwd, niet alleen iedere fabricage en invoer van accijnsproducten buiten een schorsingsregeling, maar eveneens iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling. Door een dergelijke "onttrekking" gelijk te stellen met uitslag tot verbruik in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn, heeft de gemeenschapswetgever duidelijk gemaakt dat alle productie, verwerking, voorhanden hebben of verkeer buiten een schorsingsregeling, leidt tot verschuldigdheid van de accijns." In dat arrest heeft het Hof van Justitie voor recht verklaard: "Artikel 6, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 94/74/EG van de Raad van 22 december 1994, moet aldus worden uitgelegd, dat het enkele voorhanden hebben van een accijnsproduct in de zin van artikel 3, lid 1, van die richtlijn uitslag tot verbruik is, wanneer over dat product nog geen accijns is voldaan overeenkomstig de geldende communautaire bepalingen en nationale wetgeving." 3.6. Blijkens de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen moet in cassatie het volgende als vaststaand worden aangenomen: (
- i)door de verdachte en zijn mededaders zijn grote partijen ongebanderolleerde sigaretten betrokken vanuit Rusland en telkens per vrachtwagen, verstopt in de deklading, zonder onder een communautaire douaneregeling te zijn geplaatst via Duitsland de Europese Unie binnengevoerd; (
- ii)die sigaretten zijn in Nederland aangetroffen op de plaatsen en in de hoeveelheden als onder 2 bewezenverklaard. 3.7.1. Hiervan uitgaande, alsmede gelet op vorenweergegeven bepalingen uit de Richtlijn en de Wet op de accijns, geeft het oordeel van het Hof dat de sigaretten op de voet van art. 1, tweede lid, Wet op de accijns in samenhang met de art. 2f en 5, eerste lid, van die Wet ter zake van de uitslag van die goederen aan accijns onderworpen zijn nu de verdachte de sigaretten, zonder dat zij overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing waren betrokken, in Nederland voorhanden had, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk." 10. Gelet op het voorgaande heeft het Hof het gevoerde verweer terecht verworpen, wat er ook zij van de daarvoor gegeven motivering. Het bewezenverklaarde kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. 11. Het eerste middel faalt. 12. Het tweede middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen. 13. Het Hof heeft in de strafmotivering met betrekking tot bedoeld verweer het volgende overwogen: "De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering, mede waar een aanzienlijk geldbedrag als borgsom door de verdachte was gestort bij schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Het Hof stelt vast dat sedert het instellen van hoger beroep op 6 februari 2002 tot aan de datum van deze uitspraak op 26 november 2003 ongeveer 21 maanden zijn verstreken. Dit tijdsverloop is, mede gelet op de omvang van de zaak een de ingewikkeldheid daarvan, niet zodanig dat de redelijke termijn in de zin van evengemelde verdragsbepaling is overschreden, zodat geen aanleiding bestaat met dit tijdsverloop bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden." 14. De steller van het middel voert aan dat het Hof ten onrechte niet is uitgegaan van een termijn van zestien maanden voor voorlopige gehechten. Onder de daaromtrent door de Hoge Raad in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH gegeven regel zouden volgens de steller van het middel alle gevallen moeten worden begrepen waarin een bevel tot voorlopige hechtenis is gegeven dat nog niet is opgeheven, zoals het onderhavige geval waarin de voorlopige hechtenis van de verdachte onder storting van een waarborgsom is geschorst. 15. Op de vraag of de in HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 m.nt. JdH, rov 3.16, gegeven regel dat in hoger beroep 'indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert' de zaak binnen 16 maanden na het instellen van hoger beroep met een einduitspraak dient te zijn afgerond, alle gevallen van voorlopige hechtenis omvat, dus ook die waarin verdachte zich niet (meer) in voorlopige hechtenis bevindt, is voor zover ik heb kunnen nagaan door de Hoge Raad nog niet beslist. 16. Ik zie geen aanleiding de 16-maandentermijn ook van toepassing te achten op gevallen waarin het bevel tot voorlopige hechtenis nog niet is opgeheven maar de verdachte zich wel in vrijheid bevindt. Het hoeft in mijn ogen geen betoog dat iemand die de uitkomst van zijn strafzaak in gevangenschap moet afwachten door het strafproces veel zwaarder wordt belast dan iemand die de uitkomst daarvan in vrijheid kan afwachten, ook al is hij aan bezwarende schorsingsvoorwaarden gebonden. Kennelijk denkt de wetgever er ook zo over. Ik wijs op het bepaalde in art. 282 Sv, waarin het schorsen van het onderzoek ter terechtzitting alleen aan tijd wordt gebonden in die gevallen waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt. 17. Het tweede middel faalt. 18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Gepubliceerd in Nieuwsbrief Strafrecht 2003, 341. Zie tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel voor HR 25 mei 2004, nr. 02096/03 LJN: AO6440.