Mr. Jörg Nr. 00047/04 E Zitting 22 juni 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] Inhoudsopgave: Middel 1, p. 2-11 Middel 10, p. 54-65 Middel 2, p. 2-11 Middel 11, p. 65-68 Middel 3, p. 11-15 Middel 12, p. 68-70 Middel 4, p. 15-18 Middel 13, p. 70-75 Middel 5, p. 18-21 Middel 14, p. 75-81 Middel 6, p. 21-28 Middel 15, p. 81-83 Middel 7, p. 28-39 Middel 16, p. 83-88 Middel 8, p. 39-54 Middel 17, p. 88-89 Middel 9, p. 54 Middel 18, p. 89
(3)Tot nadere motivering op dit punt was het hof niet gehouden. 18. Het eerste noch het tweede middel treft doel. 19. Het derde tot en met het zesde middel bevatten klachten over de afwijzing door het hof bij tussenarrest van 7 februari 2003 van door de verdediging ter terechtzitting van 24 januari 2003 gedane verzoeken tot het horen van een aantal getuigen. Alvorens de middelen afzonderlijk te bespreken wijd ik enige overwegingen aan het juridische kader waarbinnen het hof op deze verzoeken moest beslissen. 20. De desbetreffende verzoeken zijn door de verdediging niet voorafgaand aan maar op de terechtzitting gedaan. De door het hof aan te leggen maatstaf bij beoordeling van dergelijke ter terechtzitting gedane getuigenverzoeken is ingevolge art. 315 in verbinding met art. 328 Sv, of het hof de noodzaak tot toewijzing is gebleken. 21. Het hof heeft desalniettemin de maatstaf gehanteerd van art. 288, eerste lid, Sv, waarbij afwijzing van verzoeken tot het horen van getuigen slechts mogelijk is indien, voorzover hier van belang, de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Daaraan heeft het hof de volgende in het tussenarrest van 7 februari 2003 opgenomen overwegingen ten grondslag gelegd: "De raadsman heeft verzocht de oproeping van een aantal getuigen te bevelen waarvan de oproeping niet tijdig aan de advocaat-generaal verzocht en door deze geweigerd of verzuimd is. Hier heeft het hof zich de vraag te stellen of het verhoor van deze getuigen noodzakelijk is. Aangezien echter het onderzoek ter terechtzitting hervat zal dienen te worden en de verdediging dus zonder meer de gelegenheid zal hebben de oproeping van getuigen tijdig voor een volgende zitting te vragen, zal het hof de verzoeken om redenen van proceseconomie toetsen aan de in artikel 288 lid 1 Wetboek van Strafvordering gegeven maatstaf." 22. In aanmerking genomen dat aldus door het hof gehanteerde maatstaf voor de verdachte gunstiger is, behoeven aan het toepassen van deze maatstaf in cassatie geen gevolgen te worden verbonden. Hierover wordt in de middelen overigens ook niet geklaagd. 23. Het derde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om de verbalisanten Webbink en De Vries als getuigen ter terechtzitting te horen. 24. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende aangevoerd: "3.4 Jokkende verbalisanten In het proces-verbaal voortzetting onderzoek contra [verdachte] in verband met de vordering gevangenhouding schrijven verbalisanten Webbink en De Vries onder meer dat de verklaringen die in eerste instantie door [verdachte] werden afgelegd als voorbeeld gediend zouden hebben voor de op 20 mei 2000 aangehouden verdachte [medeverdachte]. De door verdachte [verdachte] afgelegde verklaringen werden - zo schrijven verbalisanten - door mr. Plasman als raadsman van verdachte [medeverdachte] weergegeven in televisieprogramma's van de NOS en RTV Oost. Ook hier is - aldus nog steeds de verbalisanten op ambtseed - sprake van een ogenschijnlijk bewuste strategie, waarbij de media worden gebruikt om getuigen, waaronder de werknemers van het bedrijf, te informeren over de essentiële onderwerpen in de verklaringen. Het gaat hier om buitengewoon zware aantijgingen aan het adres van beide raadslieden die onder meer van het tuchtrechtelijk vergrijp worden beschuldigd dat zij in strijd met de opgelegde beperkingen onderling de verklaringen van hun cliënten besproken zouden hebben om vervolgens deze via de media openbaar te maken met de bedoeling het onderzoek te frustreren. Achteraf is gebleken dat deze ambtsedige mededelingen, die dienden om de raadkamer van de noodzaak van het voortduren van de voorlopige hechtenis en de beperkingen te overtuigen, volledig uit de lucht waren gegrepen. In het tussenarrest van 12 november jl. werd overwogen dat dit onderwerp niet meer aan de orde was nu de voorlopige hechtenis van verdachten was geschorst. Een verbijsterende redenering. In deze lijn doorgeredeneerd zou de rechtbank met betrekking tot het onjuist informeren van de zittingsrechter door de zaaksofficieren kunnen overwegen dat ook dit niet meer aan de orde kon zijn omdat naar aanleiding van de nadere processen-verbaal en de nadere mededelingen van de zaaksofficieren duidelijkheid was verkregen. Het afleggen van een meinedige verklaring ter zitting in eerste aanleg door een verbalisant zou geen gevolgen hoeven te hebben wanneer de zaak in hoger beroep weer opnieuw aan de orde wordt gesteld en daar duidelijk was geworden dat niet naar waarheid was verklaard. In een strafproces moet er blindelings op vertrouwd kunnen worden dat processen-verbaal naar waarheid worden opgemaakt; dat is de kurk waar onze strafrechtspleging, met zijn nadruk op de stukken uit het vooronderzoek, op drijft. Onbegrijpelijk is dan ook de overweging dat niet aannemelijk was geworden dat het horen van deze verbalisanten noodzakelijk was met het oog op enige door het Hof te nemen beslissing. Een rechter die van mening is dat het proces-verbaal, opgemaakt op de wijze als de heren Webbink en De Vries meenden te moeten doen, nooit te beschouwen zal zijn als vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv doet afbreuk aan het eminente belang dat aan de waarheidsgetrouwheid van ambtsedige processen-verbaal gehecht moet worden. Verzocht wordt tegen één van de volgende zittingen op te roepen: Herman Jan Webbink, Ben Pieter de Vries, beiden brigadier van Politie Twente, proces-verbaal- en secretariaatscoördinatoren van het RBT.." 25. Het proces-verbaal van 24 januari 2003 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts het volgende in: "De advocaat-generaal verklaart -zakelijk weergegeven-: () 3.4 Jokkende verbalisanten De raadsman stelt dat de verbalisanten het proces-verbaal opzettelijk meinedig hebben opgemaakt om de raadkamer te misleiden. Ik ga ervan uit dat zij dit proces-verbaal naar waarheid hebben opgemaakt op basis van de gegevens die op dat moment bij hen bekend waren. Zonder nadere onderbouwing zie ik geen reden deze verbalisanten op te roepen. () De raadsman van verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-: () 3.4 Jokkende verbalisanten Het is juist dat er in beginsel vertrouwd moet kunnen worden op een proces-verbaal. Daar ben ik het mee eens en daar gaat het mij juist om. Wanneer in een proces-verbaal de raadslieden worden beschuldigd van tuchtrechtelijke vergrijpen en later wordt gesteld dat daar niet van is gebleken, dan wil ik van de verbalisanten horen hoe die vergissing gemaakt kon worden." 26. Het hof heeft bij tussenarrest van 7 februari 2003 als volgt beslist: "De verdediging heeft verzocht de verbalisanten H.J. Webbink en B.P. de Vries te horen omtrent een door hen opgesteld proces-verbaal voor de behandeling van de vordering gevangenhouding van verdachte, In dit proces-verbaal zouden de verbalisanten in strijd met de waarheid hebben gerelateerd dat de raadslieden van de directeuren van SE Fireworks de media gebruikten om andere getuigen te informeren over essentiële onderwerpen in de verklaringen. Uit het dossier blijkt dat de verbalisanten een proces-verbaal hebben opgemaakt, waarin zij voormelde verdenking meldden. In een later proces-verbaal hebben de verbalisanten gerelateerd dat deze verdenking niet juist was. Het feit dat een verdenking achteraf bezien niet juist blijkt te zijn, betekent nog niet dat de verbalisanten welbewust in strijd met de waarheid de "verdenking" in het proces-verbaal hebben opgenomen, teneinde de raadkamer van de rechtbank te misleiden. Nu de verdediging ook anderszins niet aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van deze getuigen van belang kan zijn met het oog op enige door het hof te nemen beslissing zal het hof het verzoek afwijzen. Door deze weigering wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad." 27. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat wanneer gerede twijfel bestaat of verbalisanten naar waarheid hebben geverbaliseerd, de verdediging in de gelegenheid gesteld moet worden te onderzoeken of er bewust niet naar waarheid is geverbaliseerd. 28. Die stelling kan, voorzover met onderzoeken ook bedoeld wordt het horen van getuigen ter terechtzitting, in haar algemeenheid niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat de eerste premisse is dat een dergelijk getuigenverhoor noodzakelijk moet zijn dan wel de verdachte door het achterwege blijven daarvan in zijn verdediging wordt geschaad, dient er behoudens aanwijzingen voor het tegendeel vanuit te worden gegaan dat wanneer blijkt dat door ambtenaren van politie in op ambtseed opgemaakte processen-verbaal onjuistheden zijn opgenomen, zulks niet opzettelijk is geschied. Zulks geldt à fortiori voor het geval slechts gerede twijfel aan de waarheidsgetrouwheid bestaat. Nader onderzoek, zoals in de vorm van het horen van de desbetreffende verbalisanten is dus in beginsel slechts aangewezen bij het bestaan van vorenbedoelde aanwijzingen. Er dienen met andere woorden objectieve feiten of omstandigheden aanwijsbaar te zijn die tot nader onderzoek nopen, en wel andere dan die welke aangeven dat de waarheid anders is dan gerelateerd. In het onderhavige geval heeft het hof geen aanwijzingen gezien die grond boden aan de aan het verzoek van de raadsman ten grondslag liggende veronderstelling dat de verbalisanten bewust onjuistheden in het door hen opgemaakte proces-verbaal zouden hebben opgenomen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat in het gewraakte proces-verbaal slechts sprake was van het weergeven van een vermoeden, terwijl in een later proces-verbaal van dezelfde verbalisanten expliciet is aangegeven dat dit vermoeden onjuist is gebleken. Mitsdien is ook 's hofs oordeel dat verzoeker niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet bieden van de gelegenheid om de getuigen te horen over de vraag hoe - in de woorden van de raadsman - de vergissing gemaakt kon worden, niet onbegrijpelijk. 29. Het derde middel faalt. 30. Het vierde middel klaagt over de afwijzing van het ter terechtzitting van 24 januari 2003 gedane verzoek een viertal getuigen te horen in verband met het ontstaan van de brand. 31. Het proces-verbaal van 24 januari 2003 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: "De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota punt 3 tot en met 3.6, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht en voegt daaraan toe -zakelijk weergegeven-: () Ik heb, door het parallel behandelen van de zaken van [verdachte] en [medeverdachte] met die van [betrokkene 1], me niet aan de indruk kunnen onttrekken dat het hof de oorzaak van de brand niet los wilde koppelen van het verwijt dat aan [verdachte] wordt gemaakt. Ik ben het daarmee eens en derhalve vind ik het van belang [betrokkene 1] te horen. De verslaglegging van de rechercheurs Paalman en De Roy van Zuydewijn dient bij de beschouwingen betrokken te worden. Ik verwijs daarbij in het bijzonder naar de verklaring van [betrokkene 2] die door de rechtbank voor het bewijs is gebruikt, de wijze van verhoren van [betrokkene 3] en het feit dat er geen suggestie gedaan wordt voor andere verdachten van de brandstichting. () Ik verzoek u de rechercheurs Paalman en De Roy van Zuydewijn, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te horen, nu naar mijn mening het eerste vlammetje wel van belang is voor de zaak van mijn cliënt. () De advocaat-generaal verklaart -zakelijk weergegeven-: () De verzoeken om getuigen te horen met betrekking tot het 'eerste vlammetje' dienen naar mijn mening afgewezen te worden. Ik ben er niet op tegen dat [betrokkene 1] en de rechercheurs Paalman en De Roy van Zuydewijn worden gehoord, maar dat zal geen toegevoegde waarde hebben. In mei 2002 heb ik een brief van de heren ontvangen, waarin ze kritiek leverden op de gang van zaken tijdens het onderzoek. Naar aanleiding van dit stuk heb ik een brief gestuurd met een reactie waarin ik bijna alle kritiekpunten heb kunnen weerleggen. De advocaat-generaal legt op verzoek van de voorzitter de genoemde stukken over aan de raadsman en het hof. Ook het verzoek om [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te horen dient afgewezen te worden, nu zij niet nader kunnen verklaren over hetgeen aan verdachte telastegelegd is." 32. Het hof heeft bij tussenarrest van 7 februari 2003 als volgt beslist: "De verdediging heeft verzocht verschillende getuigen te horen die mogelijk zouden kunnen verklaren over het ontstaan van de brand die uiteindelijk heeft geleid tot de ramp in Enschede op 13 mei 2000. Zo het horen van deze getuigen niet van belang zou zijn voor het vaststellen van de feiten, dan zouden de verklaringen van deze getuigen in ieder geval van belang kunnen zijn voor de bepaling van de hoogte van de straf, aldus de verdediging. Het is op zich juist dat de ramp aanleiding heeft gegeven tot het onderzoek naar alle telastegelegde feiten. Onder de aan verdachte telastegelegde feiten is er slechts één waarbij de ramp in de telastelegging een rol speelt en dat is feit 4 van de telastelegging. Voor het overige gaat de telastelegging over diverse vergrijpen tegen de milieuwetgeving, in het bijzonder het niet in acht nemen van veiligheidsvoorschriften, die zijn telastegelegd zonder dat daarbij enig verband met de ramp wordt gelegd. Dat verband komt wel aan de orde in feit 4. Daar wordt verdachte, kort weergegeven, telastegelegd dat het aan de wijze van bedrijfsvoering en daarmee aan de medeschuld van SE Fireworks te wijten is dat een brand, toen die eenmaal was ontstaan, zich zo heeft kunnen ontwikkelen en/of uitbreiden dat een of meer explosies en/of branden zijn ontstaan met fatale gevolgen. Verdachte wordt voor de wijze van bedrijfsvoering als opdrachtgever of feitelijk leidinggever verantwoordelijk gesteld. Het op enige wijze ontstaan van de eerste brand (en dat impliceert noodzakelijkerwijze ook enige verbreiding daarvan) wordt aan SE Fireworks en verdachte niet verweten. Het hof kan voorshands dan ook niet inzien hoe het belang van de verdediging, ook op het punt van straftoemeting, kan zijn gediend met meer duidelijkheid over die aan hem niet verweten voorgeschiedenis. Dat zal hierna leiden tot afwijzing van een aantal verzoeken tot het horen van getuigen. De raadsman heeft verzocht de getuigen A de Vries, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] te horen. Uit de toelichting op deze verzoeken blijkt dat de raadsman deze getuigen alleen wenst te horen over het ontstaan van de brand. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof het verzoek tot het horen van voormelde getuigen afwijzen, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad. () Het hof zal het verzoek tot het horen van de getuigen J.H. Paalman en C.E.A. de Roy van Zuydewijn toewijzen." 33. In de toelichting op het middel wordt de afwijzing van de verzoeken [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als getuigen te horen onbegrijpelijk genoemd. Daartoe wordt aangevoerd dat het ontstaan van de brand en de eerste verspreiding daarvan wel degelijk van belang is in verband met de vraag in hoeverre de gevolgen aan verzoeker kunnen worden toegerekend. 34. Het verweer en het middel berusten op de onuitgesproken vooronderstelling dat het ontstaan van de brand door moedwil dan wel misverstand iets zou kunnen toe- of afdoen aan de geheel daarvan onafhankelijke vraag wat verzoeker aan risicobeperking heeft nagelaten. Dit verband is terecht door het hof niet gelegd. Zelfs in geval van een calamiteit waarmee men redelijkerwijs geen rekening behoeft te houden (zoals het neerstorten van een vliegtuig) bestaat er aanleiding zich af te vragen waarom dat ongeluk ernstiger gevolgen heeft dan nodig was indien een ieder zich aan de voorschriften gehouden had. Fouten van anderen staan aan het aannemen van causaliteit wegens eigen gebreken niet in de weg, evenmin als zij het aannemen van schuld verhinderen. In de straftoemeting kan de medeschuld van anderen wel worden verdisconteerd - hetgeen het hof ook inderdaad heeft gedaan. Daarbij gaat het om medeschuld aan het bewezenverklaarde. In dit geval niet het doen ontstaan van de brand maar het doen bestaan van een zo gevaarlijke situatie op he terrein van SE Fireworks dat, toen eenmaal brand was ontstaan, deze kon leiden tot de rampzalige afloop. 35. Het oordeel van het hof geeft derhalve naar mijn inzicht geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 36. Het middel faalt. 37. Het vijfde middel klaagt over de afwijzing van het ter terechtzitting van 24 januari 2003 gedane verzoek om J. Mans, burgemeester van Enschede, als getuige te horen. 38. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: "3.5 'In naam van de burgemeester' Tenslotte wordt verzocht om het horen van burgemeester J. Mans, in wiens naam de in deze zaak aan de orde zijnde vergunningen werden verleend en uitgebreid. De heer Mans is in deze strafzaak één keer zeer omzichtig door het team gehoord. Hij is ook gehoord door de COV, maar heeft niet toegestemd in openbaarmaking van het gespreksverslag. Ik zou de heer Mans onder andere vragen willen stellen naar aanleiding van de stelling van de officier van justitie in verband met de vervolgingsbeslissingen dat de gemeenteambtenaren [betrokkene 6] en [getuige 18] met hun wijze van optreden (of liever gezegd: niet optreden) binnen de door de gemeente gestelde kaders zijn gebleven. Ook in verband met de eventueel op te leggen straf kan het verhoor van deze getuige van belang zijn. Zo overwoog de rechtbank dat de gemeente verkeerde prioriteiten heeft gelegd door haar beperkte beschikbare menskracht veel te veel in te zetten op nieuwe prestigeprojecten in plaats van de nodige aandacht te schenken aan de handhaving en controle van bestaande zaken. Daarnaast heeft de gemeente - aldus nog steeds de rechtbank in haar strafmotivering - kennelijk uit angst voor het moeten betalen van hoge vergoedingen in geval van verhuizing van SE Fireworks, uit veiligheidsoogpunt volstrekt onacceptabele situaties in het leven geroepen door iets te vergunnen dat in wezen nooit vergund had mogen worden. Verzocht wordt daarom tegen één van de volgende zittingen op te roepen als getuige: Jan Mans, Burgemeester van Enschede." 39. Het proces-verbaal van 24 januari 2003 houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, voorts het volgende in: "De raadsman voert het woord overeenkomstig zijn pleitnota punt 3 tot en met 3.6, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht en voegt daaraan toe -zakelijk weergegeven-: () 3.5 'In naam van de burgemeester' De heer Mans heeft verklaard dat hij niet wist van het bestaan van SE Fireworks. Hij is echter een aantal malen aanwezig geweest op evenementen waar SE Fireworks het vuurwerk verzorgde en waar de medewerkers in bedrijfskleding rondliepen. Hij moet wel iets aan zijn ogen gehad hebben om niet te zien dat er een vuurwerkbedrijf was in Enschede. () De advocaat-generaal verklaart -zakelijk weergegeven-: () 3.5 'In naam van de burgemeester' Ik kijk er niet van op dat de burgemeester SE Fireworks niet kent, ook al heeft hij een aantal evenementen bezocht waar SE Fireworks het vuurwerk verzorgde. Het horen van deze getuige kan geen invloed op de strafmaat hebben en het is dan ook naar mijn mening niet noodzakelijk deze getuige te horen." 40. Het hof heeft bij tussenarrest van 7 februari 2003 als volgt beslist: "De verdediging heeft verzocht J. Mans, burgemeester van Enschede, te horen over het niet vervolgen van de ambtenaren [betrokkene 6] en [getuige 18] omdat hun optreden volgens de officier van justitie binnen de gemeentelijke kaders zou zijn gebleven. Nu het onderwerp waarover de verdediging deze getuige() wenst te horen niet van belang kan zijn met het oog op enige door het hof te nemen beslissing, zal het verzoek worden afgewezen. Door deze weigering wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad." 41. In het middel wordt tegen de beslissing van het hof aangevoerd dat het hof ten onrechte niet in zijn overwegingen heeft betrokken dat het horen van de heer Mans in verband met de strafoplegging van belang kon zijn, vanwege de verkeerde prioriteitstelling van de gemeente - te veel inzet op prestigeprojecten en te weinig op handhaving en controle van bestaande zaken - en het verlenen van de milieuvergunningen, terwijl dat uit veiligheidsoogpunt nooit had gemogen. 42. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Van belang is te onderkennen waarover de verdediging de burgemeester wilde horen: over het niet vervolgen van twee gemeenteambtenaren. Dat is wat anders dan de beweerde verkeerde prioriteitenstelling en angst voor schadevergoedingen bij de gemeente. In 's hofs overweging dat "het onderwerp waarover de verdediging deze getuige() wenst te horen niet van belang kan zijn met het oog op enige door het hof te nemen beslissing" ligt als het oordeel van het hof besloten dat informatie van de zijde van de burgemeester over de niet-vervolging van die ambtenaren niet van invloed is op de strafmaat. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk in aanmerking genomen dat het hof wèl de medeschuld van bekende en onbekende andere personen en/of instanties voor het uitgroeien van de brand tot een ramp heeft aangenomen en ook in de straf heeft verdisconteerd. Tot die instanties behoort de gebrekkig controlerende gemeente Enschedé. In zoverre heeft verzoeker ook geen belang bij de klacht. 43. Of het verlenen van de vergunningen uit veiligheidsoogpunt nooit had gemogen is evenmin een relevante vraagstelling, nu het niet-naleven van de voorwaarden verbonden aan de verleende vergunningen ten laste is gelegd en als oorzaak van de ramp in de tenlastelegging is opgenomen. Ik bied even geen weerstand aan mijn neiging om op de namens verzoeker neergeschreven passage in de cassatieschriftuur te reageren met: waarom heeft verzoeker dan zelf zijn bedrijf niet beëindigd als hij vindt dat de vergunning nooit verleend had mogen worden? 44. 's Hofs oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. 45. Het middel faalt. 46. Het zesde middel klaagt over de afwijzing van het verzoek om mr. Manschot als getuige te horen. 47. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: "3.2 De onschuldpresumptie In verband met in hoger beroep eventueel te herhalen verweer dat de hoofdofficier van justitie tijdens een persconferentie had verklaard dat er bij SE Fireworks te veel vuurwerk lag opgeslagen wordt wederom aan de advocaat-generaal verzocht te bevorderen dat de van de persconferentie gemaakte video- of geluidsopname aan het dossier wordt toegevoegd. In verband met deze mogelijke schending van de onschuldpresumptie wordt tevens verzocht op te roepen als getuige: Mr. R.J. Manschot, (voormalig) hoofdofficier van justitie In het tussenarrest van 12 november jl. werd overwogen dat, daargelaten de vraag of er sprake is geweest van schending van de onschuldpresumptie, de relevantie voor enige door het Hof te nemen beslissing niet was gesteld of aannemelijk geworden. Naar ik aanneem ten overvloede wijs ik er op dat als de hoofdofficier inderdaad een dergelijke mededeling heeft gedaan, dit volgens het EHRM een schending van de onschuldpresumptie kan opleveren.(volgt noot EHRM 10 februari 1995, A308. Allenet de Ribemont vs Frankrijk) Een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging zou wellicht een te zware sanctie vormen, maar bijvoorbeeld vermindering van straf in verband met een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv ligt bepaald voor de hand." 48. Het hof heeft bij tussenarrest van 7 februari 2003 als volgt beslist: "De verdediging heeft verzocht mr Manschot, voormalig hoofdofficier van justitie, te horen omdat hij tijdens een persconferentie zou hebben verklaard dat bij SE Fireworks op 13 mei 2000 te veel vuurwerk was opgeslagen, waardoor het openbaar ministerie de onschuldpresumptie zou hebben geschonden. Dit zou volgens de verdediging, ingevolge het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering tot strafvermindering dienen te lijden. Daargelaten de vraag of de hoofdofficier van Justitie, mr Manschot, tijdens een persconferentie voormelde uitlating heeft gedaan, een persconferentie maakt geen deel uit van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in artikel 132 van het Wetboek van Strafvordering. De vermeende uitlating kan derhalve nooit een vormverzuim opleveren, als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Nu het horen van deze getuige niet van belang kan zijn met het oog op enige door het hof te nemen beslissing zal het hof dit verzoek afwijzen. Door deze weigering wordt verdachte niet in zijn verdediging geschaad." 49. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het hof een te beperkte betekenis heeft toegekend aan het begrip vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv. 50. Aan het verzoek en aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat door de mededeling van de hoofdofficier van justitie bij gelegenheid van een persconferentie dat er bij SE Fireworks op 13 mei 2000 teveel vuurwerk lag opgeslagen jegens verzoeker een schending oplevert van de door art. 6, tweede lid, EVRM gewaarborgde onschuldpresumptie. Die veronderstelling lijkt mij onjuist. 51. Uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de onschuldpresumptie niet alleen door de rechter kan worden geschonden, maar ook door andere publieke autoriteiten. Dit volgt uit de door de raadsman aangehaalde beslissing EHRM 10 februari 1995, NJ 1997, 523 Allenet de Ribemont versus Frankrijk. In die zaak concludeerde het EHRM dat sprake was van een schending van art. 6, tweede lid, EVRM. De feiten in die zaak wijken echter sterk af van die in de onderhavige, in het bijzonder wat betreft de door de autoriteiten gedane mededelingen. In de zaak Allenet de Ribemont verklaarden de Franse Minister van Binnenlandse zaken en twee van de hoogste Franse politieambtenaren tijdens een vijf dagen na de moord op een vooraanstaand politicus gehouden en nadien op televisie uitgezonden persconferentie, zonder voorbehoud dat Allenet de Ribemont, die op die dag was gearresteerd, één van de aanstichters van die moord was en daaraan medeplichtig. Deze mededeling achtte het EHRM "clearly a declaration of the applicant's guilt which, firstly, encouraged the public to believe him guilty and, secondly, prejudged the assessment of the facts by the competent judicial authority." Dit kan van de veronderstelde mededeling in de onderhavige zaak niet gezegd worden. De uitlatingen in de onderhavige zaak behelsden geen direct belastende informatie. Op zichzelf kan de mededeling dat er teveel vuurwerk lag zelfs los worden gezien van enig strafrechtelijk verwijt. Doorredenerend op het stramien van de verdediging zou zelfs niet publiekelijk gezegd mogen worden - ik bedenk maar iets - dat in de woning van een arrestant een met een mes doorboord lijk is gevonden. Een belangrijker argument is echter dat verzoeker door de hoofdofficier niet de schuld is aangewreven van de aanwezigheid van het teveel aan vuurwerk. Aldus is geen sprake van schending van de onschuldpresumptie, zoals gewaarborgd door art. 6, tweede lid, EVRM. 52. Reeds omdat aan het verzoek een onjuiste rechtsopvatting ten grondslag ligt, waardoor het verzoek slechts kon worden afgewezen, kan het middel dat klaagt over afwijzing van het verzoek niet tot cassatie leiden. 53. Het hof heeft het in zijn afwijzing van het verzoek over een meer formele boeg gegooid door te oordelen dat voorzover al sprake zou zijn van schending van de onschuldpresumptie door de hoofdofficier, dit geen vormverzuim zou opleveren in de zin van art. 359a Sv. 54. In zijn overzichtsarrest van 30 maart 2004, LJN: AM2533, met betrekking tot de toepassing van art. 359a Sv heeft de Hoge Raad het volgende overwogen met betrekking tot de inhoud van het begrip vormverzuim in die bepaling: "3.4.2. De toepassing van art. 359a Sv is allereerst beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek. Ingevolge art. 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan het onderzoek ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn blijkens de wetsgeschiedenis met name ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Het voorbereidend onderzoek uit art. 359a Sv heeft uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in art. 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Art. 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit. Art. 359a Sv is ook niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd." 55. De vraag die zich naar aanleiding van deze overweging opdringt is of het door de raadsman veronderstelde verzuim: het schenden van de onschuldpresumptie door de hoofdofficier van justitie door bij gelegenheid van een persconferentie een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv zou opleveren. 56. Het oordeel van het hof dat de persconferentie geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Art. 359a Sv ziet, zoals volgt uit vorengeciteerde overwegingen van de Hoge Raad met name op vormverzuimen in het opsporingsonderzoek naar het tenlastegelegde strafbare feit. Van het opsporingsonderzoek noch het voorbereidend onderzoek kan de persconferentie geacht worden deel uit te maken. Dit neemt niet weg dat de rechter aan een schending van de onschuldpresumptie strafprocessuele consequenties kan en soms moet verbinden. Die consequenties zijn geen andere dan de in art. 359a Sv genoemde. Hij geeft in zo'n geval echter geen toepassing aan art. 359a Sv, waarop de raadsman zijn verzoek heeft toegespitst. Dat het hof het verzoek niet ruimhartiger heeft willen lezen acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen mijn hierboven weergegeven waardering van de mededeling van de hoofdofficier. 57. Het middel faalt. 58. Het zevende, achtste en negende middel klagen over de verwerping bij eindarrest van tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie strekkende verweren in verband met onderscheidenlijk de hiervoor al besproken vermeende schending van de onschuldpresumptie door de hoofdofficier van justitie en het onthouden aan de verdediging van stukken (zevende middel), inbreuk op het recht van vrij verkeer tussen de raadsman en verdachte (achtste middel) en wegens het onjuist informeren van de zittingsrechter omtrent de gang van zaken met betrekking tot de afgeluisterde geheimhoudersgesprekken (negende middel). 59. Ook hier wil ik alvorens over te gaan tot een bespreking van de afzonderlijke middelen en de daarin vervatte subklachten meer in het algemeen iets opmerken over de door de raadsman in feitelijke aanleg bepleite niet-ontvankelijkheid als sanctie op de door de raadsman aangevoerde procedurele gebreken. 60. Hoewel in de jurisprudentie van de Hoge Raad al langer een lijn valt te ontwaren waarin voor niet-ontvankelijkheid als sanctie op procedurele onregelmatigheden een zeer beperkte plaats is ingeruimd, kan ik bij mijn volgende overwegingen, anders dan de raadsman in feitelijke aanleg en ten tijde van het opstellen van zijn schriftuur, putten uit het recente ook hiervoor al vermelde arrest van de Hoge Raad van 30 maart 2004 (LJN: AM2533) waarin hij nog eens heeft benadrukt dat niet-ontvankelijkheid als sanctie slechts in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd kan zijn. In het arrest, dat betrekking heeft op de toepassing van art. 359a Sv, welke bepaling een kader schept voor de beoordeling van vormverzuimen, geeft de Hoge Raad eerst een aantal voorwaarden voor de toepassing van art. 359a Sv weer. Vervolgens stelt de Hoge Raad voorop dat een geconstateerd vormverzuim niet steeds behoeft te leiden tot een van de in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolgen, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Slechts wanneer de feitenrechter tot het oordeel komt dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan dat niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de voormelde rechtsgevolgen kunnen verbinden. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging - zo citeer ik rechtsoverweging 3.6.5 - komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 61. De rechtvaardigheid van het reserveren van de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie voor gevallen van, anders gezegd, de enormiteit van de inbreuk op verdachtes recht op een eerlijk proces doet zich in een zaak als de onderhavige sterk gevoelen. Niet-ontvankelijkverklaring zou immers meebrengen dat het strafproces eindigt zonder dat de daderschapsvraag en de verwijtbaarheidsvraag met een rechterlijk oordeel worden beantwoord. Dit is ook het nadeel van de door Schalken en Rozemond bepleite verschuiving van de onrechtmatig verkregen bewijsvraag naar de ontvankelijkheidsvraag (NJB 1997, p. 1365). 62. Het zevende middel klaagt over de verwerping bij eindarrest van het ter terechtzitting van 23 april 2003 ter zake van feit 4 gevoerde tweeledige verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vervolging van dat feit. 63. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: "3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging () 3.1.2 De onschuldpresumptie Tijdens de persconferentie, waar de beslissingen tot (niet) vervolging in de Fireworks zaak werden medegedeeld, zei de hoofdofficier van justitie - zo blijkt uit een aantekening, die ik bij het zien van een videoband van de persconferentie maakte - letterlijk: Er lag teveel vuurwerk (...). Nu het verzoek om de hoofdofficier van justitie ter zitting als getuige te horen werd afgewezen dient het uitgangspunt te zijn dat de advocaat hier op zijn woord wordt geloofd en het verweer in ieder geval feitelijke grondslag heeft. Mocht uw college hier anders over denken dan wordt uitdrukkelijk verzocht mr. Manschot alsnog op een nadere zitting te horen. De mededeling van de hoofdofficier was niet dat [verdachte] ervan verdacht of beschuldigd werd te veel vuurwerk in opslag te hebben gehad, maar ging veel verder: als feit werd aan de verzamelde media medegedeeld dat er bij SE Fireworks teveel vuurwerk lag. Zoals in eerste aanleg al uitgebreid uiteen werd gezet speelde in de zaak Allenet de Ribemont versus Frankrijk (volgt noot EHRM 10 februari 1995, A308) een in relevante opzichten gelijke casus. Het ging daar om de minister van Binnenlandse Zaken en het hoofd van de Parijse criminele opsporingsdienst die uitspraken deden die erop neerkwamen dat de verdachte schuldig was. Naar aanleiding van het verweer van de Franse Staat dat het ging om mededelingen met betrekking tot een lopend strafrechtelijk onderzoek die als zodanig geen inbreuk konden maken op de onschuldpresumptie omdat ze niet bindend waren voor de gerechten en onjuist konden blijken bij het daaropvolgende onderzoek overwoog het hof dat één van de hoogste Franse politiefunctionarissen zonder enige reserve of kanttekening sprak over een verdachte als één van de betrokkenen bij hetgeen aan die verdachte werd verweten. Dit was - naar het Hof overwoog - duidelijk een mededeling met betrekking tot de schuld van klager die er, allereerst, toe zou leiden dat het publiek hem schuldig zou achten en, ten tweede, vooruit liep op de vaststelling van de feiten door de bevoegde gerechtelijke autoriteit. Het Hof concludeerde dat art. 6 lid 2 EVRM was geschonden. Of hier sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv kan onderwerp van discussie zijn. Dat de wetgever ondanks de schijnbare beperking tot het voorbereidend onderzoek een wat ruimer begrip voor ogen stond blijkt uit de wetsgeschiedenis van de Wet vormverzuimen, nu volgens de wetgever art. 359a Sv ook bedoeld is om de in de rechtspraak ontwikkelde sanctie van strafvermindering bij overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van een wettelijke grondslag te voorzien (volgt noot Kamerstukken II 1993/94, 23 705, nr. 3, p. 3). Zelfs wanneer uitgegaan zou worden van een beperkter begrip 'vormverzuim' betekent dit uiteraard niet dat inbreuk op de onschuldpresumptie zonder gevolgen zou moeten blijven. De onschuldpresumptie als vervat in art. 6 lid 2 EVRM maakt immers deel uit van de in art. 6 lid 1 EVRM nagestreefde eerlijke behandeling van een strafzaak. 3.1.3 Voorlopige hechtenis en tegenspraak () Herhaald wordt het verweer dat de verdediging bij de voorgeleiding in strijd met art. 5 lid 4 j° art. 6 lid 3 onder b EVRM onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om de noodzaak van de voorlopige hechtenis aan te vechten. Herhaald wordt het verweer dat [verdachte] ernstig in zijn verdediging werd geschaad door de zeer verregaande en langdurige onthouding van stukken. Dat begon al bij de voorgeleiding, toen de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte] zonder beschikking ex art. 30 Sv werden onthouden. Hetzelfde geldt voor zeer elementaire gegevens, zoals bijvoorbeeld de onderzoeksopdracht aan het NFI. Dit leidde er onder meer toe dat de officier van justitie aan de verdediging mededeelde dat het technisch onderzoek op het bedrijfsterrein vrijwel was afgerond en de verdediging de mogelijkheid kreeg om contra-expertise te vragen op een moment dat aan de verdediging zelfs de onderzoeksvragen voor de deskundigen à charge werden onthouden (zie in dit verband de brieven van 30 en 31 mei 2000, gehecht als bijlage 1 aan de pleitnotities in eerste aanleg). Ik herhaal nog eens mijn verzuchting in de raadkamer van 31 mei 2000: Ik hoorde gisteren van de officier van justitie dat ik nog maar enkele dagen het bewuste terrein op kon in verband met bijvoorbeeld een contra-expertise, hetgeen wil zeggen het aan kunnen vechten van een expertise. Ik heb echter geen idee wat er gebeurt (...) nu is zelfs een begin van de verdediging niet mogelijk. Achteraf kan ook vastgesteld worden dat de officier van justitie ten behoeve van de raadkamers gevangenhouding en verlenging gevangenhouding een selectie uit het totale onderzoeksdossier heeft gemaakt waarin op dat moment beschikbare, wezenlijke en voor [verdachte] ontlastende onderzoeksresultaten niet waren opgenomen. In het proces-verbaal d.d. 30 mei 2000, opgemaakt ten behoeve van de behandeling van de vordering gevangenhouding, gaat het, blijkens de geselecteerde verklaringen van getuigen, met name om de vraag of [verdachte] kort voor de brand op 13 mei 2000 op het terrein geweest was. [Verdachte] had ruim een week daarvoor, op 22 mei 2000, een uitgebreide verklaring afgelegd waarin hij precies vertelde waar hij de avond voor en de dag van de brand was geweest. Het is een zeer gedetailleerde verklaring, waarin vele getuigen worden genoemd die een en ander konden bevestigen. Op 25 mei 2000 werd [getuige 23] gehoord, die eveneens een gedetailleerde verklaring aflegde die op alle relevante punten overeenkwam met die van [verdachte]. Hoewel deze en andere de verklaring van [verdachte] bevestigende verklaringen al voor 30 mei 2000 beschikbaar waren worden in het proces-verbaal bestemd voor de eerste raadkamer uitsluitend verklaringen van getuigen opgenomen die zeggen dat ze gehoord hadden dat er op 13 mei 2000 nog op het terrein gewerkt zou zijn (volgt noot Proces-verbaal voortzetting onderzoek contra de verdachte [verdachte] i.v.m. vordering gevangenhouding, d.d. 30 mei 2000, verklaringen van [getuige 24] van 16 mei 2000 te 02.25 uur, [getuige 25] van 25 mei 2000 te 15.15 uur en [getuige 26] van 16 mei 2000 te 14.20 uur). Bij de eerste raadkamerzitting werden dus ten onrechte wezenlijke, voor de verdachte ontlastende stukken aan de verdediging onthouden. In het voortgangsverbaal, ten behoeve van de verlenging gevangenhouding op 28 juni 2000, lag het accent niet meer op eventuele betrokkenheid bij het ontstaan van de brand, maar wordt de aandacht verplaatst naar - voorzover in verband met de centrale onderzoeksvragen van belang - de vraag of er te zwaar vuurwerk op het terrein lag opgeslagen. In het voortgangsverbaal wordt met name de nadruk gelegd op het aanwezig hebben van allerlei soorten vuurwerk uit de categorie 1.1G, zoals zou blijken uit een tweetal faxen van SE Fireworks d.d. 10 februari 1999 en 14 april 1999 gericht aan de firma [getuige 21] en [getuige 22]. Op grond van die faxen, als opgenomen in de voortgangsrapportage, zou inderdaad de indruk kunnen ontstaan dat SE Fireworks een aantal soorten vuurwerk in de categorie 1.1G en 1.2G aanwezig had. Uit de verklaringen en documenten, waarover de officier van justitie ten tijde van deze raadkamerzitting reeds beschikte, blijkt dat het hier gaat om een aanvraag van [medeverdachte] aan de gemeente om op een nieuwe locatie een bezigingsvergunning te krijgen voor deze soorten (zwaar) vuurwerk. Dit was ten tijde van de raadkamerzitting al door [medeverdachte] verklaard (volgt noot 42e verklaring van [medeverdachte] van 21 juni 2000 te 13.35 uur, V.II 0174) en het team beschikte op dat moment ook al over een fax van SE Fireworks aan de gemeente Enschede (volgt noot Bijlage bij 31e verklaring van [verdachte] van 27 juni 2000 te 10.34 uur, V.III 0108) waarin werd gerefereerd aan een telefoongesprek en melding werd gemaakt van de betreffende soorten vuurwerk. Wederom werd ten behoeve van de raadkamer een onaanvaardbare selectie gemaakt uit de onderzoeksresultaten, waardoor ten onrechte de indruk kon ontstaan dat [verdachte] op 13 mei 2000 willens en wetens in strijd met de vergunning vuurwerk van de categorie 1.1G en 1.2G in opslag had. De bij de officier van justitie bekende informatie dat het ging om een toekomstige bezigingsvergunning, informatie die - in de bewoordingen van het EHRM in de zaak Lietzow (volgt noot EHRM 13 februari 2001 (appl. no. 24479/94), NJCM-Bulletin 2001, nr. 5, pp. 668-675) 'is essential for the assessment of the lawfulness of a person's detention' - werd niet tijdig ter kennis van de verdediging of de raadkamer gebracht. Conclusie: geschonden is het beginsel van equality of arms, nu de officier van justitie gedurende de voorlopige hechtenis over een veel uitgebreider dossier beschikte dan de verdediging, terwijl aan de verdediging wezenlijke informatie in verband met de rechtmatigheid van [verdachte]s detentie werd onthouden. Het recht op een tegensprekelijke procedure als gewaarborgd in art. 5 lid 4 EVRM alsmede het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM (ook van toepassing in het vooronderzoek (volgt noot Zie bijvoorbeeld: EHRM 24 november 1993, A275 (NJ 1994, 459) "Imbroscia") zijn geschonden. Of er hier sprake is van opzet of dat de officier van justitie - zoals uw hof in de zaak [betrokkene 1] oordeelde - het zicht enigszins is kwijtgeraakt doet niet terzake: op zijn minst is hier sprake van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort werd gedaan. () 3.2 Conclusie De slotsom van het hierboven aangehaalde, bezien in onderlinge samenhang, dient te luiden dat door of onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en de rechter-commissaris met grove veronachtzaming van de belangen van [verdachte] inbreuk gemaakt is op diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met nadruk wijs ik er op dat in hoger beroep het verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vervolging beperkt wordt tot feit 4 en dan uitsluitend voor het geval er geen vrijspraak voor dit feit zou volgen. Anders dan de rechtbank blijf ik van mening dat de feitenrechter om proceseconomische redenen af mag wijken van de volgorde van de vragen als bedoeld in de artt. 348-350 Sv. Zie in dit verband de reeds overgelegde uitspraak van het Hof Arnhem in zaak [...] en de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam in de zaak [...]. Uitsluitend in verband met feit 4 verzoek ik u daarom subsidiair, voor het geval er hier geen vrijspraak zou volgen, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging." 64. Het proces-verbaal van 29 april 2003 houdt het volgende in als reactie van de advocaat-generaal bij het hof, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang: "Voor zover er sprake is geweest van onthouding van stukken in de zin van art. 30 WvSv stond daar een aparte rechtsmiddel tegen open. Voorzover daarvan gebruik is gemaakt is daarop beslist. De rechtbank heeft weliswaar bij tussenbeslissing op 28-06-00 gelast dat het hele dossier waarover de OvJ op dat moment beschikte uiterlijk op 10-07-00 ter beschikking van de raadkamer diende te worden gesteld maar heeft ook geoordeeld dat het onderzoek op dat moment nog vorderde dat aan de verdediging de kennisneming van de door de RC aangegeven processtukken werd onthouden. De rechtbank is van oordeel dat de door de raadkamer geconstateerde fouten van het OM tijdig zijn hersteld en dat in voldoende mate is tegemoetgekomen aan de bezwaren van de verdediging (zie vonnis [verdachte] p. 011 en 012) en dat standpunt neem ik over. Voor zover er sprake is geweest van tijdsverschil tussen kennisneming van stukken door de OvJ en door de raadsman is dat geen formele onthouding van stukken, en evenmin een materiële onthouding van stukken. In elk onderzoek, en zeker in dit onderzoek, zit er tijd tussen het kennisnemen door de OvJ en het toesturen aan de raadsman. () Of de hoofdofficier van justitie te Almelo nu wel of niet gezegd heeft of er te veel vuurwerk lag bij S.E. Fireworks kunnen we in het midden laten, want zolang hij het over het bedrijf heeft, heeft hij het niet over een persoon. Er kan dus geen sprake zijn van schending van de onschuldpresumptie m.b.t. [verdachte]. De uitspraak van het EHRM inzake Allenet de Ribemont is niet volledig vergelijkbaar omdat in die zaak nadrukkelijk werd gezegd dat Allenet tot moord had aangezet. Het -overigens subsidiaire- verzoek de hoofdofficier te horen als getuige moet -zou uw hof daaraan toekomen- worden afgewezen op dezelfde grond waarop het verzoek al eerder door u is afgewezen. () Samenvattend t.a.v. de ontvankelijkheid van het O.M. kan ik dus stellen dat ik het niet eens ben met de argumenten die de raadsman heeft aangevoerd, en dat de ontvankelijkheid van het O.M. nog steeds bestaat." 65. Het bestreden arrest houdt het volgende in als beslissing op het in het middel bedoelde verweer betreffende de gestelde schending van de onschuldpresumptie: "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie () De raadsman heeft tegen de ontvankelijkheid van de officier van Justitie in de eerste plaats aangevoerd -kort weergegeven- dat de hoofdofficier van justitie te Almelo tijdens een persconferentie zou hebben medegedeeld dat er bij SE Fireworks teveel vuurwerk lag, althans die woorden heeft de raadsman naar aanleiding van een door hem bekeken videoband van die persconferentie genoteerd. Daardoor zou in strijd zijn gehandeld met de onschuldpresumptie als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het hof heeft al bij tussenarrest van 7 februari 2003 het verzoek de hoofdofficier van justitie als getuige te horen afgewezen. Het gaat er daarom veronderstellenderwijze van uit (al is zulks door het openbaar ministerie met klem betwist) dat de hoofdofficier zich inderdaad, zoals door de verdediging beweerd, heeft uitgelaten op een wijze die inbreuk maakt op het recht van verdachte om zolang zijn schuld niet in rechte is vastgesteld, voor onschuldig te worden gehouden. Dan zou zich een situatie voordoen die vergelijkbaar is met het de zaak Allenet de Ribemont v. France, EHRM 10 februari 1995, Series A no. 308. Anders dan de verdediging stelt, zou een door de hoofdofficier van justitie gedane mededeling van de inhoud als door de verdediging gesteld, weliswaar wellicht als civielrechtelijk onrechtmatig kunnen worden aangemerkt, maar tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie leidt een dergelijke mededeling niet. De onderhavige persconferentie maakte immers geen deel uit van het voorbereidend onderzoek naar verdachtes schuld of onschuld en niet aannemelijk is geworden dat de strekking van die mededelingen was, dat daarvan enige invloed op verdachtes berechting zou uitgaan, en evenmin dat een dergelijk effect ervan is uitgegaan, zodat er geen sprake is van schending van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM." 66. In de toelichting op het middel wordt tegen de verwerping van dit verweer aangevoerd (
- a)dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan art. 359a Sv, (
- b)dat het hof niet kon vaststellen dat de mededeling van de hoofdofficier er niet toe strekte de berechting van verzoeker te beïnvloeden, nu aan de verdediging de mogelijkheid is onthouden de hoofdofficier als getuige te horen, (
- c)dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de door hem wel aangenomen schending van de onschuldpresumptie geen schending oplevert van verzoekers recht op een eerlijk proces en (
- d)dat het hof heeft miskend dat een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie ook mogelijk is wanneer er sprake is van een fundamentele inbreuk die het wettelijk systeem in de kern raakt. 67. De klacht onder a faalt bij gebrek aan belang, nu het hof zijn toetsing van de desbetreffende uitlating van de hoofdofficier niet heeft beperkt tot zijn oordeel dat de persconferentie geen deel uitmaakt van het voorbereidend onderzoek (met welke laatste term het hof kennelijk het oog heeft gehad op art. 359a Sv), maar los van die bepaling heeft beoordeeld of door die uitlating inbreuk is gemaakt of verzoekers door het EVRM gewaarborgde rechten en of niet-ontvankelijkverklaring zou moeten volgen. 68. De klacht onder b treft evenmin doel. De gewraakte uitlating van de hoofdofficier van justitie zou zijn gedaan tijdens een persconferentie. Een dergelijke bijeenkomst strekt er naar zijn aard toe het publiek te informeren. Dat daarbij gezegd zou zijn dat de ramp mede zijn oorzaak had in een overmaat aan vuurwerk op het terrein van SE Fireworks prejudicieert in genen delen op de vraag hoe dat zo heeft kunnen gebeuren, wie daaraan hebben meegewerkt en wie daarvoor (strafrechtelijk) aansprakelijk zou(den) zijn. De strekking van de vermeende uitlating heeft het hof ook zonder diens verhoor wel kunnen vaststellen. Naar mijn hiervoor uiteengezette oordeel kan niet gezegd worden dat daarmee jegens verzoeker een inbreuk is gemaakt op zijn door art. 6, tweede lid, EVRM gewaarborgde recht en stond het uitblijven van een verhoor ter terechtzitting van de hoofdofficier niet in de weg aan 's hofs vaststelling dat zijn vermeende mededeling er niet toe strekte invloed op verzoekers berechting uit te oefenen. 69. Ook de klacht onder c faalt. Voorzover aan die klacht ten grondslag ligt dat het hof zou hebben geoordeeld dat door de uitlating van de hoofdofficier (inderdaad) sprake is van schending van art. 6, tweede lid, EVRM, mist de klacht feitelijke grondslag. Het hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk, aansluitend op het verweer geoordeeld, dat een uitlating door de hoofdofficier als door de verdediging gesteld wellicht als civielrechtelijk onrechtmatig kan worden aangemerkt, maar dat een dergelijke mededeling niet tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging van verzoeker leidt. 70. De klacht onder d deelt in het lot van de andere klachten van dit middel. De grond voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging waarop de raadsman hier doelt is hier niet aan de orde. In de zaak waaraan de raadsman refereert, te weten HR 1 juni 1999, NJ 1999, 567 werd het wettelijk systeem in de kern geraakt doordat de officier van justitie aan de verdachte had toegezegd een eventuele door de rechter op te leggen straf niet (geheel) ten uitvoer te zullen leggen. Aan de orde was toen derhalve het fundamentele belang dat de gemeenschap heeft bij inachtneming van de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter, zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat. In de onderhavige zaak is geen sprake van een op een persconferentie uitgesproken schuldigverklaring van verzoeker door de hoofdofficier van justitie. 71. Het bestreden arrest houdt het volgende in als beslissing op het tweede in het middel bedoelde verweer, namelijk betreffende het gebrek aan de mogelijkheid tot tegenspraak: "Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie () Als tweede verweer heeft de raadsman op de twee hierna genoemde gronden aangevoerd dat er in de fase van de voorlopige hechtenis geen sprake was van een "tegensprekelijke" procedure: - de raadsman werd in strijd met artikel 5 lid 4 juncto artikel 6 lid 3 onder b EVRM te weinig tijd geboden om het dossier goed te bestuderen teneinde de noodzaak van de voorlopige hechtenis aan te vechten. - de raadsman werd in strijd met artikel 5 lid 4 juncto artikel 6 lid 1 EVRM, met name in strijd met het beginsel van "equality of arms" en het recht op een eerlijk proces, langdurig stukken onthouden welke wezenlijke informatie bevatten in verband met de rechtmatigheid van de detentie van zijn cliënt. Ook heeft de officier van justitie in de fase van de voorlopige hechtenis, naar achteraf door de raadman kon worden vastgesteld, een selectie uit het dossier gepresenteerd, waarin wezenlijke ontlastende onderzoeksresultaten niet waren opgenomen, aldus de raadsman. Het hof overweegt met betrekking tot eerstgenoemde grond dat een ervaren raadsman als mr Meijers in staat moet worden geacht om zich in een betrekkelijk kort tijdsbestek te kunnen voorbereiden op hetgeen hij in de fase van de voorlopige hechtenis ter verdediging van zijn cliënt wenst aan te voeren. Van schending van het bepaalde in artikel 5 lid 4 juncto artikel 6 lid 3 onder b is geen sprake. Het hof overweegt met betrekking tot de als tweede genoemde grond: - dat de meervoudige raadkamer van de rechtbank te Almelo naar aanleiding van het door de raadsman ingediende bezwaarschrift tegen de onthouding kennisneming processtukken bij tussenbeslissing d.d. 28 juni 2000 heeft gelast dat het gehele dossier waarover de officier van justitie op dat moment beschikte uiterlijk 10 juli 2000 ter beschikking van de raadkamer diende te worden gesteld; - dat de raadkamer -na kennis te hebben genomen van alle stukken, welke op dat moment nog aan verdachte en diens raadsman werden onthouden- bij beschikking d.d. 12 juli 2000 heeft geoordeeld dat er voldoende bezwarende omstandigheden tegen verdachte voorhanden waren en dat het belang van het onderzoek op dat moment nog vorderde dat aan verdachte en diens raadsman de kennisneming van de door de rechter-commissaris aangegeven processtukken werd onthouden, zoals bedoeld in artikel 30 van het Wetboek van Strafvordering; - dat de raadkamer na onderzoek van het volledige dossier heeft geoordeeld dat de in het bevel tot gevangenhouding van verdachte vermelde verdenking, bezwaren en gronden betreffende de feiten nog bestonden, waarna door haar bij beschikking d.d. 14 juli 2000 de gevangenhouding werd verlengd, welke beschikking in hoger beroep door het hof op 3 augustus 2000 werd bevestigd; Mede gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van schending van het bepaalde in artikel 5 lid 4 juncto artikel 6 lid 1 EVRM." 72. In de toelichting op het middel wordt met betrekking tot de verwerping van dit verweer gesteld dat het hof voorbij is gegaan aan de bezwaren van de verdediging. Ten eerste doordat een inbreuk op het beginsel van equality of arms niet ongedaan wordt gemaakt door verschaffing van het volledige dossier aan de raadkamer en ten tweede doordat het hof niet de klacht heeft besproken dat de officier van justitie een onaanvaardbare selectie heeft gemaakt uit de onderzoeksresultaten. 73. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt dat namens verzoeker op 30 mei 2000 en op 27 juni 2000 bezwaarschriften tegen de onthouding van processtukken ex art. 32 Sv zijn ingediend, welke bezwaarschriften door de rechtbank telkens naar aanleiding van een in raadkamer gehouden onderzoek ongegrond zijn verklaard. Nu tegen voormelde beschikkingen van de rechtbank op de voet van art. 32 Sv geen rechtsmiddel open staat, is het onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen om deze beslissingen alsnog ter terechtzitting aan de orde te stellen. Daarvoor is alleen ruimte indien sprake is van doorwerking van die beslissingen op de bewijs- of strafbaarheidsvraag (of de strafmaat indien het voorarrest door de beperkingen onnodig bezwarend is geweest). Dit laatste is niet gesteld. Enige geheimhouding wordt door het EHRM toegestaan (Rowe & Davis v. V.K., EHRC 2003, 67), hetgeen a fortiori geldt indien deze geheimhouding slechts tijdelijk is, in het belang van de opsporing. 74. Wat daar verder ook van zij: dat het hof het tot niet-ontvankelijkheid strekkende verweer heeft verworpen kan niet tot cassatie leiden. 75. Het middel faalt in al zijn onderdelen. 76. Het achtste middel klaagt over de verwerping bij eindarrest van het ter terechtzitting van 23 april 2003 gevoerde verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging vanwege de opzettelijke en stelselmatige inbreuk op het recht van vrij verkeer tussen verzoeker en zijn raadsman. 77. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: "3.1.9 Het opnemen en vastleggen van geheimhoudersgesprekken Ook hier verzoek ik u het uitgebreide verweer, als vervat in de pleitnotities in eerste aanleg (pp. 13-19) als hier herhaald en ingelast te beschouwen. Aan de kwestie van de geheimhoudersgesprekken heeft de rechtbank een extra zitting gewijd en werden de beide officieren van justitie uitgebreid ondervraagd over wat er nu precies gebeurd was. Naar aanleiding daarvan overwoog de rechtbank Almelo in haar vonnis d.d. 2 april 2002: Met betrekking tot de fouten die het Openbaar Ministerie bij de telefoontaps heeft gemaakt en de onjuiste inlichtingen die het Openbaar Ministerie terzake die taps aan de rechtbank verstrekt heeft kan de rechtbank betrekkelijk kort zijn. Het had niet mogen gebeuren. De rechtbank was van oordeel dat dit geen grond opleverde om het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk te verklaren, maar heeft daarmee - naar zij uitdrukkelijk overwoog - bij de bepaling van de op te leggen straf wel rekening gehouden. Op dit punt wordt uw hof overigens wederom onjuist geïnformeerd, zowel door de advocaat-generaal als door de dagelijks leider van het TOL-team Kamperman. De advocaat-generaal sluit zich aan bij de officier van justitie die voldoende duidelijk gemaakt zou hebben hoe één en ander gelopen was en was van mening dat daarbij geen sprake was van onrechtmatig handelen. Dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen was aanvankelijk het standpunt van de officier van justitie in Almelo, later zijn zij daar uitgebreid - met excuses aan de rechtbank en de raadsman van [verdachte] - op terug gekomen. Samenvattend kan alleen gezegd worden dat de Officieren van Justitie verschillende versies hebben gegeven en dat achteraf niet duidelijk geworden is op grond van welke instructies het team heeft gehandeld wanneer er geheimhoudersgesprekken over de tap kwamen. Kamperman verklaarde op de zitting van 27 maart jl. dat buiten het ZED-traject de instructie gold dat gesprekken met zogenaamde geheimhouders, zoals bijvoorbeeld advocaten niet uitgeluisterd mochten worden. Als een dergelijk gesprek kwam zou er worden "doorgeklikt" (volgt noot Ibid.). Zoals in eerste aanleg uitgebreid betoogd blijkt bij de bestudering van de tapjournaals dat iedere verbalisant blijkbaar volgens zijn eigen inzichten te werk is gegaan. Het maakt daarbij geen verschil of het gaat om taps in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte], taps in het ZED-traject of taps buiten dat traject. Ik heb dit in eerste aanleg al met een aantal voorbeelden geïllustreerd. Ter nadere adstructie leg ik hierbij een tapjournaal over in het gerechtelijk vooronderzoek tegen [verdachte], waaruit blijkt dat - anders dan Kamperman verklaarde - geheimhoudersgesprekken wel degelijk werden uitgewerkt (volgt noot Proces-verbaal van H. Kersten van 19 juni 2000, bijlage I bij deze pleitnota). Zie ook het proces-verbaal van Middelesch met betrekking tot afgeluisterde telefoongesprekken in het ZED-traject waar bijvoorbeeld op 23 mei 2001 blijkbaar is doorgeprikt en uitsluitend in hetzelfde typoscript te lezen valt 'GEHEIMHOUDERSGESPREK', terwijl op diezelfde dag, bijvoorbeeld om 17.36 uur blijkbaar de inhoud van zo'n gesprek is opgeschreven en pas later bij één van de schoningsoperaties onleesbaar werd gemaakt (volgt noot Proces-verbaal van G. Middelesch van 29 mei 2001, bijlage II bij deze pleitnota). Overigens is het hele verhaal van getuige Kamperman met betrekking tot het uitluisteren, snel uitwerken en aan de officier van justitie voorleggen van geheimhoudersgesprekken in het ZED-traject onjuist. Het afplakken van geheimhoudersgesprekken in de journaals en het ontoegankelijk maken c.q. wissen van gegevens op de optical discs vond pas plaats na aanhoudende verzoeken van de verdediging om processen-verbaal van vernietiging, waarin werd gespecificeerd om hoeveel gesprekken het ging. Aan de hand van de tapjournaals en de journaals betreffende het direct afluisteren alsmede de opgemaakte processen-verbaal van vernietiging kan met zekerheid worden vastgesteld dat de verklaring die getuige Kamperman onder ede op de zitting van 27 maart jl. aflegde met betrekking tot het snel uitwerken, doorzenden en vernietigen van geheimhoudersgesprekken (volgt noot Proces-verbaal van verhoor van H.E. Kamperman op de zitting in hoger beroep van 27 maart 2003, p. 4) simpelweg niet waar is. Overigens is het standpunt dat het Openbaar Ministerie inneemt met betrekking tot het afluisteren van geheimhouders nog steeds niet duidelijk. Op de zitting van 6 december 2001 deelde de officier van justitie nog mede dat de dwangmiddelen, inclusief het afluisteren van geheimhouders, geheel conform de wet waren toegepast, waarbij het TOL-team van het OM de opdracht had gekregen geheimhoudersgesprekken niet uit te werken. Naar aanleiding van een brief van mij was gebleken dat er drie gesprekken waren die niet hadden mogen worden opgenomen en uitgewerkt. Een uitgebreide controle had uitgewezen dat het tot die drie verslagen beperkt was gebleven (volgt noot Proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 6 december 2001, p. 5). Nadat ik om nadere uitleg had verzocht schreef de officier van justitie aan de voorzitter van de Strafkamer dat de gang van zaken precies omgekeerd was geweest: Op 23 januari 2001 had hij opdracht gegeven om alle gesprekken, inclusief geheimhoudersgesprekken uit te luisteren en te noteren, waarna hij opdracht zou geven welke gesprekken als geheimhoudersgesprekken zouden moeten worden verwijderd. Pas bij de ondervraging van de officier van justitie op de zitting van 4 maart 2002 blijkt dat de schriftelijke opdracht het team nooit heeft bereikt. Dat slechts drie gesprekken met mij er doorheen waren geglipt is aantoonbaar onjuist: in de pleitnotities in eerste aanleg wees ik naar aanleiding van de bij de inzage gemaakte notities al op een zestal gesprekken. Wat er in feite gebeurd is is niet duidelijk, maar wel is gebleken dat de officier van justitie, afhankelijk van het traject, op verschillende manieren met geheimhoudersgesprekken is omgegaan. Buiten het ZED-traject zou het in ieder geval de bedoeling geweest zijn dat, wanneer er een geheimhoudersgesprek over de tap kwam, bij het uitluisteren direct werd doorgespoeld naar het volgende gesprek en in het journaal uitsluitend de vermelding 'GEHEIMHOUDERSGESPREK' werd opgenomen. In het ZED-traject meende de officier van justitie gerechtigd te zijn kennis te nemen van alle geheimhoudersgesprekken om vervolgens zelf te bepalen wat wel en niet in de journaals moest worden opgenomen. Deze werkwijze, die tot gevolg had dat gesprekken tussen [verdachte] en zijn raadsman werden opgenomen, uitgewerkt, onder de aandacht van de officier van justitie gebracht en in het journaal opgenomen komt in strijd met het fundamentele recht van iedere verdachte op vrij verkeer met zijn raadsman. Het betreft een schending die niet met het achteraf afplakken van de uitgewerkte gesprekken of het niet gebruiken van de gesprekken voor het bewijs te herstellen is. Daarnaast werden zowel de rechtbank als Uw hof onjuist en onvolledig geïnformeerd. Een officier van justitie wordt in de regel niet als getuige gehoord omdat het uitgangspunt is dat hij de rechter en de verdediging juist informeert. Wanneer daarop niet meer volledig en zonder reserve vertrouwd kan worden valt de bodem onder het Nederlandse strafproces weg. Van de vertegenwoordigers van het OM ter zitting mag verwacht worden dat zij zich terdege op de hoogte stellen alvorens de rechter te informeren. Wanneer dit wordt nagelaten handelen zij in strijd met hun zorgplicht en nemen zij het risico op de koop toe dat, zoals in casu herhaaldelijk is gebeurd, de rechter onjuist wordt geïnformeerd. De rechtbank overwoog met betrekking tot de fouten die het Openbaar Ministerie bij de taps had gemaakt en de onjuiste inlichtingen die terzake aan de rechtbank werden verstrekt dat dit niet had mogen gebeuren. Wanneer de advocaat-generaal in zijn requisitoir volhoudt dat er in verband met de geheimhoudersgesprekken geen sprake was van onrechtmatig handelen kan de conclusie geen andere zijn dan dat ook de zittingsrechter in hoger beroep onjuist en onvolledig wordt geïnformeerd." 78. Dit betoog wordt gevolgd door de hierboven (p. 32) weergegeven conclusie onder 3.2. 79. Het proces verbaal van de terechtzitting van 23 april 2003 houdt voorts het volgende in: "De raadsman voert het woord() Ad 3.1.3 Voorlopige hechtenis en tegenspraak Ik kom terug op mijn verzoek om een groot deel van wat ik heb overgelegd, namelijk de pleitnotities bij de rechtbank, als hier herhaald en ingelast te beschouwen en vraag om uw toestemming hiervoor. De voorzitter deelt mee dat het hof daarin wil toestemmen, maar dat voor zover in de pleitnotities in eerste aanleg bepaalde verweren zijn vervat die de raadsman wenst te herhalen, de raadsman deze verweren dient te noemen, waarbij hij voor de toelichting kan verwijzen naar de pleitnota in eerste aanleg." 80. Het proces-verbaal van 29 april 2003 houdt het volgende in als reactie van de advocaat-generaal bij het hof, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang: "M.b.t. de geheimhoudersgesprekken heb ik verwezen naar het uitgebreide betoog van de OvJ daarover. Het uitwerken van gesprekken tussen verdachte en diens raadsman is volkomen onopzettelijk gebeurd. Voor zover daar sprake was van een vormverzuim -het niet onmiddellijk vernietigen- is dat verzuim hersteld. De geheimhoudersgesprekken tussen [verdachte] en zijn raadsman zijn ook verder door niemand gelezen. In die zin bedoelde ik te zeggen dat er geen sprake is geweest van onrechtmatig handelen. En er is naar mijn mening dan ook geen enkel rechtens te beschermen belang van de verdachte door dit pas late vernietigen getroffen. Het heeft dus ook geen consequenties voor de ontvankelijkheid van het O.M. Voor zover [verdachte] aantoonbare schade heeft ondervonden doordat hij is afgeluisterd in het kader van een ander gerechtelijk vooronderzoek, n.l. tegen N.N., is er een mogelijkheid daarvoor via het parket-generaal in Den Haag civielrechtelijk compensatie te vragen. In zijn eigen strafzaak is voor compensatie geen plaats." 81. De bestreden uitspraak houdt het volgende in als beslissing op het in het middel bedoelde verweer: "Als vijfde verweer is door de raadsman aangevoerd dat er ten onrechte een aantal telefoongesprekken met geheimhouders, met name tussen verdachte en diens raadsman werden afgeluisterd. De rechtbank en het hof zijn daarbij ook verkeerd door het openbaar ministerie voorgelicht. Er bleek immers toch een zestal van dergelijke gesprekken te zijn uitgeluisterd en p.v's te zijn opgemaakt, aldus de raadsman. Vast is komen te staan -ondanks soms tegenstrijdige mededelingen van de zijde van de vervolgende instanties- dat bij het afluisteren een aantal telefoongesprekken met geheimhouders werden uitgeluisterd, in verslagen werden uitgewerkt en aan het dossier werden toegevoegd in plaats van vernietigd. Het hof overweegt te dien aanzien dat daarbij weliswaar sprake is geweest van verzuimen, doch dat niet gebleken is dat deze moedwillig door de opsporende instanties zijn begaan, zomede dat niet gebleken is dat verdachte daarbij in zijn verdediging is geschaad of dat de inhoud van die gesprekken in het onderzoek is gebezigd. Deze verzuimen zijn -gelet op het vorenstaande- niet van dien aard dat zulks tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden. Wel ziet het hof in de gang van zaken een vormverzuim. In de constatering daarvan is voldoende compensatie gelegen" 82. Voor de beoordeling van het middel is voorts van belang dat in eerste aanleg een groot deel van de terechtzitting van 4 maart 2002 is besteed aan het onderzoeken van de gang van zaken betreffende de geheimhoudersgesprekken. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt als verklaring van de officier van justitie mr. Stam en als beslissing van de rechtbank het volgende in: "We moeten hier denk ik drie dingen scheiden en wel: - Hoe had er met de geheimhoudersgesprekken omgesprongen moeten worden en wat is het juridische kader? - Hoe is er feitelijk mee omgesprongen? - De gevolgen van een en ander voor deze strafzaak. Omdat, zo ik het nu kan beoordelen de vragen van de rechtbank zich toespitsen op het punt hoe er feitelijk met de gesprekken is omgesprongen, zal ik in eerste instantie ook met dat punt beginnen. Hoe is er feitelijk mee omgesprongen In het kader van de gerechtelijke vooronderzoeken naar de verdachten [medeverdachte], [verdachte] en NN zijn -gedurende verschillende periodes- in totaal 45 telefoonlijnen afgeluisterd, over verschillende periodes. Daarbij zijn ruim 14.000 communicatiecontacten vastgelegd. Het gaat hierbij niet alleen om daadwerkelijk gevoerde gesprekken, maar ook om pogingen daartoe (bijv er wordt gebeld maar niet opgenomen of er wordt een voice-mail ingesproken). Tevens is het voorgekomen dat, als gevolg van technische storingen, gesprekken via een afgetapte telefoonlijn in het geheel niet zijn opgenomen. Uiteraard is niet bekend hoeveel gesprekken dit betreft. Met "in het kader van de GVO's" bedoel ik aan te geven dat in het onderzoek naar de vuurwerkramp het opnemen van telecommunicatie telkens is gelieerd aan een GVO, ondanks het feit dat sinds 1 februari 2002 geen GVO meer nodig is om een telefoon af te luisteren; een machtiging van de rechter-commissaris volstaat. Er is een verband gelegd tussen enerzijds de verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan (als voorwaarde voor het afluisteren van een telefoon, artikel 126m lid 1 wetboek van strafvordering) en anderzijds de GVO's die geopend waren. Voor alle duidelijkheid, ik spreek dan over de volgende GVO's: NN terzake van verdenking van brandstichting [verdachte] terzake van verdenking van milieudelicten [medeverdachte] terzake van verdenking van milieudelicten SE Fireworks terzake van verdenking van milieudelicten. In januari 2001 is een zgn. ZED-traject gestart, mede gericht op het direct afluisteren van communicatie in een aantal woningen, waaronder de woning van [verdachte]. Het ging daarbij om de verdenking dat NN zich schuldig zou hebben gemaakt aan brandstichting. In het kader van dat ZED-traject is onder andere telecommunicatie van [verdachte] afgeluisterd, met het doel om contacten en bewegingen van hem en van zijn familieleden te kunnen volgen. [Verdachte] was daarbij echter niet verdachte, maar betrokkene. Het is belangrijk om dat hier uitdrukkelijk naar voren te brengen. En [medeverdachte] heeft in dit traject geen enkele rol gespeeld. Met betrekking tot de omgang met geheimhoudersgesprekken allereerst een algemene opmerking omtrent de gang van zaken en de gebruikte terminologie. Bij het afluisteren van een telefoonlijn worden -technische storingen daargelaten- alle gesprekken die over die lijn gevoerd worden, opgenomen. Het is niet mogelijk om op voorhand bepaalde lijnen waarnaar wordt uitgebeld of waarmee wordt ingebeld, te blokkeren. De gebruikte apparatuur maakt dat niet mogelijk, als er al reden zou zijn om dat te willen. De opgenomen gesprekken worden uitgeluisterd door een rechercheur en die kan vervolgens het gesprek: - noteren/verwerken, dat is de beller en het onderwerp van gesprek vermelden; - uitwerken, dit kan door de beller te vermelden en de inhoud van het gesprek te beschrijven of door een letterlijke transcriptie te maken. Tot aan het ZED-traject heeft het TOL-team bij het uitluisteren van de telefoontaps met betrekking tot advocaten de lijn gevolgd dat gesprekken met advocaten niet uitgeluisterd en verwerkt werden, doch meteen als "geheimhoudersgesprek" in het tapjournaal werden opgenomen. Op de vraag, in hoeverre deze handelwijze conform de wet- en regelgeving is, kom ik hierna nog terug. In twee gevallen, beide op 25 augustus 2000, is echter ten onrechte een gesprek tussen verdachte [medeverdachte] en zijn raadsman mr. Plasman wél uitgewerkt. Dit betrof korte gesprekken die plaatsvonden nadat in eerste instantie de echtgenote van verdachte [medeverdachte] een kort gesprek had met de inbellende mr. Plasman. Na ontdekking van deze uitwerkingen zijn ze uit het tapdossier verwijderd en vernietigd. De inhoud van deze gesprekken heeft overigens op geen enkele wijze een rol gespeeld in het strafrechtelijk onderzoek. Ik maak daarbij de opmerking dat op de zitting van 6 december 2001 mr. Plasman het OM heeft verweten dat de uitwerking van een aantal gesprekken tussen zijn cliënt en hemzelf ter inzage zou zijn gegeven aan derden. Ter zitting is door het OM toen gezegd dat nader onderzoek door het TOL-team dit niet bevestigd had, maar tevens is gezegd dat we er nog een keer met de stofkam doorheen zouden gaan. Die stofkam heeft dus de twee gesprekken opgeleverd waarvan ik zojuist melding maakte. Dit alles is reeds per brief aan mr. Plasman en aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Uit een journaal van het Tol-team en uit verschillende gesprekken tussen OM en politie, waarbij de hele gang van zaken rond de geheimhoudersgesprekken uitvoerig is gereconstrueerd, is het volgende naar voren gekomen. Op 23 januari 2001 heb ik als zaaksofficier van justitie opdracht gegeven aan de leiding van het TOL-team om alle gesprekken over de in totaal 11 telefoonlijnen die in het kader van het ZED-traject werden afgeluisterd, uit te luisteren en te noteren. Daarop zou ik bepalen welke gesprekken verwijderd moesten worden omdat het een geheimhoudersgesprek betrof. Het is dus niet zo dat alle gesprekken die vanaf 20 mei 2000 tot op dat moment als geheimhoudersgesprek waren weggezet, alsnog uitgewerkt moesten worden. Mijn opdracht betrof enkel en alleen de 11 lijnen van het ZED-traject. Het doel van het afluisteren van de telefoonlijnen was gelegen in de noodzaak om zicht te krijgen op de contacten en bewegingen van de gebruikers van die lijnen. Dit was eveneens van belang voor de stelselmatige informatie-inwinning ex artikel 126j Wetboek van Strafvordering, die in het kader van hetzelfde GVO in dezelfde periode gestart is. En met deze handelwijze werd gevolg gegeven aan het bepaalde in de artikelen 126m, lid 4 juncto artikel 126l, lid 8 Wetboek van Strafvordering, artikel 126aa, lid 2 Wetboek van Strafvordering en artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken. Op dit punt blijkt de werkelijke gang van zaken dus anders te zijn geweest dan op 6 december 2001 aan uw rechtbank is medegedeeld. Toen dit echter duidelijk was geworden, heb ik meteen een brief aan uw rechtbank geschreven, in afschrift aan beide advocaten, waarin die werkelijke gang van zaken is neergelegd. In de maanden volgend op 23 januari 2001 is mij alleen een beperkt aantal gesprekken tussen [verdachte] en mr. Meijers voorgelegd; gesprekken met andere geheimhouders zijn niet aan de orde gesteld en er is door mij ook niet naar gevraagd. Naar aanleiding van de melding van de gesprekken tussen mr. Meijers en [verdachte], heb ik op 20 april 2001 een brief gefaxt naar het TOL-team, inhoudende een opdracht tot vernietigen van processen-verbaal, welke mededelingen behelzen gedaan door of aan advocaten. Deze schriftelijke opdracht is echter tussen wal en schip geraakt en er is dus geen gevolg aan gegeven. Bij het TOL-team is dit er tussendoor geglipt en van mijn kant is nimmer gevraagd om een proces-verbaal van vernietiging; het is uit het oog verloren. Als gevolg van deze omissie is een drietal gesprekken tussen verdachte [verdachte] en zijn raadsman mr. Meijers in uitgewerkte vorm in het fysieke tapdossier terecht gekomen. Na ontdekking van deze uitwerkingen zijn ze uit het tapdossier verwijderd en vernietigd. Vast staat echter dat de inhoud van de afgeluisterde geheimhoudersgesprekken op geen enkele wijze gebruikt is in het strafrechtelijk onderzoek, direct noch indirect. Dat geldt overigens niet alleen voor de drie gesprekken tussen [verdachte] en mr. Meijers; op geen enkel moment in het strafrechtelijk onderzoek is een geheimhoudersgesprek gebruikt voor tactische of andere doeleinden. Uit de gesprekken tussen OM en politie naar aanleiding van de gang van zaken rond het ZED-traject is ook nog gebleken dat een aantal gesprekken tussen advocaten en betrokkenen wel is opgenomen, maar dat bij het uitluisteren de betreffende rechercheur de vraag "In pv ?" met "nee" heeft beantwoord, als gevolg waarvan in het tapdossier geen melding wordt gemaakt van het geheimhoudersgesprek. Dit gesprek komt echter wel voor op de lijst van vernietigde gesprekken. Op 7, respectievelijk 13 december 2001 heb ik vervolgens aan het TOL-team schriftelijk opdracht gegeven om alle geheimhoudersgesprekken die in het tapdossier en op de optical disks voorkomen, te vernietigen. Deze opdracht heb ik hierna nog gespecificeerd in de zin dat vernietigd moeten worden alle gesprekken met geheimhouders in de zin van artikel 218 Wetboek van Strafvordering, waaronder vallen: (huis)artsen, geestelijken, notarissen, advocaten, apothekers, vroedvrouwen, verpleegkundigen, juridisch medewerkers van bureaus voor rechtshulp en reclasseringsmedewerkers. Ook gesprekken met secretaresses, assistentes en andere medewerkers van de genoemde beroepsuitoefenaren dienden vernietigd te worden. Het was daarbij niet van belang: - of verdachte(
- n)dan wel anderen dan verdachte(
- n)een gesprek met een geheimhouder voerden; - wat de inhoud van het gesprek was; In alle gevallen dienden de (gegevens van
- de)bewuste gesprekken vernietigd te worden. Dus bijvoorbeeld ook een gesprek tussen een familielid en een tandartsassistente, waarin een afspraak voor een controle gemaakt werd, diende te worden vernietigd. Aan deze opdracht is door het TOL-team gevolg gegeven en daar is proces-verbaal van opgemaakt. Uit de bijlagen bij het verbaal van de dagelijks leider van het TOL-team d.d. 4 februari 2002 blijkt dat er in totaal 551 gesprekken met geheimhouders zijn verwijderd. Dit aantal betreft: - alle geheimhoudersgesprekken vanaf 20 mei 2000; - volgens een vergaande definitie van wat onder een geheimhouders begrepen moet worden (ook medewerkers/elk contact); - waarvan het overgrote deel direct als geheimhoudersgesprek in het tapdossier is vermeld, dus nimmer [is] uitgewerkt. In het kader van het ZED-traject zijn 164 gesprekken als geheimhoudersgesprek aangemerkt en verwijderd. Nogmaals: slechts drie gesprekken tussen mr. Meijers en [verdachte] zijn ten onrechte in het tapdossier terecht gekomen. Dat was zo op 6 december 2001 en dat is nog steeds zo. Inmiddels zijn op verzoek van mr. Meijers een aantal uitgewerkte tapverslagen en een aantal verslagen van de opgenomen communicatie in de woning van [verdachte] aan het procesdossier toegevoegd. Deze laatste verslagen bevatten een conversatie tussen [getuige 23] en (mogelijk) mr. Meijers en een conversatie tussen [verdachte] en mr. Meijers. Wanneer deze verslagen getoetst worden aan de bij de telefoontaps aangehouden criteria voor vernietiging, dan dienen ze eigenlijk verwijderd en vernietigd te worden. Ik heb dat niet meteen na het verzoek tot voeging van mr. Meijers gedaan, maar ik zal daartoe alsnog opdracht geven. () De rechtbank is naar aanleiding van haar onderzoek naar de vraag, of bij de uitoefening van de bevoegdheden genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering sprake is geweest van al dan niet onrechtmatig handelen door het openbaar ministerie, tot de conclusie gekomen dat zij over deze kwestie voldoende geïnformeerd is en dat zij geen behoefte heeft aan het horen van getuigen. In het kader van haar beoordeling komt de rechtbank eigenlijk helemaal niet toe aan de manier waarop uitvoering gegeven wordt aan de algemene maatregel van bestuur. () De uiteenzettingen van het OM en verdediging gehoord hebbende, zal de rechtbank dienen vast te stellen: ten eerste of in casu bij het opsporingsonderzoek sprake is geweest van onrechtmatig handelen door opsporingsambtenaren dan wel officier van justitie en, zo die vraag bevestigend beantwoord wordt, of die onrechtmatigheid van dien aard is, dat daarop een processuele sanctie past. Voor wat betreft de beantwoording van de eerste vraag is de rechtbank van oordeel dat er inderdaad sprake is geweest van onrechtmatig handelen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat door de officier van justitie met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering, is gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken, immers is door de officier van justitie niet tijdig vastgesteld of in casu sprake was van mededelingen gedaan door of aan een geheimhouder als bedoeld in artikel 218 Wetboek van Strafvordering, zodat hij niet, zoals in het tweede lid van het artikel is voorgeschreven terstond de vernietiging heeft bevolen van de processen-verbaal en andere voorwerpen voorzover zij die mededelingen behelzen. Met betrekking tot de sancties het volgende: Allereerst de niet-ontvankelijkheid. Luidens de heersende jurisprudentie is dat een hoogst uitzonderlijk iets en de rechtbank is van mening dat het uitsluiten van op ongeoorloofde wijze verkregen bewijs en het verdisconteren van het onrechtmatig handelen in de straf veel verfijndere middelen zijn om op onbehoorlijke opsporing in de opsporingsfase te reageren. Niet-ontvankelijkheid is aan de orde als er doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen te kort wordt gedaan aan een behoorlijke behandeling van zijn zaak. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan nu nog geen sprake. Ook niet is genoegzaam komen vast te staan dat de onregelmatigheden -of de onregelmatigheid zo men wil- bepalende invloed heeft gehad op de vervolging van de verdachte. De beslissingen op de andere twee sancties komen in een later stadium aan de orde, namelijk bij de inhoudelijke behandeling van de zaak. De onjuiste informatie van het OM aan de rechtbank ter terechtzitting van 6 december 2001, merkt de rechtbank aan als een ernstige onzorgvuldigheid en zij neemt dat het OM ook hoogst kwalijk. Aan de andere kant is de rechtbank ook van mening dat het een gevolg is van een miscommunicatie tussen OM en politie. Kwaad opzet tot misleiding van de rechtbank heeft zij er niet in gezien." 83. In haar eindvonnis heeft de rechtbank de volgende overwegingen aan het hier behandelde onderwerp gewijd: "Met betrekking tot de fouten die het Openbaar Ministerie bij de telefoontaps heeft gemaakt en de onjuiste inlichtingen die het Openbaar Ministerie terzake die taps aan de rechtbank verstrekt heeft, kan de rechtbank betrekkelijk kort zijn. Het had niet mogen gebeuren. Eerder is al door de rechtbank beslist dat er geen grond is om het Openbaar Ministerie wegens deze feiten niet-ontvankelijk te verklaren. Bewijs voor bewezen verklaarde feiten is noch direct noch indirect als gevolg van deze omstandigheden verkregen, zodat er geen grond voor bewijsuitsluiting is. Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank wel met deze omstandigheid rekening gehouden." 84. Als algemene klacht wordt in de toelichting op het middel in punt 3 betoogd dat het hof met de wijdst mogelijke boog heen is gelopen om alle kwesties die in het verweer aan de orde zijn gesteld. 85. Die klacht acht ik niet terecht. De beknopte bespreking van het uitvoerige verweer is vooral het resultaat van het door de raadsman bepleite rechtsgevolg, te weten niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. In aanmerking genomen dat daarvoor alleen plaats is, zoals voorafgaand aan de bespreking van het zevende middel uiteen is gezet, indien moedwillig of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan, kon het hof volstaan met de vaststelling dat dáárvan geen sprake was door het afluisteren en uitluisteren van een aantal telefoongesprekken met geheimhouders en het uitwerken en aan het dossier toevoegen van enkele van die gesprekken in plaats van de vernietiging daarvan of door de soms tegenstrijdige mededelingen van de zijde van de vervolgende instanties daaromtrent. 86. Hierop stuiten op één na alle in de toelichting geformuleerde subklachten af. Bij die klachten lijkt mij een relativering op haar plaats. Het is eenvoudigweg ondenkbaar dat in een zó omvangrijk onderzoek als het onderhavige geen enkele fout gemaakt wordt. Het impliciete oordeel van het hof dat geen cruciale fouten zijn gemaakt die de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zouden behoren mee te brengen is niet onbegrijpelijk en evenmin rechtens onjuist. Daarbij verdient opmerking dat het wel een bijzonder simpele voorstelling van zaken is dat afluisterapparatuur zodanig te programmeren is dat telefoonnummers van geheimhouders gesignaleerd worden en opname van hun gesprekken voorkomen wordt. Immers: beschermd zijn niet telefoonaansluitingen van geheimhouders, en evenmin gesprekken van geheimhouders die gemene zaak maken met de verdachte. Het kan dus niet anders of beoordeeld en vastgesteld moet worden dat het afgeluisterde en opgenomen gesprek zich inderdaad tussen de verdachte en de geheimhouder (of zijn verlengde arm) afspeelt, en dat het onderwerp van het gesprek het geheimhoudingsrespect verdient. 87. Eén klacht bespreek ik wel. Het hof zou een onjuiste maatstaf hebben aangelegd door te overwegen dat niet gebleken is dat de vormverzuimen moedwillig zijn begaan en dat niet gebleken is dat verzoeker in zijn verdediging is geschaad; de hier aan te leggen maatstaf is: of zulks aannemelijk is geworden. 88. Zoals het middel terecht stelt is de vigerende standaard bij de afwijzing van een bewijsverweer of een strafuitsluitingsgrond of de feiten aannemelijk zijn geworden; niet: of zij zijn gebleken, noch: of zij door de verdachte aannemelijk zijn gemaakt. Dat het hof hier een strengere standaard heeft willen toepassen acht ik niet aannemelijk. Uw Raad heeft in het verleden de andersluidende bewoordingen in een arrest wel verstaan als de kennelijk beoogde. Dat kan nu ook geschieden (HR 12 januari 1971, NJ 1971, 293; HR 17 februari 1981, NJ 1981, 432). 89. Het negende middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op het verweer strekkend tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wegens het onjuist informeren van de zittingsrechter in verband met de gang van zaken met betrekking tot de afgeluisterde geheimhoudersgesprekken. 90. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Om met dit verweer het daarmee beoogde resultaat van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie te bereiken, moest vast komen te staan, en nu verval ik in herhaling, dat door het gestelde onjuist voorlichten moedwillig of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte inbreuk was gemaakt op verzoekers recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak. De verwerping van het verweer is gegeven met 's hofs vaststelling dat niet is gebleken dat de verzuimen moedwillig zijn begaan alsmede in zijn vaststelling dat verzoeker niet in zijn verdediging is geschaad, welke vaststelling in het middel overigens niet wordt aangevallen. Dat het hof daarbij ook de door de verdediging aangekaarte onjuiste voorlichting in zijn beoordeling heeft betrokken blijkt uit de zinsnede "ondanks soms tegenstrijdige mededelingen van de zijde van de vervolgende instanties." 91. Het middel faalt. 92. Het tiende middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde niet geheel uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. 93. Ten laste van verzoeker is onder 1 bewezenverklaard dat: "dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 en in de periode van 27 april 1998 tot en met 12 mei 2000, in de gemeente Enschede, terwijl aan de besloten vennootschap SE Fireworks door en/of namens Burgemeester en Wethouders van de gemeente Enschede bij besluit van 22 april 1997, kenmerk H 6886, en aan voornoemde vennootschap onder firma bij besluit van 19 juli 1999, kenmerk Wm 1723, vergunningen krachtens de Wet milieubeheer waren verleend tot het in die gemeente op het perceel [a-straat 1], oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in categorie 3 van bijlage van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, in genoemde inrichting, zich heeft gedragen in strijd met voorschriften verbonden aan voormelde vergunningen, immers heeft meergenoemde vennootschap onder firma - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in een voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats; en - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.1.2 vuurwerk aanwezig gehad in de als "02" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte, zijnde elders dan in een voor de opslag van vuurwerk bestemde bewaarplaats; en - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 vuurwerkbewaarplaatsen niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(
- en)die zelfsluitend was/waren; en - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 vuurwerkbewaarplaats(en), te weten de zogenoemde MAVO-boxen, niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(
- en)die zelfsluitend was/waren en die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.2.1 een of meer van de aldaar geplaatste zeecontainers niet voorzien en voorzien gehouden van (een) toegangsdeur(
- en)die zelfsluitend was/waren en die een brandwerendheid van ten minste 30 minuten bezat(en); en - opzettelijk in strijd met voorschrift 13.3.5 meermalen, telkens niet zodra de werkzaamheden in de als "02" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte waren beëindigd, het restant van het vuurwerk en/of het omgepakte vuurwerk weer naar een/de bewaarplaats(
- en)teruggebracht of doen terugbrengen; en - niet opzettelijk in strijd met de voorschriften 13.2.10 en 2.1.1 en 3.2.9 in een/de bewaarplaats(
- en)en in een/de (zogenaamde) MAVO-box(
- en)en in een/de zeecontainer(
- s)meer vuurwerk en/of vuurwerk van een zwaardere klasse opgeslagen, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verboden gedragingen" 94. In de toelichting op het middel wordt deze klacht ten eerste aldus gespecificeerd dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verzoeker opdracht heeft gegeven tot het in strijd met voorschrift 13.2.1 van de ingevolge de Wet milieubeheer verstrekte vergunning niet voorzien en voorzien houden van vuurwerkbewaarplaatsen van (een) toegangsdeur(
- en)die zelfsluitend was/waren alsmede tot het in strijd met dat voorschrift niet voorzien en voorzien houden van MAVO-boxen van (een) zelfsluitende en tenminste 30 minuten brandwerende toegangsdeur(en). 95. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen