← Nederland

ECLI:NL:PHR:2005:AP8469

Nr. 00046/04 E Mr. Jörg Zitting 5 oktober 2004 Aanvullende conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]

  1. In de onderhavige zaak, die verband houdt met de Enschedese vuurwerkramp, heb ik op 22 juni 2004 een conclusie genomen. Nadien is gebleken dat een door de verdediging gedaan verzoek om de schriftuur mondeling toe te lichten als bedoeld in art. 438, tweede lid onder a, Sv, over het hoofd is gezien. Op 14 september 2004 is de verdediging alsnog in de gelegenheid gesteld de schriftuur mondeling toe te lichten. Aan de hand van een pleitnota, die aan de Hoge Raad is overgelegd, heeft mr. J.P. Plasman, advocaat te Amsterdam, op voormelde datum de schriftuur mondeling toegelicht.
  2. In deze toelichting is één vraag in het bijzonder in de aandacht van Uw Raad aanbevolen, te weten, of in de onderhavige zaak gesproken kan worden van schuld in de betekenis die daaraan volgens art. 158 (oud) Sr moet worden verleend.
  3. Tegen 's hofs bevestigende beantwoording van deze vraag is in de schriftuur in het eerste middel een aantal klachten opgeworpen. In mijn conclusie van 22 juni 2004 heb ik uiteengezet waarom deze klachten falen en dat (en waarom) het oordeel van het hof geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en dit oordeel evenmin onbegrijpelijk is. De kennisneming van de toelichting op 14 september jongstleden heeft mij niet tot een andere mening gebracht. In deze aanvullende conclusie zal ik een en ander nader toelichten, met inachtneming van de punten waarop in de mondelinge toelichting op de schriftuur de nadruk is gelegd.
  4. Voorafgaand aan de bespreking van het standpunt van de verdediging wijd ik enige woorden aan schuld in het strafrecht in het algemeen en voorts in het bijzonder aan schuld als bedoeld in art. 158 (oud) Sr.
  5. In de strafrechtelijke literatuur worden verschillende betekenissen verleend aan het begrip schuld.

(1)Een wel gemaakt onderscheid is dat van schuld op elementniveau, op bestanddeelniveau en schuld in verband met de straftoemeting.
(2)De strafvorderlijke schuld ("voldoende aanwijzing van schuld", het-gedaan-hebben) laat ik verder onbesproken. 6. Met schuld op elementniveau wordt dan gedoeld op de voor elke strafrechtelijke veroordeling vereiste verwijtbaarheid van het handelen. Hierin komt het karakter van ons strafrecht tot uiting als wij spreken over schuldstrafrecht. Dit, in tegenstelling tot de (oude) "Erfolgshaftung", waarin enkel de gevolgen van de daad relevant zijn en het verwijt dat de dader daarvoor gemaakt kan worden geen gewicht in de schaal legt. Iets daarvan is terug te vinden indien wij in de moderne tijd spreken over risico-aansprakelijkheid, waarin geen ruimte is voor nuancering naar gelang van de (mate van) verwijtbaarheid. Algemeen gezegd passen wij geen risico-strafrecht toe, en is er altijd - hoe gering soms ook - de mogelijkheid om aan bestraffing te ontkomen wanneer de dader van zijn daad in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt. Met name in het economisch verkeer gaat de aansprakelijkheid overigens heel ver, omdat het daar nu eenmaal gaat om activiteiten die men vrijwillig en bij zijn volle verstand verricht, en de eisen die uit een veelheid van belangen voortvloeien (bijvoorbeeld voedselveiligheid; regulering van gevaarlijke industriële bedrijvigheid) uiterste waakzaamheid vergen. Niettemin geldt ook daar het beginsel: geen straf zonder schuld.
(3)Dit vindt zijn uitwerking in de geschreven en ongeschreven
(4)strafuitsluitingsgronden. 7. Bij schuld op bestanddeelniveau, ook wel culpa genoemd, gaat het om de betekenis van dit begrip zoals dat in de delictsomschrijving is opgenomen. Hier kan worden volstaan met de algemene opmerking dat wanneer schuld bestanddeel is, dit bestanddeel is vervuld indien de verdachte een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid aan de dag heeft gelegd: het gaat om culpa lata, en niet om culpa levis. Deze laatste ligt beneden het verwijtbaarheidsniveau, hoe desastreus de gevolgen van deze lichtste vorm van onachtzaamheid ook mogen zijn.
(5)Op de culpa lata kom ik - ook toegesneden op de onderhavige zaak - uitgebreid terug. 8. Bij schuld als begrip bij de straftoemeting past de notie 'straf naar de mate van schuld', hetgeen een ongeschreven, zij het door Uw Raad niet volledig omarmd beginsel in ons strafrecht is. Het beginsel treedt in werking wanneer wij onderscheiden naar algehele, verminderde of ontbrekende toerekeningsvatbaarheid. Consequent uit dit beginsel doorredenerend kan aan een verminderd toerekeningsvatbare dader nooit de op een delict gestelde maximumstraf worden opgelegd, of een straf die daar dicht onder ligt. Deze consequentie trekt de Hoge Raad echter niet.
(6)Maar ook buiten het kader van de (on)toerekeningsvatbaarheid wordt het beginsel toegepast, zoals wanneer een beroep op noodweer wordt verworpen, maar de straf toch licht uitvalt. Hoe dit ook zij: voordat de rechter in een concrete zaak aan een oordeel op dit vlak toekomt, heeft hij de schuld op elementniveau en - indien de delictsomschrijving daartoe noopt - op bestanddeelniveau vastgesteld.
  1. In de praktijk worden deze verschillende betekenissen niet steeds strikt gescheiden. Dat hoeft ook niet. Wanneer de rechter een forse straf oplegt voor hoogst roekeloos rijgedrag, stelt hij daarmee de culpa lata vast, de verwijtbaarheid an sich, en de mate van verwijtbaarheid die relevant is voor de straftoemeting. Op alle drie voormelde niveaus wordt daarmee iets over schuld gezegd. Het is, ook in verband met de onderhavige zaak, nuttig dit onderscheid voor ogen te houden omdat 's hofs overwegingen enerzijds voor een deel hoofdzakelijk betrekking hebben op de schuld op bestanddeelniveau en anderzijds vooral zien op schuld als begrip bij de straftoemeting. Het hiernavolgende heeft, omdat daartegen de klachten van de verdediging zich richten, in het bijzonder betrekking op 's hofs vaststelling van de schuld op bestanddeelniveau.
  2. Schuld als bestanddeel, culpa, heeft volgens De Hullu twee kanten. De dader moest anders handelen en kon ook anders handelen. Het voorgevallene was vermijdbaar en is verwijtbaar.
(7)Zoals Remmelink schreef: "culpa is het niet of onvoldoende werkelijk voorzien hebben van het fatale gevolg van zijn gedrag, hoewel dat gemakkelijk had gekund en derhalve had behoord."
(8)Daarbij geldt, als gezegd, in het algemeen dat niet reeds van schuld in deze betekenis sprake is bij de geringste onachtzaamheid, of wanneer niet de uiterste voorzichtigheid is betracht. Er moet sprake zijn van het niet in acht nemen van die voorzichtigheid die van ieder persoon mag worden gevergd, dus een min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid.
(9)
  1. Behalve dat schuld feitelijk en psychisch wordt gekleurd (de verdachte kon zowel feitelijk als psychisch anders handelen) is schuld dus een sterk normatief gekleurd begrip: de verdachte behoorde anders te handelen, de verdachte behoorde te weten van de gevaren. Hoe streng de normen zijn waaraan de verdachte moet voldoen - wat in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht - is daarbij afhankelijk van verschillende factoren.
  2. Een belangrijke factor is de functie of hoedanigheid van de verdachte en het kader waarin hij handelt. Van personen die beroepsmatig met bepaalde risico's worden geconfronteerd wordt ten aanzien van die risico's een grote mate van oplettendheid verlangd alsmede een grote zorgvuldigheid in het voorkomen dat die risico's zich verwezenlijken. Die eisen mogen worden gesteld. Zie mijn eerder, bij risico-aansprakelijkheid, gemaakte opmerking.
  3. Onze samenleving is in hoge mate gespecialiseerd. Die specialisering brengt mee dat ieder die vrijwillig in een bepaalde functie of hoedanigheid optreedt, de daarbij behorende verantwoordelijkheid, ook uit te drukken als zorgplicht, op zich neemt. Zo mag bijvoorbeeld van een verpleegster uiterste zorgvuldigheid worden verlangd ten aanzien van het zich ervan vergewissen de juiste narcosemiddelen te verstrekken aan degene die de medische ingreep verricht.
(10)Zelfs een apothekersassistente-stagière kan zich niet van een verwijt van onvoorzichtigheid bevrijden door zich te beroepen op het advies van haar begeleidster.
(11)Van de vrachtwagenchauffeur die rechts afslaat wordt uiterste oplettendheid gevergd ten aanzien van de mogelijkheid dat zich in zijn dode hoek een zwakkere verkeersdeelnemer bevindt.
(12)Men spreekt in dit verband van Garantenstellung.
(13)Wat iemand behoorde te weten en hoe iemand behoorde te handelen wordt door de omstandigheden en eisen van iemands functie/hoedanigheid sterk gekleurd.
  1. Andere factoren die van belang zijn bij het vaststellen of sprake is van aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid, zijn de geestesgesteldheid van de verdachte en de aard van het handelen, objectief beschouwd.
  2. Wat de geestesgesteldheid betreft kunnen gevallen waarin de verdachte tevoren besef heeft gehad van het bestaan van het risico, doch gehoopt heeft dat zich dit niet zou realiseren (bewuste schuld) worden onderscheiden van gevallen waarin de verdachte tevoren niet van een bestaand risico op de hoogte was, van welke onwetendheid hem niettemin een verwijt kan worden gemaakt omdat hij had het behoren te weten (onbewuste schuld). Een preciezer onderscheid van de verschillende gradaties van dit inwendige, ook wel subjectieve, aspect van de schuld is mogelijk.
(14)16. Wat de aard van het handelen betreft kan (opnieuw) worden gewezen op de regulering van allerlei sectoren van de samenleving, soms in zeer vergaande mate, zoals - en dat is voor de onderhavige zaak van belang - in het belang van ieders veiligheid. Bijkans onoverzienbaar veel handelings- en gedragsvoorschriften worden door de wetgever uitgevaardigd, zoals verkeersregels voor ieder die zich in het verkeer begeeft, en veiligheidsvoorschriften voor bedrijven.
(15)Wanneer men in strijd handelt met voorschriften die juist met het oog op de veiligheid in het leven zijn geroepen en indien daardoor de gevolgen intreden die deze voorschriften beoogden te voorkomen, kan al snel worden gesproken van aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid,
(16)hoewel ik niet zal ontkennen dat overmacht of afwezigheid van alle schuld hier mogelijk is. Rijdt men als automobilist te hard door de bebouwde kom, schendt men kortom een met het oog op de veiligheid gegeven norm, en veroorzaakt men een ongeval, dan zal men een harde dobber hebben om aan het schuldoordeel te ontkomen.
(17)Snelheid zou een totaal irrelevante omstandigheid moeten zijn bij het ontstaan van het ongeval. 17. Verder kan in dit verband worden gewezen op de omvang en de aard van de risico's waarop het handelen of nalaten betrekking heeft. Naarmate de risico's voor het leven van anderen groter worden, mogen hogere eisen worden gesteld aan degene die ervoor zorg moet dragen dat deze risico's zich niet verwezenlijken.
(18)Van bedienaren van een contrôlepaneel van een kerncentrale of van luchtverkeersleiders mag worden geëist dat zij nooit een verkeerde knop indrukken, nooit de aandacht laten verslappen.
(19)
  1. Tot zover over culpa in het algemeen. Alvorens aan een bespreking van de onderhavige zaak toe te komen eerst nog kort iets over het hier toepasselijke art. 158 (oud) Sr. Hoe deze bepaling luidt is weergegeven in de conclusie onder punt
  2. Voor een veroordeling gebaseerd op art. 158 (oud) Sr zal moeten worden vastgesteld dat het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat een brand, een ontploffing of overstroming is gevolgd. Dít gevolg, de brand, ontploffing of overstroming, moet dus te wijten zijn aan diens aanmerkelijke en verwijtbare onvoorzichtigheid. De gevolgen die de brand, ontploffing of overstroming vervolgens heeft zijn aan het vorenbedoelde schuldverband onttrokken. Dit wil zeggen: wetenschap van de mogelijke gevolgen van een ontploffing (of gebrek aan wetenschap) doet niet ter zake.
  3. Voldoende in dit opzicht is dat een causaal verband bestaat tussen de brand, ontploffing of overstroming en de gevolgen daarvan. Dit causale verband wordt beheerst door de leer van de redelijke toerekening. Zolang de gevolgen van de brand, ontploffing of overstroming van zodanige aard zijn dat zij in redelijkheid als gevolg van de brand, ontploffing of overstroming aan de dader kunnen worden toegerekend, kan het vereiste causale verband aanwezig worden geacht.
(20)Indien een onafhankelijke oorzaak het gevolg in directe zin heeft bewerkstelligd, zal in redelijkheid het gevolg niet meer aan de eerstgedachte dader kunnen worden toegerekend. Bijvoorbeeld: de ambulance waarin het slachtoffer van de ontploffing naar het ziekenhuis wordt vervoerd raakt in een slip en te water, waardoor de gewonde verdrinkt. 21. Bij een tenlastelegging die is toegesneden op art. 158 (oud) Sr wordt de verdachte dus niet verweten dat hij schuld heeft aan de dood van slachtoffers. Hem wordt verweten schuld te hebben aan het ontstaan van een brand, ontploffing of overstroming, waarmee bepaalde gevolgen, zoals de dood van personen in relevant causaal verband staan.
(21)22. In de onderhavige zaak is de tenlastelegging en bewezenverklaring van feit 4, in mijn eerdere conclusie weergegeven onder punt 6, toegesneden op art. 158 (oud) Sr. 23. Kort samengevat is de schuld van verzoeker, de culpa lata dus, - als feitelijk leidinggever van SE Fireworks - aan de ontploffingen en branden die de dood van twintig personen ten gevolge hebben gehad, hierop gegrond dat SE Fireworks in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk: - vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als C2 aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als "H" aangemerkte ruimte; - onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk aanwezig heeft gehouden; - een vuurwerkbedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffingen en/of het zich kunnen uitbreiden van brand, immers: • waren deuren van vuurwerkopslagplaatsen (de zogenoemde Mavo-boxen) en (zee)containers niet zelf-sluitend; en waren deze deuren onvoldoende brandwerend en • werd vuurwerk opgeslagen gehouden in zeecontai-ners, welke onvoldoende brandwerend waren; en; • was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aanwezig, en - vuurwerk heeft opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was. Hierdoor is het aan de schuld van SE Fireworks te wijten dat - toen op enige wijze op het terrein van SE Fireworks brand was ontstaan - deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat de fatale branden en ontploffingen - dus: met de dodelijke gevolgen - ontstonden. 24. Dat het voeren van een vuurwerkbedrijf grote risico's kan meebrengen, ook voor de omgeving daarvan, is evident. Dat is niet alleen makkelijk gezegd ná de onderhavige ramp, als waren wij toeschouwers bij een Griekse tragedie. Voorafgaand daaraan was de explosieve kracht van vuurwerk reeds geïllustreerd door de explosie op 14 februari 1991 van de vuurwerkfabriek MS Vuurwerk te Culemborg, waarbij twee personen om het leven kwamen. Ook buiten vuurwerkkringen is die ontploffing bekend. Dat vuurwerkfabrieken regelmatig ontploffen is een wereldwijd bekend fenomeen, waarvoor men alleen maar op Google "ontploffingen+vuurwerk" behoeft in te tikken. 25. Dit evident gevaarlijke karakter van vuurwerk doet op de vuurwerkondernemer, in het bijzonder wanneer zijn opslag zich in de nabijheid van een woonwijk bevindt, een zware zorgplicht rusten wat betreft het waarborgen van de veiligheid. Niet slechts voor zijn eigen personeel, maar ook, en met name, voor de omgeving. De vuurwerkondernemer dient hierop gespitst te zijn; hij moet onafgebroken op zijn qui vive te zijn. Dat degene die een dergelijk vuurwerkbedrijf voert de daaraan verbonden risico's en in het bijzonder de voorschriften die ertoe strekken te voorkomen dat die risico's zich verwezenlijken hoogst serieus moet nemen, behoeft geen betoog. 26. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de bewezenverklaarde omstandigheden op grond waarvan de culpa lata is geconstrueerd bijna allemaal direct in strijd zijn met de voorschriften die, zo is in de vergunning opgenomen: "met betrekking tot brandpreventie en brandbestrijding" zijn verbonden aan de aan SE Fireworks ingevolge de Wet milieubeheer verstrekte vergunning. 27. Volgens die voorschriften:
  1. a)mocht geen vuurwerk aanwezig zijn in de als "H" aangemerkte ruimte, hetgeen wel het geval was (er lag ongeveer een halve container vuurwerk);
  2. b)mocht behoudens tijdens werkzaamheden geen vuurwerk aanwezig zijn in de als "C2" aangemerkte ruimte, hetgeen wel het geval was (er lag onder meer altijd ongeveer 350 à 400 kilo vuurwerk opgeslagen);
  3. c)moesten de vuurwerkbewaarplaatsen, MAVO-boxen en zeecontainers voorzien zijn van zelfsluitende toegangsdeuren, hetgeen niet het geval was;
  4. d)moesten de MAVO-boxen en zeecontainers voorzien zijn van deuren met een brandwerendheid van tenminste 30 minuten, hetgeen niet het geval was;
  5. e)moest het in "C2" aanwezige vuurwerk zodra de werkzaamheden waren beëindigd terug worden gebracht naar een voor de opslag bestemde bewaarplaats, hetgeen niet geschiedde (open en bloot lag er voor shows gereed gemaakt vuurwerk alsmede vuurwerk dat niet was afgegaan en dat moest worden gerepareerd); en
  6. f)mocht slechts een kleine hoeveelheid vuurwerk worden opgeslagen van klasse 1.3G en overigens alleen vuurwerk van de klasse 1.4G of 1.4S (dat wil zeggen: vuurwerk zonder gevaar voor massa-explosie, zie punt 66 van mijn eerdere conclusie). Ook aan deze verhouding schortte het; er lag meer dan 100.000 kilo vuurwerk van de klasse 1.3 of een zwaardere klasse, bovendien lag er verboden 1.1 vuurwerk. 28. Terzijde verdient hier opmerking dat de vennootschap ook op andere punten de vergunning(svoorwaarden) aan haar laars lapte, zoals blijkt uit het zonder vergunning bijplaatsen van zeecontainers op het terrein, en als opslagruimte gebruiken daarvan. Dit is niet van direct belang voor de vaststelling van de schuld, maar kleurt wel het beeld van een onderneming waarin de drijfveer van winstmaximalisatie het oog voor andere belangen, met name levensbelangen van anderen, ernstig heeft vertroebeld. Tekenend is in dit verband ook de illegale handel in vuurwerk - verkoop van professioneel vuurwerk aan particulieren - waaraan verzoeker zich schuldig heeft gemaakt. 29. Voorts volgt uit het tot het bewijs gebezigde NFI-rapport omtrent het ontstaan en verloop van de ramp dat de brand die het vuurwerk in zeecontainer E2 heeft ontstoken waarschijnlijk is ontstaan door brandend of smeulend vuurwerk uitgeworpen uit de - brandende - montageruimte C2. Op dat moment mocht volgens de met het oog op brandpreventie en -be-strijding gegeven vergunningsvoorschriften in de ruimte C2 evenwel helemaal geen vuurwerk aanwezig zijn. Vervolgens heeft in het bijzonder het massa-explosieve karakter van het in strijd met de vergunning aanwezige vuurwerk het verdere verloop en de omvang van de ramp bepaald. Ik citeer hier het tot het bewijs gebezigde slot van bedoeld NFI-rapport: "Als de situatie bij het vuurwerkbedrijf SE Fireworks geheel conform de in de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer gestelde voorwaarden zou zijn geweest had de brand in de montageruimte C2 van de bewaarplaats niet kunnen escaleren tot de heftige explosies die op 13 mei 2000 hebben plaatsgevonden. Dat de brand in C2 toch heeft kunnen leiden tot de twee zware explosies is waarschijnlijk veroorzaakt door de volgende factoren: • De aanwezigheid van vuurwerk in de montageruimte C2 van de bewaarplaats. • Massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in Mavo-box M7. Dit gedrag heeft geleid tot een vrijwel gelijktijdige explosie van de inhoud van de Mavo-boxen M1 tot en met M6. • Massa-explosief gedrag van het vuurwerk opgeslagen in C11. Vrijwel tegelijk is de inhoud van de overige opslagruimten van de bewaarplaats en van een aantal zeecontainers geëxplodeerd." 30. In de mondelinge toelichting op de schriftuur is 's hofs oordeel omtrent de schuld in de zin van art. 158 (oud) Sr nog eens bestreden. Na op basis van een a contrario redenering te hebben geconcludeerd dat het hof voor deze schuldvraag alleen de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk relevant heeft geacht en niet de reeks andere in de bewezenverklaring opgenomen omstandigheden - alsof het hof over één nacht ijs is gegaan! -, wordt een aantal argumenten ingebracht tegen 's hofs vaststelling van de schuld aan het aanwezig hebben van dat vuurwerk. De hoofdlijn in het betoog is dat een model vuurwerkondernemer niet anders zou hebben gehandeld dan verzoeker, nu de regelgeving op het gebied van etikettering gebood blind op het etiket af te gaan. Op de etiketten van het vuurwerk stond steeds dat de gevaarssubklasse 1.4 was. Daarvan is verzoeker dan ook uitgegaan. 31. Bij de beoordeling verdient vooropstelling dat het verzoeker en zijn mededirecteur waren op wie bij uitstek de plicht rustte om geen onveilige situatie te doen ontstaan in en om het bedrijf. Dat zij daarin grotelijks hebben gefaald is duidelijk. Als excuus wordt onder meer - zij het met nadruk - gewezen op de etiketten van het voornamelijk van Chinese producenten ingekochte vuurwerk. Op de door die producenten aangebrachte etiketten stond 1.4, hetgeen betekent dat het om niet-massaexplosief vuurwerk ging. Daarop is verzoeker afgegaan en moest hij ook afgaan, aldus de verdediging. 32. Allereerst moet worden vastgesteld dat de in de mondelinge toelichting beproefde a contrario-redenering niet op gaat. 33. Het onverpakt achterlaten van vuurwerk is extra gevaarlijk, omdat het risico van ontbranding met alle mogelijke gevolgen van dien daardoor veel groter wordt. Dat was de reden dat in de milieuvergunning expliciet het verbod was opgenomen om onverpakt vuurwerk achter te laten in de werk- en ompakruimte C2. De overtreding van dit verbod heeft - zoals volgt uit het TNO-rapport - waarschijnlijk in hoge mate in het beginstadium aan de uitbreiding van de brand bijgedragen. Dus hoewel de uiteindelijke omvang van de ramp meer een gevolg was van de aanwezigheid van het massa-explosieve vuurwerk, is voor het ontstaan van de ramp en dus voor de vaststelling van de hier relevante schuld in de zin van art. 158 (oud) Sr ook deze - eveneens funeste - overtreding zeer relevant. 34. Dan de opvatting dat verzoeker op het etiket moest afgaan. Dat klinkt alsof hij daartoe door de overheid is gedwongen terwijl diezelfde overheid hem daarvan nu een verwijt maakt. Maar zo is het niet. Verzoeker mocht een vuurwerkhandel drijven en moest daarbij de veiligheid waarborgen in welk kader hem vergund was een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de gevarensubklasse 1.4 op te slaan en een zeer geringe hoeveelheid van gevarensubklasse 1.3. Zijn zorgplicht als vuurwerkondernemer met een grote opslag in een woonwijk bracht mee dat zodra verzoeker reden zou hebben te twijfelen aan de juistheid van de indeling van bepaalde vuurwerkproducten in een bepaalde gevarensubklasse door de producenten waarmee hij handel dreef, hij zich met het oog op de veiligheid hieromtrent minstgenomen nader moest informeren of ervan afzien dit product nog langer te voeren. 35. Ik grijp even terug naar het hiervoor genoemde voorbeeld van het ongeval met de snelheidsover-treder. Het baat hem niet om te zeggen dat hij niet wist dat hij te hard reed omdat hij niet op zijn snelheidsmeter heeft gekeken (die in zijn voertuig aanwezig moet zijn).
(22)Een betere vergelijking is nog wanneer de automobilist zou zeggen dat zijn snelheidsmeter geen hogere dan de toegestane snelheid aangaf, maar dat blijkt dat de snelheidsmeter defect is. Dan wordt relevant of er omstandigheden zijn aan te wijzen op grond waarvan de verdachte niet heeft mogen vertrouwen op hetgeen de snelheidsmeter aangaf. Een fors verschil tussen de gemeten en de werkelijke snelheid is zo'n omstandigheid. Dat kan niemand ontgaan, en dat mag een verantwoordelijke automobilist niet ontgaan. Vertaald naar deze zaak, waarin is komen vast te staan dat de op de verpakking van het vuurwerk aangegeven gevaarsklasse - telkens 1.4 - niet juist was, omdat het in feite ging om massa-explosief vuurwerk, moet de vraag worden gesteld of er omstandigheden zijn aan te wijzen op grond waarvan verzoeker niet heeft mogen vertrouwen op hetgeen de etiketten aangaven. 36. Het hof heeft vastgesteld dat zulke omstandigheden er zijn en dat verzoeker niet heeft mogen vertrouwen op de etiketten. Daarbij heeft het hof meegewogen (p. 14 arrest) dat verzoeker dagelijks professioneel met vuurwerk bezig was en beschikte over deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten en dat verzoeker en zijn mededirecteur een zelfstandige verantwoordelijkheid hadden als ondernemers in vuurwerk, waarvan zij beter dan wie ook de gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen. In het algemeen mocht van hen dus, anders gezegd, kennis van zaken en een zeer alerte houding worden verwacht; ook ten aanzien van de categorieën toegestaan vuurwerk (1.4 en een beetje 1.3; geen 1.1). De volgende omstandigheden, welke het hof in onderlinge samenhang heeft beschouwd, heeft het hof aangewezen op grond waarvan verzoeker in het bijzonder gealarmeerd had moeten raken. (
  1. a)(p. 12 en 14 arrest) Verzoeker heeft een grote ervaring in het bezigen van vuurwerk en had bij het bezigen in ieder geval van de titanium shells - waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld en die in de gevarensubklasse 1.1 zijn ingedeeld - moeten vermoeden dat de indeling daarvan in de lichtste gevarensubklasse 1.4 niet juist was. De omschrijving van vuurwerk van gevarensubklasse 1.4 - waarmee verzoeker wegens de door hem gevolgde (pilot) van de PTO-cursus bekend was - luidt (zie ook punt 66 van mijn eerdere conclusie): "Stoffen en voorwerpen die slechts gering gevaar opleveren indien zij tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot het collo en leiden niet tot scherfwerking van enige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een explosie op praktisch hetzelfde ogenblik van nagenoeg de gehele inhoud van het collo." (
  2. b)(p. 12 arrest) Een rotsvast vertrouwen in de etikettering was minder op zijn plaats omdat - naar verzoeker had moeten beseffen - te vrezen viel dat bij de etikettering door de Chinese producenten commerciële motieven zouden voorzitten. Minder gevaarlijk vuurwerk laat zich immers goedkoper verpakken en transporteren; vandaar dat valse etiketten te duchten vallen. (
  3. c)(p. 12 arrest) Verzoeker is meermalen geconfronteerd met verschillen tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3) inzake de classificering van aan hem geleverde vuurwerkproducten. Dit had, zeker in het licht van punt (
  4. b)alle alarmbellen bij verzoeker moeten doen rinkelen. (
  5. d)(p. 12 arrest) Verzoeker beschikte over MSDS-lijsten, bevattende de gegevens inzake de samenstelling van het vuurwerk (soort en hoeveelheid kruit) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard daarvan. Het hof heeft uitgesloten geacht dat verzoeker, gelet op zijn ervaring in het bezigen van vuurwerk en mede de onder (
  6. b)genoemde omstandigheid in aanmerking nemend, bij serieuze kennisname van deze gegevens geen twijfels zou hebben gehad aan juistheid van de gevarensubklasse-indeling. 37. Dat het hof hierop de culpa lata heeft gegrond ten aanzien van het aanwezig hebben van massa-explosief vuurwerk, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Een model-vuurwerkondernemer met de ervaring en capaciteiten van verzoeker en een opslag gesitueerd zoals die van verzoeker, zou hebben getwijfeld aan de juistheid van de etikettering en daarop actie hebben ondernomen. Een dergelijke ondernemer zou een scherper oog voor de veiligheidsaspecten hebben gehad en uiteraard ook de in dat kader aan zijn onderneming opgelegde voorschriften op eigen initiatief - en niet omdat de overheid zulks (in casu: niet) controleert - strikt hebben nageleefd. Ook al omdat het na de explosie in Culemborg geen verrassing meer was met welk een kracht opgeslagen vuurwerk kan exploderen. Op de in de mondelinge toelichting meermalen geuite verzuchting dat niemand in Nederland zich voor 13 mei 2000 van de gevaren van vuurwerk bewust is geweest valt dus wel het een en ander af te dingen. Wel is het zo dat de ramp in Enschede door zijn omvang ook in controlerend en bestuurlijk Nederland een schok teweeg heeft gebracht, alsof men zich toen pas realiseerde hoe gevaarlijk het was zulke bedrijven in woonwijken te hebben. In dit licht moeten 's hofs overwegingen dienaangaande worden gezien. Verzoeker was nu juist door zijn nauwe betrokkenheid en grote ervaring iemand die zich als geen ander van het gevaar bewust had moeten zijn. 38. Dat iemand met verzoekers jarenlange ervaring in het bezigen van vuurwerk aan de hand van de samenstelling van vuurwerk, en dus op grond van serieuze kennisneming van de MSDS-lijsten, iets kan vermoeden omtrent de effecten daarvan acht ik, anders dan de verdediging, niet onbegrijpelijk. Het hof kon in het hierboven uiteengezette geheel van relevante schuldfactoren ook op dit punt acht slaan. 39. De opvatting die ik beluister in het betoog van de verdediging dat het schuldoordeel willekeurig is, omdat dit niet zou kunnen worden toegepast op andere bedrijven die geen vuurwerk bezigden, doch dit alleen hebben opgeslagen, deel ik niet. De aanwezigheid van culpa wordt steeds bepaald door de omstandigheden van het individuele geval en kan voor een belangrijk deel zijn gelegen in subjectieve factoren. Dat is geen willekeur, doch maatwerk met het oog op een rechtvaardige uitkomst. Verzoekers bedrijf was geen 'passief' opslagbedrijf, maar een bedrijf dat actief bezig was met het samenstellen van evenementen-vuurwerk, met het afvuren ervan, en met het repareren van niet-afgegaan vuurwerk. Verzoekers kennis was dus vele malen groter dan die van een willekeurige passieve bewaarder die er op vertrouwt dat wat hem wordt aangeboden conform de regels is, zoals de reder die het in China geproduceerde vuurwerk vervoert onder de conditie dat de classificatie klopt - en daarmee ook de vervoersprijs. 40. Tot slot de aan het begin van de mondelinge toelichting geuite mening van de verdediging dat de door het hof gebezigde taal aan de duidelijkheid van zijn oordeel omtrent de schuld zou afdoen. Die mening deel ik niet. Onmiskenbaar heeft het hof geoordeeld dat verzoeker had behoren te weten dat hij massa-explosief vuurwerk opgeslagen had. Daaraan staan de in de mondelinge toelichting gewraakte termen als "niet oninvoelbaar" en "had zich niet in slaap mogen laten sussen" niet in de weg. Invoelbaar is immers bijvoorbeeld ook - in het bijzonder bij gebrek aan deugdelijke controles - dat een ondernemer de etikettering als 1.4 voor zoete koek slikt, reeds omdat dat bedrijfseconomisch goed te pas komt. Invoelbaar is nog niet: gerechtvaardigd. Zelfs dat iemand uit geldgebrek een roofmoord pleegt kan soms invoelbaar zijn. Een en ander neemt niet weg dat verzoeker op grond van een aantal omstandigheden behoorde te twijfelen aan de juistheid van die etiketten. De wijze waarop het hof de genoemde termen heeft gebruikt botst dus geenszins met zijn vaststelling van verzoekers culpa. Zij zeggen wel iets over de gradatie van culpa en preluderen in zoverre ook op de straf en de motivering daarvan. 41. De mondelinge toelichting brengt mij aldus niet tot een andere conclusie dan genomen op 22 juni 2004, waarbij ik dus persisteer. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie bijv. S.I. Politoff en F.A.J. Koopmans, Schuld, Gouda Quint Arnhem 1991, 2e druk, p. 109-111 en J. de Hullu, Materieel strafrecht, Kluwer Deventer 2003, 2e druk, p. 278-281. 2 Zie J. de Hullu, Bedreigingen voor het schuldbeginsel, in: Verwijtbare uitholling van schuld?, Ars Aequi Libri Nijmegen 1998, p. 181 en F.G.H. Kristen, M.J. Borgers en I.M. Koopmans, Schuld in het strafrecht, in diezelfde bundel, p. 13-21. 3 In de aflatoxine-zaak was de economische politierechter "van oordeel, dat handelaren zich in de positie bevinden, dat zij grondnoten onder het bereik van consumenten helpen brengen in de wetenschap, dat welke zorgvuldigheid ook aan hen nooit een waterdichte garantie kan bieden voor een zuiver produkt (dat wil zeggen een produkt dat minder dan 5 microgram aflatoxine per kg bij monstername blijkt te bevatten). Het gaat immers steeds om steekproeven. Als één door aflatoxine aangetaste noot op 15 000 schone noten al voldoende is om tot het in art. 3 lid 1 quinquies van het Algemeen Besluit verboden resultaat te geraken, is het probleem waarmee betrokkenen te handelen hebben overduidelijk. Wie zich in een dergelijk probleemgebied begeeft, kan nooit een beroep doen op afwezigheid van alle schuld, tenzij hem om beleidsredenen die mogelijkheid uitdrukkelijk gegeven wordt." Uw Raad was het niet met de EPR eens en overwoog: "In de hiervoren onder 6.1 en 6.2 weergegeven overwegingen ligt besloten () dat de verdachte de maximale van haar te vergen zorg heeft betracht ter voorkoming van een hoger dan wettelijk toelaatbaar gehalte aan aflatoxine B1 in de door haar verhandelde pinda's. Hieruit volgt dat haar van het te dezen vastgestelde te hoge aflatoxinegehalte redelijkerwijze geen verwijt kan worden gemaakt. Mitsdien had de economische politierechter - in stede van de verdachte strafbaar te verklaren op grond van de overweging dat zij nooit een beroep kan doen op afwezigheid van alle schuld en haar derhalve ook bij inachtneming van maximale zorgvuldigheid te belasten met het risico van een te hoog aflatoxinegehalte - de verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. HR 2 februari 1993, NJ 1993, 467. 4 Vgl. het Water en Melkarrest HR 14 februari 1916, NJ 1916-681 en Motorpapierenarrest HR 22 november 1949, NJ 1950, 180. 5 Vgl. De Hullu, Materieel strafrecht, 2e, p. 255. 6 Zie bijv. HR 24 juli 1967, NJ 1969, 63 en de conclusie van Leijten voor HR 4 juni 1985, NJ 1986, 95, m.nt. GEM. 7 De Hullu, 2e, p. 255. 8 HSR, 15e, p. 231. Pompe, handboek, 5e, maakt inzake culpa een onderscheid tussen misdrijven en overtredingen, en ook naar afzonderlijke delicten (§ 22). 9 Vgl. HR 3 februari 1913, NJ 1913, p. 571. 10 Zie Verpleegsterarrest HR 19 februari 1963, NJ 1963, 512. 11 HR 14 november 2000, NJ 2001, 37. 12 Zie bijv. HR 10 september 1991, NJ 1991, 839, m.nt. ThWvV. 13 HSR, 15e, p. 25, 166 e.a. 14 Vgl. bijv. D.H. de Jong en G. Knigge, Het materiële strafrecht, Kluwer Deventer 2003, 14e druk, p. 134-138. 15 Zie D.H. de Jong, De inwendige en de normatieve component van opzet en culpa, Trema 2004, p. 1-7. 16 Zie bijv. HR 21 november 1932, NJ 1933, p. 153, m.nt. T., HR: "Juist aan de voor de hand liggende mogelijkheid van gevolgen als hier zijn ingetreden (fietser moest uitwijken, slipte en werd aangereden; NJ) ontleent de handeling van het openen van het portier aan de verkeerszijde, zonder zich er vooraf van te overtuigen of daartegen met het oog op het verkeer geen bezwaar bestaat, haar karakter van roekeloosheid en grove onvoorzichtigheid." 17 HR 11 mei 2004, AO5703. 18 Vgl. De Hullu, 2e, p. 256. 19 Op 1 juli 2002 botsten twee vliegtuigen boven Zuid-Duitsland op elkaar door een fout van de luchtverkeerleiding `Skyguide' in Zwitserland. Dat kostte 71 mensen het leven, niet meegerekend de falende luchtverkeersleider die in februari 2004 werd vermoord. 20 Zie hierover bijv. De Hullu, 2e, p. 187-190 en D.H. de Jong en G. Knigge, Het materiële strafrecht, Kluwer, Deventer 2003, 14e, p. 78-92. 21 In zoverre kan een vergelijking worden gemaakt met art. 6 WVW 1994. Zie over de 'dubbele causaliteit' bij die bepaling: H.G.M. Krabbe, De artikelen 5 en 6. Gevaar veroorzaken, hinderen en schuld aan een verkeersongeval, in: De Wegenverkeerswet 1994, Een strafrechtelijk commentaar, Gouda Quint, Arnhem 1994, p. 141-143. 22 75/443/EEG Richtlijn van de Raad van 26 juni 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende de achteruitrijinrichting en de snelheidsmeter van motorvoertuigen. Zitting 22 juni 2004 Mr. Jörg Nr. 00046/04 E Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte] Inhoudsopgave: Middel 1, p. 2- 29 Middel 7, p. 117 Middel 2, p. 29- 85 Middel 8, p. 117-121 Middel 3, p. 85- 92 Middel 9, p. 121-122 Middel 4, p. 92-102 Middel 10, p. 122-124 Middel 5, p. 102-115 Middel 11, p. 124-127 Middel 6, p. 115-117 1. Deze zaak houdt verband met de vuurwerkramp die zich op 13 mei 2000 te Enschede heeft voltrokken. Het betreft de veroordeling van één van de directeuren van SE Fireworks, het bedrijf waar de ontploffingen plaatsvonden. In de samenhangende zaak onder nr. 00047/04 E tegen de andere directeur van SE Fireworks neem ik vandaag eveneens een conclusie. 2. Verzoeker is door het gerechtshof te Arnhem bij arrest van 12 mei 2003 veroordeeld wegens – kort samengevat – het opdracht geven en feitelijke leiding geven aan het door SE Fireworks (gedeeltelijk opzettelijk) overtreden van aan milieuvergunningen verbonden voorschriften, het door SE Fireworks opzettelijk zonder vergunning uitbreiden van de door haar gedreven inrichting, het opzettelijk door SE Fireworks verzuimen alle veiligheidsmaatregelen te nemen die van haar konden worden gevergd als bedoeld in art. 2 Wet milieugevaarlijke stoffen, het aan de schuld van SE Fireworks te wijten zijn dat branden en ontploffingen konden ontstaan als gevolg waarvan twintig personen zijn overleden en voorts ter zake van door verzoeker gedreven illegale vuurwerkhandel. Het hof heeft verzoeker voor die feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar. Ter zake van de onder 1 bewezenverklaarde overtreding heeft het hof toepassing gegeven aan art. 9a Sr. Voorts heeft het hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van vier containers vuurwerk en heeft het de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. 3. Namens verzoeker hebben mr. J. Kuijper en mr. J.P. Plasman, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur elf middelen van cassatie voorgesteld. 4. Omdat hierna vooral aan de orde komt welke verzoeken tot nader onderzoek en het horen van getuigen door het hof zijn afgewezen en dit afwijzen een vertekend beeld zou kunnen geven van de behandeling van de zaak door het gerechtshof, hecht ik eraan hier op te merken dat mijn stellige indruk is dat zowel de rechtbank in eerste aanleg, als het gerechtshof in hoger beroep in een door ieder gedeeld verlangen in deze strafzaak de onderste steen boven te krijgen ruimhartig is omgegaan met de verzoeken van de verdediging. Nadat in eerste aanleg reeds vele getuigen ter terechtzitting zijn gehoord, zijn ook in hoger beroep op de dertien aan deze zaak gewijde terechtzittingen weer vele getuigen gehoord en heeft de verdediging veel ruimte gekregen haar visie op de zaak naar voren te brengen. 5. Het eerste middel klaagt over de bewezenverklaring van hetgeen aan verzoeker onder 4 is tenlastegelegd. 6. Het hof heeft onder 4 ten laste van verzoeker bewezenverklaard: “dat de vennootschap onder firma SE Fireworks op 13 mei 2000 in de gemeente Enschede, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam en nalatig in haar vuurwerkbedrijf, dat was gelegen aan de [a-straat] in de onmiddellijke nabijheid van een woonwijk, - vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als “C2” aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als “H” aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in voor de opslag van vuurwerk bestemde en geschikte bewaarplaatsen; en - onverpakt vuurwerk al dan niet in combinatie met verpakt vuurwerk heeft aanwezig gehouden; en - dat bedrijf gevoerd terwijl onvoldoende maatregelen waren genomen ter voorkoming van brand en/of ontploffingen en/of het kunnen uitbreiden van brand, immers: • waren deuren van vuurwerkopslagplaatsen de zogenoemde Mavo-boxen en (zee)containers niet zelfsluitend; en waren deze deuren onvoldoende brandwerend en • werd vuurwerk opgeslagen gehouden in zee- containers, welke onvoldoende brandwerend waren, en; • was in verschillende ruimtes waar vuurwerk lag opgeslagen geen, goed functionerende sprinkler-, althans brandblusinstallatie aanwezig, en - vuurwerk opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was, tengevolge waarvan het aan de schuld van voornoemde vennootschap onder firma te wijten is geweest dat, toen op 13 mei 2000 op enige wijze brand was ontstaan op het bedrijfsterrein van voornoemde vennootschap onder firma deze brand zich zodanig kon ontwikkelen en/of uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden, welke feiten de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 10] en [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] ten gevolge hebben gehad, zulks terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander tot de vorenomschreven strafbare feiten opdracht heeft gegeven en feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenomschreven verbod gedragingen" 7. De bestreden uitspraak behelst met betrekking tot dit bewezenverklaarde feit de volgende bewijsoverweging: “Bewijsoverweging betreffende feit 4 Van de onder punt 4. aan de vennootschap verweten gedragingen is het hof door de inhoud van de bewijsmiddelen voldoende overtuigd. Het hof is van oordeel dat die gedragingen hebben veroorzaakt dat, toen een brand op het bedrijfsterrein was ontstaan, deze zich zodanig kon ontwikkelen en uitbreiden dat ontploffingen en branden ontstonden met de dood van de in de telastelegging genoemde personen als gevolg. Over het verloop van de brand is veel onzekerheid blijven bestaan en er kan dan ook niet gezegd worden dat alle in de telastelegging genoemde gedragingen elk voor zich de ramp veroorzaakt hebben. Voor in elk geval de laatste van de genoemde gedragingen geldt dat echter wel: dat de aanwezigheid van massa-explosief vuurwerk tot de omvang van de ramp geleid heeft, beschouwt het hof als vaststaand. Grond daarvoor is (), zoals hiervoor ook al is overwogen, dat de aanwezigheid van te zwaar en deels naar zijn aard massa-explosief vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden. De vraag of SE Fireworks en haar vennoten, waaronder verdachte, daaraan schuld dragen in een voor de veroordeling wegens misdrijf vereiste mate, beantwoordt het hof bevestigend. Het moge waar zijn dat juist de overtreding die bij uitstek tot de omvang van de ramp heeft bijgedragen, niet opzettelijk begaan is, de vennootschap en verdachte droegen daaraan wel schuld. Het hof is van oordeel dat het verdachte uit dien hoofde te maken verwijt zwaar moet wegen. Dat er te zwaar en massa-explosief vuurwerk opgeslagen was, wist verdachte weliswaar niet, maar slechts omdat hij er niet bij heeft stilgestaan en dat had hij uiteraard wel moeten doen. Hij was dagelijks professioneel met vuurwerk bezig en hij beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten. Hij had als ondernemer ook de verantwoordelijkheid en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden. Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat is, op zijn minst in hoofdlijnen, juist. Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij. Dat geldt bijvoorbeeld voor andere ondernemers die mogelijk soortgelijke fouten hebben gemaakt maar in wier bedrijven, in zekere zin toevallig, geen ongelukken zijn gebeurd. Het geldt ook, maar niet in dezelfde mate, voor overheden en overheidsdienaren die weliswaar in voldoende mate, maar niet op voldoende zorgvuldige wijze toezicht op de naleving van de vergunningsvoorschriften hebben gehouden. Niet in dezelfde mate omdat de wetenschap dat er controle op hun onderneming werd uitgeoefend, maar waarschuwingen, althans ernstige waarschuwingen uitbleven, bij SE Fireworks en haar vennoten de gedachte kon doen postvatten dat het met de veiligheid in de onderneming goed gesteld was. Zij hadden zich niet in slaap mogen laten sussen, maar dat zij dat toch deden is niet oninvoelbaar. Het hof is echter van oordeel dat dit weliswaar in de straftoemeting in aanmerking genomen moet worden, maar dat niettemin van aanmerkelijke schuld bij SE Fireworks en haar vennoten sprake is. Dat vloeit voort uit hun eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid voor de onderneming die zij dreven en waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen." 8. In de toelichting op het middel zijn de hierna met de letters a. tot en met l. aangeduide klachten vervat. In de klachtonderdelen a. tot en met k. worden de pijlen gericht op 's hofs vaststelling van verzoekers schuld aan het onderhavige feit. Klachtonderdeel l. ziet op het opdracht geven en feitelijk leiding geven door verzoeker aan de verboden gedragingen. 9. a. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet waar volgens de verleende vergunningen vuurwerk aanwezig mocht zijn. De bij de vergunningen behorende tekeningen ontbreken in de aanvulling op het verkorte arrest, terwijl deze relevant zijn voor de beoordeling of de gedragingen strijdig waren met de vergunningen en deze de in de bewezenverklaring vermelde aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid en nalatigheid kunnen constitueren. 10. b. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er in strijd met vergunningvoorschrift 13.3.5 vuurwerk in de ruimte C2 lag. 11. De klachten a. en b. lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Bij de beoordeling van deze klachten moet in het oog worden gehouden dat, voorzover hier van belang, niet meer of anders bewezen is verklaard dan dat SE Fireworks vuurwerk aanwezig heeft gehad in de als “C2" aangemerkte werk-, ompak- en montageruimte en in de als “H" aangemerkte ruimte, zijnde elders dan in voor de opslag van vuurwerk bestemde en geschikte bewaarplaatsen, en dat verzoeker daartoe opdracht en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven samen met een ander. Dit zal dus uit de bewijsmiddelen moeten kunnen volgen. De klacht faalt voorzover er daarin van wordt uitgegaan dat in dit verband meer of anders uit de bewijsmiddelen zou moeten kunnen volgen. 12. Blijkens de bewijsmiddelen1 zijn hier twee vergunningsvoorschriften van toepassing: - vergunningvoorschrift 13.1.2 luidende: “vuurwerk mag alleen (behoudens intern transport) aanwezig zijn in de daarvoor bestemde bewaarplaatsen en de werk-/montage- en ompakruimte en alleen in de hoeveelheden en op de wijze, zoals genoemd in de voorschriften met betrekking tot deze ruimten"; - en vergunningvoorschrift 13.3.5: “zodra in de werk-, ompak- en montageruimte de werkzaamheden zijn beëindigd, moet het eventueel restant van het vuurwerk en het omgepakte vuurwerk weer naar de bewaarplaatsen worden teruggebracht." Verder kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat - verzoeker sinds 27 april 1998 als mededirecteur van SE Fireworks, althans van de besloten vennootschap [B] die in die vennootschap participeert, samen met [medeverdachte] verantwoordelijk was voor de bedrijfsvoering van het vuurwerkbedrijf en daarbij feitelijk ook intensief als leidinggevende betrokken; - verzoeker zich ook bewust was van de verantwoordelijkheid die hij als directeur op zich nam; - verzoeker wist van het bestaan van de vergunningen doch zich daarin nooit erg heeft verdiept; - de in de tenlastelegging als "H" aangeduide ruimte oorspronkelijk een woonhuis was en dat het verzoeker bekend was dat in die ruimte geen vuurwerk mocht worden opgeslagen; - de in de tenlastelegging als "C2" aangeduide ruimte de werkbunker was en dat in die ruimte altijd 350 tot 400 kilo vuurwerk opgeslagen lag, alsmede dat daar vuurwerk klaarstond voor de shows; - op 12 mei 2000 in opdracht van verzoeker ongeveer een halve container consumentenvuurwerk in de als "H" aangeduide ruimte is gezet; - getuige [getuige 1] op 15 mei 2000 heeft gesproken met [getuige 2] en dat deze tegen hem heeft gezegd dat hij tegen de politie niets mocht zeggen over het vuurwerk dat in de werkbunker stond, omdat daar vuurwerk stond dat daar niet had mogen staan; - op 13 mei 2000 in de werkbunker dozen met groot vuurwerk en (vuurwerk)bommen stonden die niet waren afgegaan en die in de werkbunker werden gerepareerd; - de getuige [getuige 2], die bij SE Fireworks heeft gewerkt, van [getuige 3] (degene van wie verzoeker SE Fireworks op 27 april 1998 heeft overgenomen) wist dat er geen vuurwerk in de als "C2" aangeduide ruimte mocht liggen en volgens hem iedereen dat wist. 13. Hieruit kan worden afgeleid dat SE Fireworks in de ruimten H en C2 in de bewezenverklaarde periode en op 13 mei 2000 vuurwerk opgeslagen heeft gehad, terwijl dit volgens de aan haar verleende vergunning niet was toegestaan en dat verzoeker daartoe opdracht heeft gegeven en daaraan feitelijke leiding heeft gegeven samen met [medeverdachte]. 14. Wat betreft de als “H" aangemerkte ruimte is van belang dat (afgezien van vuurwerk in de werkbunker tijdens het werken) volgens de vergunning alleen vuurwerk aanwezig mag zijn in de daarvoor bestemde bewaarplaatsen, terwijl uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verzoeker kan worden afgeleid dat de ruimte H niet een zodanige bewaarplaats was. Hij heeft letterlijk verklaard en deze verklaring is ook tot het bewijs gebezigd: "Het was mij bekend dat in die ruimte geen vuurwerk mocht worden opgeslagen." 15. Dat de opslag van vuurwerk in de als “C2" aangemerkte ruimte in strijd was met vergunningvoorschrift 13.3.5 volgt hieruit dat uit de bewijsmiddelen is af te leiden dat de als “C2" aangemerkte ruimte de in dat voorschrift bedoelde werk-, ompak- en montageruimte was en volgens bedoeld voorschrift in deze ruimte na het beëindigen van de werkzaamheden geen vuurwerk aanwezig mocht zijn. 16. Aan het vorenstaande doet niet af dat de bij de vergunningen behorende tekeningen waarop de opslag en bewaarplaatsen staan aangegeven, niet in de aanvulling op het verkorte arrest tot het bewijs zijn gebezigd. Ook zonder die tekeningen volgt het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen. 17. Mitsdien falen deze klachten. 18. c. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat het aanwezig zijn van vuurwerk in ruimte C2 kan worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig, ook niet in combinatie met de overige in de bewezenverklaring genoemde gedragingen. 19. Deze klacht stuit ten eerste hierop af dat het handelen in strijd met vergunningsvoorschriften die ertoe strekken de veiligheid in en om een vuurwerkbedrijf met grote opslagcapaciteit te waarborgen in het algemeen, gelet op het gevaar dat een dergelijke bedrijf behelst, als aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig kan worden aangemerkt. Dit geldt voor dit voorschrift in het onderhavige geval in het bijzonder nu uit bewijsmiddel 12.1 volgt dat een vuurwerkbrand in C2 en de uitworp van vuurwerk uit die ruimte aan de basis heeft gestaan van de verdere ontwikkeling van de brand, welke tot de bekende rampzalige explosies heeft geleid. 20. Mitsdien faalt ook deze klacht. 21. d. Het hof heeft ten onrechte het verweer verworpen dat de vergunningvoorschriften betreffende de zelfsluitendheid en de brandwerendheid van (de deuren) van de MAVO-boxen en de zeecontainers geen deel meer uitmaakten van de vergunning. 22. Ter terechtzitting van 23 april 2003 is namens verzoeker, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: “Feit 1, derde, vierde en vijfde gedachtestreepje: zelfsluitendheid en brandwerendheid Geen zelfsluitende deuren, in strijd met voorschrift 13.2 Forsman (RC): Voor detaillisten wordt die eis wel gesteld om te voorkomen dat zij in de hectiek tijdens de verkoopdagen een deur te lang open laten staan. Bij de vuurwerkgroothandel is deze eis onpraktisch gebleken. Je zou dan drie mensen nodig hebben om een pallet vuurwerk uit een bunker te halen, twee om de deuren open te houden en een om de heftruck te besturen. Op enig moment is besloten die regel niet te handhaven. [Getuige 18] (ter zitting Rb): De kwestie met de deuren van de MAVO-boxen speelde in 1979 (!), Het onderwerp “zelfsluitendheid” was een moeilijk thema. [Getuige 19] (ter zitting Rb): Ik ben er toen van uitgegaan dat de zeecontainers geplaatst konden worden in de staat, zoals ze gehuurd waren. [Getuige 19] (bijlage C, blz 15 onder 49.): Van geen enkele bewaarplaats bij SE Fireworks waren de deuren zelfsluitend gemaakt. Dat was in strijd met de vergunning, maar toen het kierprobleem werd opgelost is de sluiting van de deuren, en daarmee ook het ontbreken van zelfsluitendheid geaccepteerd door [getuige 17], [getuige 18] en mijzelf. Deze kwestie moet ergens in 1993 of 1994 aan de orde zijn geweest. De Commissie Oosting heeft dit gebeuren - ver voor de tijd [verdachte]/[medeverdachte] - mede genoemd als voorbeeld van het feit dat geconstateerde overtredingen steeds werden gelegaliseerd. En is legaliseren niet een niet toegestane toestand wel toegestaan maken; iets wat in 1993 of 1994 gelegaliseerd is, is daarna - vanaf 1998 - juist daardoor toegestaan! Gemeente Enschede (bijlage D, blz 59 onder 2.126): Uit voornoemde verklaring van [getuige 19] (gedoeld wordt op getuigenverklaring in civilibus) blijkt dat de afwezigheid van zelfsluitende deuren is geaccepteerd nadat de kieren in de deuren op adequate wijze waren hersteld. De Gemeente heeft op goede gronden aangenomen dat de bewaarplaatsen hiermee voldeden aan de brandwerendheidseisen van de destijds geldende hinderwetvergunningen. Overigens was enkel voor de MAVO-boxen een zelfsluitende deur voorgeschreven. en In voornoemde brief d.d. 6 december 1993 is SE Fireworks tevens aangeschreven de deuren van de bunkers goed sluitend te maken. Dat SE Fireworks aan deze aanschrijving heeft voldaan, blijkt uit de verklaring hierboven van [getuige 19] opgenomen in het proces-verbaal van 20 november 2000: Nog even Forsman bij de RC op een vraag van de Officier van Justitie: U zegt mij dat, anders dan ik zojuist veronderstelde, in het memorandum groot vuurwerk de eis van zelfsluitendheid van deuren van vuurwerkopslagplaatsen wel degelijk is vermeld. Dat is goed mogelijk. In de praktijk werd dit echter niet gehandhaafd. [getuige 19] ter zitting Rb over brandwerendheid: Desgevraagd verklaar ik dat ik de eis van 120 minuten brandwerendheid ten aanzien van de zeecontainers in de vergunning van 1997 heb laten vallen. Daarvoor is in de plaats is het voorschrift gekomen dat de containers één meter uit elkaar moesten staan. In de vergunning van 1999 is zowel de eis van 120 minuten brandwerendheid als voormelde 1 meter grens weggelaten. Ik dacht dat dat kon op grond van het advies van defensie. Ik merk nog op dat Forsman tijdens het bezoek aan SE Fireworks op 10 mei 2000 zei: “wat er i(
  7. n)Culemborg is gebeurd, kan hier niet gebeuren” Wat voor de zelfsluitendheid geldt, geldt evenzeer voor de brandwerendheid. De feitelijke toestand voor 1998 is gelegaliseerd en de brandwerendheid zoals die er was is voldoende beoordeeld en vergund. Primair is de verdediging van oordeel dat hier gesproken moet worden van voor()schriften die niet langer onderdeel zijn van de vergunning en dat derhalve vrijspraak dient te volgen. Subsidiair kan de verdediging zich vinden in de beslissing van de Rechtbank die op grond van het jaren voor [verdachte] al jaren bewust en gemotiveerd niet meer handhaven is gekomen tot ontslag van rechtsvervolging." 23. Het hof heeft op dit verweer in de bestreden einduitspraak als volgt gemotiveerd beslist: “Zelfsluitendheid en brandwerendheid Door de verdediging is primair gesteld dat de eisen ten aanzien van de zelfsluitendheid van de deuren en de brandwerendheid van de zeecontainers geen deel meer uitmaken van de vergunning nu deze vergunningsvoorwaarden niet meer werden gehandhaafd. Dat verweer moet verworpen worden. Het achterwege blijven van handhaving brengt geen verandering in de inhoud van de vergunningsvoorschriften en, hoewel het kan bijdragen tot een geest van nalatigheid, doet het niet af aan de eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder zich uit eigen beweging moeite te geven de voorschriften na te leven." 24. In de klacht wordt gesteld dat het hof het verweer ten onrechte heeft verworpen, omdat uit het verweer en de daarbij aangehaalde verklaringen blijkt dat er niet slechts sprake is geweest van het achterwege laten van handhaving, maar van het gemotiveerd accepteren van een bepaalde reeds bestaande toestand. Betoogd wordt dat hier sprake is van de situatie aangeduid in het Handboek Strafzaken in hoofdstuk 100.3.1.: “het tot handhaving bevoegde gezag is op de hoogte van de verboden handelingen of situatie en verklaart uitdrukkelijk van bestuurlijke handhaving af te zullen zien, al dan niet onder het stellen van voorwaarden." 25. Hier lopen twee dingen door elkaar: a. de mogelijke invloed van niet-handhaving op (het voortbestaan van) voorwaarden bij een vergunning; en b. het gedogen, niet optreden tegen, overtreding van voorwaarden. 26. Wat betreft het eerste punt mis ik iedere verwijzing naar een gezaghebbende bron waarin steun wordt gevonden voor het wel zéér vergaande standpunt dat een met handhaving van vergunningvoorwaarden belaste ambtenaar of instantie die optreden tegen overtreding achterwege laat, met dit nalaten een inhoudelijke wijziging van de voorwaarden bewerkstelligt. Ik heb voor dit standpunt geen steun in het recht aangetroffen; het afwijzende standpunt van het hof komt mij dan ook juist voor. 27. Wat het tweede punt betreft moet worden onderscheiden tussen bestuurlijk gedogen en strafrechtelijk optreden. Uitgangspunt in het strafrecht is dat het OM niet gebonden is aan gedogend beleid van het bestuur (zie onder meer HR 20 april 1999, NJ 1999, 486; HR 9 april 2002, NJ 2002, 535, m.nt. YB en Van Grieken en Hendriks, Strafrechtelijke consequenties van bestuurlijk gedogen, M en R 1992, p. 66-78)). Dat hierover in bestuursrechtelijke kring ook wel anders wordt gedacht maakt dit echter voor het strafrecht niet anders. De aangehaalde passage uit het Handboek Strafzaken in onderdeel van paragraaf 3.1 van hoofdstuk 100 steunt de in het middel ingenomen stelling geenszins. 28. In dit verband verdient nog opmerking dat aan de termen legaliseren die in het verweer is gebezigd in het bestuursrecht wel betekenis toekomt, maar niet de betekenis zoals het middel wil, dat bij het niet handhaven van vergunningvoorschriften de desbetreffende voorschriften vanzelf vervallen. 29. Onder legalisatie - zo citeer ik uit het handboek Bestuursrecht, van prof. L.J.A. Damen e.a., Boom juridische uitgevers Den Haag, 2003, p.654-655 - moet () worden verstaan het legaal maken van een illegale situatie door wijziging van het wettelijk regime of door verlening of verandering van een vergunning of ontheffing. Het enkele bestaan van een mogelijkheid tot legalisatie is nog geen voldoende reden om van handhaving te mogen afzien. Aan de andere kant moet over het algemeen een bestuursorgaan op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel wel onderzoeken of een reële mogelijkheid van legalisatie bestaat, alvorens het mag besluiten tot handhaving. 30. Deze klacht faalt. 31. e. SE Fireworks verkeerde - door de expliciete acceptatie van de bestaande, met de voorschriften strijdige, toestand met betrekking tot de zelfsluitendheid en brandwerendheid - verschoonbaar in de veronderstelling dat de vergunning in zoverre niet nageleefd behoefde te worden. Bij SE Fireworks ontbrak dan ook de schuld ten aanzien van de overtreding van die vergunningsvoorschriften door (putatieve) rechtsdwaling. Het hof heeft deze gedragingen ten onrechte als aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig aangemerkt. 32. Het verweer waarop deze klacht ziet is ter terechtzitting in hoger beroep niet uitvoeriger naar voren gebracht dan in de hierboven geciteerde zin in het verweer dat de verdediging zich subsidiair kan vinden in het oordeel van de rechtbank. 33. Voorzover al geoordeeld zou moeten worden dat aldus een verweer is gevoerd waarop het hof uitdrukkelijk diende te antwoorden - ik wil daarvan wel uitgaan -, ligt de verwerping van dat verweer besloten in 's hofs hiervoor geciteerde beslissing. 34. Daarbij is van belang dat de rechtbank op dit punt heeft geoordeeld (zie p. 454-455 van haar vonnis) dat verzoeker heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid van de hem verweten gedragingen. Hiertoe is de rechtbank gekomen na, kort gezegd, te hebben overwogen dat - de controleambtenaren al lang voordat verzoeker het bedrijf overnam gezegd hebben dat zij op dat het punt van de zelfsluitende deuren niet meer controleerden omdat zij het voorschrift onpraktisch vonden; - aan de andere kant te zien is dat dit voorschrift toch weer in de nieuwe vergunning is opgenomen; - op het punt van de brandwerendheid van de deuren nooit iets is gezegd, terwijl er wel elk jaar op het bedrijf is gecontroleerd; zodat - verzoeker er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat genoemde overheidsinstanties de bij hen bekend zijnde tekortkomingen wat betreft de zelfsluitendheid en de brandwerendheid gedoogden en kennelijk niet voornemens waren daar tegen op te treden. 35. Aldus heeft de rechtbank geoordeeld dat verzoeker door het bestuurlijk gedogen in de veronderstelling mocht verkeren dat het handelen in strijd met de betreffende voorschriften geoorloofd was. Dat oordeel heeft het hof niet overgenomen, zo volgt uit zijn oordeel dat het achterwege blijven van handhaving in dit opzicht niet afdoet aan de eigen verantwoordelijkheid van de vergunninghouder om zich uit eigen beweging moeite te geven de voorschriften na te leven. Dit oordeel staat tegenover dat van de rechtbank. Zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk heeft het hof aan verzoekers hoedanigheid, te weten die van vuurwerkgroothandelaar met een enorme opslag van vuurwerk in de nabijheid van woningen, een grote eigen verantwoordelijkheid toegedicht op het gebied van de naleving van in de milieuvergunning opgenomen veiligheidsvoorschriften. Ik zou menen dat het op de weg van een vergunninghouder ligt om wijziging van de vergunningvoorwaarden te vragen indien zij onpraktisch, overbodig – of wat dan ook – zijn, en om zich anders zonder mankeren en morren aan het naleven van de voorwaarden te zetten. Aldus heeft het hof terecht en begrijpelijk niet aangenomen dat verzoeker verschoonbaar in de veronderstelling heeft verkeerd dat de vergunning in zoverre niet nageleefd behoefde te worden. Dit oordeel behoefde geen nadere motivering. 36. Ook deze schending van de aan de vergunning verbonden veiligheidsvoorschriften heeft het hof zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk kunnen aanmerken als één van de aanmerkelijk onvoorzichtige, onachtzame en nalatige gedragingen van SE Fireworks. 37. Mitsdien faalt ook deze klacht. 38. f. Uit de bestreden uitspraak volgt niet het voor de vaststelling van schuld in de zin van art. 158 Sr vereiste "moeten hebben voorzien" of "hebben kunnen voorzien" van de gevolgen van het handelen of nalaten, in casu de ontwikkeling van de brand en het ontstaan van de branden en ontploffingen die de dood ten gevolge hebben gehad. 39. De tenlastelegging en bewezenverklaring is toegesneden op art. 158 (oud) Sr. Deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde, voorzover hier van belang, als volgt: "Hij aan wiens schuld brand, ontploffing of overstroming te wijten is, wordt gestraft: () 3°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie, indien het feit iemands dood ten gevolge heeft." 40. Voorzover aan het middel de opvatting ten grondslag ligt dat om schuld in de zin van art. 158 (oud) Sr aan te nemen vereist is dat de dader heeft behoren en kunnen voorzien dat zijn gedrag tot de opgetreden gevolgen van de brand of ontploffing konden leiden, in dit geval de dood van de in de bewezenverklaring genoemde personen, wordt miskend dat art. 158 (oud) Sr alleen schuld vereist ten aanzien van het ontstaan van, voorzover hier van belang, de brand en ontploffing. De gevolgen van de brand en ontploffing zijn aan het schuldverband onttrokken (vgl. Boek in T&C Sr, 4e, aant. 9 bij deze bepaling). 41. Voldoende in de onderhavige zaak is dus dat het vuurwerkbedrijf heeft behoren en kunnen voorzien dat zijn gedragingen - het niet naleven van diverse veiligheidsvoorschriften en het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid zwaarder vuurwerk dan toegestaan -tot brand en ontploffing konden leiden, zodat het ontstaan daarvan aan zijn schuld te wijten is, en dat verzoeker aan die schuld heeft bijgedragen op een voor de toepassing van art. 51 Sr relevante wijze. 42. Tot dat oordeel is het hof blijkens zijn hiervoor weergegeven bewijsoverweging gekomen in het bijzonder op grond van de omstandigheden dat verzoeker: - had kunnen en moeten weten er massa-explosief vuurwerk op het bedrijfsterrein van SE Fireworks was opgeslagen; - dagelijks met professioneel vuurwerk bezig was en beschikte over de deskundigheid om de daaraan verbonden gevaren adequaat in te schatten; - als ondernemer ook de verantwoordelijkheid had, en de verplichting over die deskundigheid te beschikken en die aan te wenden, niet slechts voor de voortgang van zijn bedrijf, maar ook voor de bescherming van allen die daardoor bedreigd konden worden; en - een eigen en zelfstandige verantwoordelijkheid had voor de door hem samen met [medeverdachte] gedreven onderneming, waarvan zij beter dan wie ook de bijzondere en gevaarlijke aard hadden moeten onderkennen. 43. Dit oordeel van het hof - dat er met andere woorden op neer komt dat als verzoeker de juiste vuurwerkondernemersmentaliteit had gehad hij een en ander ook had kunnen overzien - geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. 44. g. Wat het hof ermee bedoelt dat verzoeker er niet bij heeft stilgestaan dat er te zwaar en massa-explosief op het terrein van SE Fireworks was opgeslagen is niet duidelijk. Als daarmee wordt bedoeld dat hij dat heeft kunnen voorzien, volgt uit de overwegingen van het hof niet hoe hij dat zou hebben kunnen voorzien. Dat hij het niet heeft kunnen voorzien ligt besloten in 's hofs overwegingen dat voor 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren en dat (ernstige) waarschuwingen aan het bedrijf door toezichthoudende instanties uitbleven. 45. Met zijn overweging dat verzoeker er niet bij heeft stilgestaan maar dat uiteraard wel had moeten doen heeft het hof aangegeven dat en waarom aan verzoeker valt toe te rekenen dat SE Fireworks zwaarder vuurwerk opgeslagen heeft gehad dan haar was vergund. De betreffende overweging moet worden beschouwd in samenhang met 's hofs overwegingen waarin het hof heeft uiteengezet in welke feiten en omstandigheden verzoeker aanleiding had kunnen en moeten vinden om stil te staan bij en te twijfelen aan de juistheid van de classificatie van het op het terrein van SE Fireworks aanwezige vuurwerk, welke overwegingen zijn weergegeven bij de bespreking van de volgende klacht in de laatste drie alinea's van het citaat. 46. Aan zijn oordeel dat verzoeker heeft kunnen en behoren voorzien dat de op de etiketten aangegeven classificatie van het op het terrein van SE Fireworks aanwezige vuurwerk onjuist was, heeft het hof kort gezegd ten grondslag gelegd dat: - verzoeker ermee rekening had moeten houden dat de etikettering, die naar hij wist ook door producenten geschiedde, in belangrijke mate werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten vuurwerk veel goedkoper zou zijn; - verzoeker, gelet op zijn ervaring met het bezigen van vuurwerk in het bijzonder van de titaniumshells moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen dat dit vuurwerk was van een zwaardere klasse dan de op het etiket aangegeven gevaarssubklasse 1.4, waarbij het hof in aanmerking heeft genomen dat bij classificatietests van deze titanium-shells door TNO-PML en BAM zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld; - verzoeker de beschikking had over MSDS lijsten bevattende gegevens inzake de samenstelling van het vuurwerk (soort en hoeveelheid kruit) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard van het ingekochte vuurwerk en het hof uitgesloten acht dat verzoeker bij serieuze kennisname van deze gegevens geen twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de etikettering; - verzoeker minstens eenmaal is geconfronteerd met een afwijking in de indeling in gevarenklasse tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3), waarover verzoeker heeft verklaard dat dit wel vaker voorkwam, hetgeen verzoeker toch aan het denken moet hebben gezet; - verzoeker heeft deelgenomen aan de PTO-cursus waarover de getuige Kodde, docent bij die cursus, heeft verklaard dat de cursist na afloop van de cursus bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk. Voorts is in dit verband van belang dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat verzoeker van jongs af aan in het vuurwerkbedrijf in alle geledingen werkzaam is geweest en hij kon bogen op een ruime ervaring in dat bedrijf en met betrekking tot het bezigen van het door het bedrijf opgeslagen vuurwerk. 47. 's Hofs op deze pijlers gestutte oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet 's hofs overweging niet af dat het de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat vóór 13 mei 2000 niemand in Nederland zich bewust is geweest van de gevaren op zijn minst in hoofdlijnen juist is. Die zin wordt in 's hofs overwegingen immers direct gevolgd door de zin “Maar de onachtzaamheid en onzorgvuldigheid van anderen pleiten verdachte niet vrij." 48. De klacht faalt. 49. h. Het hof heeft ten onrechte het verweer verworpen dat niet de feitelijke gevaarssubklasse van vuurwerk beslissend is voor het beoordelen of vergunningsvoorschriften betreffende de opslag van vuurwerk zijn nageleefd, maar het etiket dat op het betreffende vuurwerk is aangebracht. 50. De bestreden einduitspraak behelst, voorzover voor de beoordeling van deze klacht van belang, de volgende overwegingen: “Door de verdediging is de vraag opgeworpen, wat de betekenis is van de gevarenklasse waarvan in de aan SE Fireworks verleende vergunning sprake is. De raadsman heeft betoogd, dat in Nederland geïmporteerd vuurwerk vóór het transport wordt geclassificeerd “door een daartoe in het land van herkomst bevoegde autoriteit of afzender conform de in het Manual of Tests and Criteria beschreven beproevingsmethode”. Het hof tekent aan, dat inderdaad wellicht een dergelijke handelwijze voorgeschreven is, maar dat gerede twijfel bestaat, of serieuze en betrouwbare classificatie wel steeds geschiedde door de aan SE Fireworks leverende exporterende bedrijven, dan wel door aangewezen overheidsinstanties. De raadsman heeft in dit verband betoogd, dat als in de milieuvergunning slechts wordt toegestaan opslag van vuurwerk van de gevarenklasse 1.4G en 1.4S, daarmee niets anders bedoeld wordt dan vuurwerk dat door de daartoe bevoegde producent of de classificatie-instantie als 1.4G, dan wel 1.4S is “gelabeld”. Het hof verenigt zich niet met die visie. Het hof is van oordeel, dat, waar aan SE Fireworks was toegestaan de opslag van een bepaalde hoeveelheid vuurwerk van de klasse 1.4, eventueel te combineren met een beperkte hoeveelheid van de klasse 1.3, daarmee voor SE Fireworks een verbod gold voor het opslaan van vuurwerk, waarvan de feitelijke gevaarlijkheid groter was dan die van de klasse 1.4, respectievelijk 1.3 mocht zijn. Anders gezegd: als behorend tot de gevarenklasse 1.1 wordt in de classificatieregels aangemerkt materiaal dat massa-explosief reageert. Als aan SE Fireworks niet werd toegestaan vuurwerk van de klasse 1.1 op te slaan - en dat was niet toegestaan -, dan vloeit daaruit voort, dat het SE Fireworks niet was toegestaan massa-explosief vuurwerk (zoals in elk geval de grotere titanium shells) in voorraad te hebben; ook niet, als daarop etiketten met de vermelding 1.4G of 1.4S waren aangebracht. Een andere lezing van de milieuvergunning, die mede strekt ter afwering van gevaren voor omwonenden van bedrijven met potentieel gevaarlijke activiteiten acht het hof in strijd met de strekking van de vergunning. Wel kan de raadsman worden toegegeven, dat onaanvaardbaar zou zijn, indien de houder van een milieuvergunning strafbaar zou zijn als hij schuldeloos vuurwerk, geëtiketteerd als 1.4G of 1.4S, maar feitelijk behorend tot een hogere gevarenklasse zou opslaan. Het hof zal dan ook onderzoeken, of, indien is komen vast te staan, dat bij SE Fireworks feitelijk te zwaar vuurwerk heeft gelegen, daarvan aan de verdachte een verwijt kan worden gemaakt. In het classificatieonderzoek, gerelateerd in het ambtsedig proces-verbaal van de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) Sijmen Klaas Roosma d.d. 13 maart 2001 wordt een resultaat bereikt op basis van de voorlopige voorraadberekening. Slechts op grond van dergelijke berekeningen, uitgevoerd op basis van belangrijke delen van de administratie van SE Fireworks, aangevuld met andere methodieken, kon de hoeveelheid vuurwerk die op 13 mei 2000 was opgeslagen op het terrein van SE Fireworks worden vastgesteld, waarbij van belang is, dat het gewicht van de verschillende producten zoveel mogelijk is bepaald door weging van producten van dezelfde soort, en dat bij verschillen of afrondingen altijd is gekozen voor de uitkomst die het meest gunstig was voor verdachte. Het hof acht deugdelijk de werkwijze waarbij mede in ogenschouw is genomen de inhoud van containers die vanuit China op transport waren gezet, maar nog niet bij SE Fireworks waren aangekomen, alsmede het onderzoek naar vuurwerk dat door SE Fireworks aan derden was geleverd, en naar vuurwerk waarvan kon worden aangenomen, dat het soortgelijk was aan het door SE Fireworks opgeslagen materiaal. Bij verschil in de classificatie door TNO-PML en BAM is er gekozen voor de voor verdachte meest gunstige uitkomst. Het hof neemt op grond van de hieronder weergegeven bevindingen, en na correctie wegens het meetellen van niet explosief hulpmateriaal, als vaststaand aan, dat zich op 12 mei 2000 op het terrein van SE Fireworks heeft bevonden ca 160 ton vuurwerk. Hiervan was ca 94 ton vuurwerk van de klasse 1.3G, ruim 5 ton van de klasse 1.2 of 1.3G, 10 ton van de klasse 1.1 of 1.3G, en ruim 800 kg titaniumshells van de klasse 1.1 G. Op grond van de vergunning was slechts toegestaan de opslag van 158,5 ton van de minder brand- en explosiegevaarlijke klasse 1 .4, dan wel, indien ook vuurwerk van de klasse 1.3 was opgeslagen, van die klasse ten hoogste 2 ton, te combineren metten hoogste 136,5 ton van de klasse 1.4, zulks terwijl de opslag van de zwaarste gevarenklasse 1.1, zijnde massa-explosief materiaal, en van de gevarenklasse 1.2 in het geheel niet was toegestaan. Zijdens de verdediging is op grond van een aantal naar haar oordeel noodzakelijke correctiefactoren bepleit, dat op 13 mei 2000 niet (zoals door het Tolteam berekend) ruim 170 ton vuurwerk was opgeslagen, maar slechts 118.882 kilogram. Hierbij zou in totaal 14.665 kilo moeten worden afgetrokken omdat bij de berekening was uitgegaan van verkeerde gewichten van producten. Verder zou in verband met een foutmarge van 10% 15.533 kilo moeten worden afgetrokken en 20.970 kilo omdat volgens de verdediging ten onrechte de verpakking van het vuurwerk is meegeteld in het totale gewicht. Het hof is van oordeel dat, gelet op de inhoud van de vergunningsvoorschriften 13.2.10, 2.1.1 en 3.2.9 niet de totale hoeveelheid vuurwerk bepalend is voor de vraag of deze voorschriften zijn overschreden, maar de hoeveelheid die er per klasse aanwezig was en mocht zijn. Zelfs indien er, zoals de verdediging stelt, slechts 118.882 kilo vuurwerk aanwezig zou zijn geweest dan nog staat vast dat er op 13 mei 2000 bij SE Fireworks meer en/of zwaarder vuurwerk dan vergund was opgeslagen. Immers leiden de door de verdediging voorgestelde correcties niet tot een zodanige vermindering van het vuurwerk van de klasse 1.3 dat er niet meer dan de maximaal vergunde hoeveelheid van 2000 kilo aanwezig zou zijn geweest en wordt ook de aanwezigheid van vuurwerk van de klasse 1.1. hierdoor niet weggenomen. Deze vèrgaande afwijking van de voorschriften verbonden aan de verleende vergunningen is naar het oordeel van het hof er oorzaak van geweest, dat de op 13 mei 2000 ontstane brand zo catastrofale gevolgen heeft gehad voor de stad Enschede en zijn bewoners. SE Fireworks heeft zeer grote hoeveelheden vuurwerk van niet of slechts zeer beperkt toegestane gevarenklasse in voorraad gehad, waarbij in het bijzonder de aanwezigheid van de hoog-explosieve titaniumshells een belangrijke rol moet hebben gespeeld bij de zware explosies die hebben plaatsgevonden. Dat grondt het hof daarop dat de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk de ramp in redelijkheid verklaren kan en dat er geen redelijke grond is om rekening te houden met andere factoren die tot de ramp kunnen hebben bijgedragen in zodanige mate dat deze aan de aanwezigheid van te zwaar vuurwerk niet meer toegerekend zou kunnen worden. Het hof is van oordeel, dat de vennoten van SE Fireworks niet alleen uit hoofde van hun functie verantwoordelijkheid dragen voor het ontstaan van deze zeer gevaarlijke situatie, maar dat zij ook feitelijk schuld dragen aan de opslag van deze grote hoeveelheid gevaarlijk materiaal. Weliswaar hebben zij aangevoerd, dat zij afgingen en mochten afgaan op de etikettering die door de Chinese producenten werd aangebracht, maar het hof verenigt zich daarmee niet. Gebleken is, dat op de bij SE Fireworks opgeslagen soorten vuurwerk vrijwel zonder uitzondering een etiket van de gevarenklasse 1.4 was aangebracht. Het hof is tot de overtuiging gekomen, dat die etikettering in het geheel geen verband had met de werkelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. Het valt te vrezen, en ook verdachte had daarmee rekening moeten houden, dat de etikettering in belangrijke mate mede werd bepaald door overwegingen van commerciële aard, in die zin, dat transport van als minder gevaarlijk geëtiketteerde soorten veel goedkoper zou zijn, zodat voor een belangrijk lagere prijs kon worden geleverd aan de importeurs dan wanneer op de verpakking kenbaar was, dat de vervoerder te maken had met vuurwerk van de klasse 1.3, 1.2 of 1.1. Verdachte moet hebben begrepen, of in elk geval hebben kunnen begrijpen, dat sommige soorten vuurwerk dan ook van een zwaardere klasse waren dan 1.4. In het bijzonder geldt dat voor de titaniumshells, waarvan bij de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen werden vastgesteld. Dat geldt temeer voor verdachte, nu hij naar eigen zeggen de beschikking had over de MSDS lijsten, bevattende de gegevens inzake de samenstelling van het vuurwerk (soort en hoeveelheid kruit) aan de hand waarvan hij zich een beeld kon vormen van de aard van het ingekochte vuurwerk. Het hof acht het uitgesloten, dat verdachte niet bij serieuze kennisname van deze gegevens twijfels heeft gehad aangaande de juistheid van de indeling in gevarenklasse, temeer, nu de etikettering naar gevarenklasse niet (zoals de verdediging stelde) hoefde te geschieden door een Chinese overheidsinstantie, maar ook kon plaatsvinden door de producent zelf. Het hof acht voorts een sterke aanwijzing voor verdachtes schuld in deze gelegen in het feit, dat verdachte ten minste één maal is geconfronteerd met een afwijking in indeling in gevarenklasse tussen de invoice (vermeldend 1.4) en de packing list (vermeldend 1.3); verdachte heeft daarover verklaard, dat dit probleem wel vaker voorkwam. Voor zover al niet aan verdachte duidelijk was, dat de etikettering niet geschiedde op basis van een werkelijke vaststelling van explosie- en brandgevaar maar op basis van commerciële afwegingen, moet dit hem toen toch aan het denken hebben gezet. Daar komt bij, dat verdachte heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige Kodde, als docent verbonden aan deze opleiding, verklaart, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk." 51. Vooropgesteld moet worden dat de gedachte achter classificering en etikettering van vuurwerk is het mogelijk maken de veiligheidsmaatregelen bij de omgang met dit vuurwerk af te stemmen op de feitelijke gevaarlijkheid van het vuurwerk. 52. De in het middel verdedigde opvatting brengt mee dat ook een onjuiste door de producent aangebrachte etikettering bij de beoordeling van de naleving van de vergunningsvoorschriften tot uitgangspunt zou moeten worden genomen, zodat de vergunninghouder die alleen 1.4G vuurwerk mag opslaan, maar die feitelijk alleen vuurwerk van de gevaarssubklasse 1.1G heeft opgeslagen, niet in overtreding is wanneer de verpakking van het desbetreffende vuurwerk een etiket draagt met de aanduiding gevaarssubklasse 1.4. Die uitleg kan, zoals het hof terecht en allerminst onbegrijpelijk heeft geoordeeld niet als juist worden aanvaard. Zo'n uitleg is in strijd met de doelen die met classificatie en etikettering van vuurwerk worden nagestreefd. Voorts staat deze uitleg lijnrecht tegenover de strekking van de milieuvergunning en het met de vergunning en de wetgeving waarop zij is gebaseerd nagestreefde doel. 53. De aan de klacht en het verweer ten grondslag liggende opvatting dat etikettering hetzelfde is als classificering is dus onjuist. Classificering van vuurwerk geschiedt aan de hand van tests overeenkomstig de VN-aanbevelingen in het Manual of Tests and Criteria. Vervolgens dient de etikettering van vuurwerk in overeenstemming te zijn met de vastgestelde classificering. Indien de etikettering van het vuurwerk niet in overeenstemming is met de geconstateerde classificering, verandert daardoor niet de classificering in voor de uitvoering van de regelgeving op dit gebied relevante wijze. Daardoor zou immers de doelstelling van die regelgeving volledig worden ondergraven. 54. In de op 30 september 1957 te Genève tot stand gekomen Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171)(ADR) noch in andere regelgeving op het gebied van de classificering, het transport en de opslag van vuurwerk kan, anders dan de stellers van het middel willen, steun worden gevonden voor de door hun verdedigde opvatting. In voormelde Overeenkomst en de daarmee samenhangende wet- en regelgeving wordt tot uitgangspunt genomen dat de etikettering van het vuurwerk in overeenstemming is met de feitelijke gevaarssubklasse van het vuurwerk. Voor het hier aan de orde zijnde geval, waarin die etikettering nu juist niet klopt en het de vraag is of SE Fireworks zulks had kunnen en behoren te weten, biedt die regelgeving dus geen aanknopingspunt ter ondersteuning van de stelling van de verdediging. Ook de op blz. 85 van de schriftuur aangevoerde argumenten voor de stelling “etiket is classificatie" maken dit niet anders. 55. De klacht faalt. 56. Een andere vraag is, en dat onderscheid wordt door het hof terecht en zeer duidelijk gemaakt, of verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van het feit dat het op het terrein van SE Fireworks opgeslagen vuurwerk feitelijk tot een zwaardere gevaarssubklasse behoorde dan de op het etiket aangegeven klasse 1.4 zodat SE Fireworks de voorschriften van aan haar verleende vergunning overtrad. De bevestigende beantwoording van deze vraag is in de overige klachten en middelen aan de orde gesteld en besproken. 57. i. Gelet op de etikettering en de regels daaromtrent behoefde SE Fireworks niet te weten dat er massa-explosief vuurwerk aanwezig was op het bedrijfsterrein. 58. Deze klacht stuit af op 's hofs hiervoor weergegeven en onder punt 46 van deze conclusie samengevatte overwegingen. 59. Het oordeel van het hof, dat inhoudt dat verzoeker wél heeft kunnen en behoren te voorzien dat er massa-explosief vuurwerk aanwezig was, geeft ook in het licht van de geldende regelgeving geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Opmerking verdient daarbij dat de omstandigheid dat er regels bestaan op het gebied van classificering en etikettering van vuurwerk niet meebrengt dat men de ogen volledig mag sluiten voor de mogelijkheid dat die regels niet worden nageleefd. Dat geldt te meer wanneer men in de bewustheid verkeert dat het voor de tot naleving gehouden producent lucratief is om de regels niet na te leven, en men reeds ervaring heeft met afwijkingen tussen etikettering en paklijst. 60. j. Verzoeker heeft mogen afgaan op de juistheid van de etikettering. Het hof heeft niet vastgesteld dat verzoekers deskundigheid zich mede uitstrekte tot de classificatie van vuurwerk. In dit verband kan de door het hof gebezigde verklaring van getuige-deskundige Kodde niet tot het bewijs bijdragen, omdat zijn verklaring dat hij "denkt" dat degenen die de cursus hebben doorlopen het verschil moeten kunnen zien tussen 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk geen mededeling is van door hemzelf waargenomen of ondervonden feiten of omstandigheden, maar een gissing en een veronderstelling is. Voorts valt deze verklaring niet onder de expertise van Kodde als deskundige op pyrotechnisch gebied. 61. Deze klacht stuit hierop af op dat 's hofs oordeel dat verzoeker wel kon en behoorde te weten dat de etikettering onjuist was en hij daartoe over voldoende deskundigheid beschikte, welk oordeel is gebaseerd op de hiervoor onder punt 46 samengevatte gronden, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit evenmin onbegrijpelijk is. 62. Het hof heeft in dit verband ook in zijn overwegingen kunnen betrekken dat verzoeker heeft deelgenomen aan de PTO-cursus, waarover de getuige Kodde, als docent verbonden aan deze opleiding, heeft verklaard, dat na afloop de cursist bij het bezigen van vuurwerk het verschil kan zien tussen vuurwerk van de klasse 1.4 G/S en zwaarder vuurwerk. De klachten over het bezigen van deze verklaring van Kodde falen op de gronden als weergegeven bij de bespreking van het elfde middel. 63. k. Ook kan de verklaring van Kodde niet tot het bewijs bijdragen omdat verzoeker heeft deelgenomen aan een pilot, waarin anders dan in de huidige cursus, waarop de verklaring van Kodde betrekking heeft, de vaststelling van de classificatie van vuurwerk geen enkele rol speelde. 64. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Namens verzoeker is op blz. 49 van de ter terechtzitting van 23 april 2003 voorgedragen pleitnota onder meer aangevoerd: "De Advocaat-(G)eneraal hamert nogal op de PTO-cursus. [verdachte] heeft de eerste cursus bezocht ("de bobo's"), dat was een pilot. Bovendien was de classificatie daar alleen aan de orde als een formele kwestie en hoogstens een beschrijving van de verschillende klassen." 65. In cassatie kan niet voor het eerst en in afwijking van hetgeen in feitelijke aanleg is betoogd, worden aangevoerd dat de classificatie geen enkele rol speelde bij de door verzoeker gevolgde cursus. 66. De beschrijving van de verschillende klassen, opgenomen in bijlage A/B bij de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171)(ADR) en overgenomen als bijlage I bij de Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen luidt, voorzover voor de beoordeling van belang, als volgt: “Subklasse 1.1: Stoffen en voorwerpen met gevaar voor massa-explosie (een massa-explosie is een explosie die praktisch op hetzelfde ogenblik plaatsvindt in nagenoeg de gehele lading). Subklasse 1.2: Stoffen en voorwerpen met gevaar voor scherfwerking, zonder gevaar voor massa-explosie. Subklasse 1.3: Stoffen en voorwerpen met gevaar voor brand en met een gering gevaar voor luchtdruk- of scherfwerking of met gevaar voor beide, maar niet met gevaar voor massa-explosie:
  8. a)waarvan de verbranding aanleiding geeft tot een aanzienlijke warmtestraling, of
  9. b)die één voor één uitbranden, waarbij een geringe luchtdruk- of scherfwerking, of beide optreden. Subklasse 1.4: Stoffen en voorwerpen die slechts gering gevaar opleveren indien zij tijdens het vervoer tot ontsteking of inleiding komen. De gevolgen blijven in hoofdzaak beperkt tot het collo en leiden niet tot scherfwerking van enige omvang of reikwijdte. Een van buitenaf inwerkende brand mag niet leiden tot een explosie op praktisch hetzelfde ogenblik van nagenoeg de gehele inhoud van het collo.” 67. In het licht van deze beschrijvingen, die, naar verzoeker zelf heeft aangegeven, bij de door hem gevolgde PTO-cursus aan de orde zijn geweest en gelet op verzoekers ervaring met het bezigen van vuurwerk, in het bijzonder ook wat betreft de titaniumshells, waarvan later tijdens de classificatietests zeer zware explosieve eigenschappen zijn vastgesteld, is allerminst onbegrijpelijk dat het hof redengevende kracht heeft toegekend aan de omstandigheid dat verzoeker de PTO-cursus heeft gevolgd en aan de verklaring van Kodde dienaangaande. 68. l. Uit de bewijsvoering volgt niet dat verzoeker opdracht heeft gegeven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan het door SE Fireworks opslaan en/of opgeslagen houden van vuurwerk dat massa-explosief was. 69. Anders dan in het middel wordt verondersteld vereist het bewezenverklaarde in dit verband niet dat verzoekers (voorwaardelijk) opzet gericht was op het massa-explosieve karakter van het opgeslagen vuurwerk. Het bewezenverklaarde vereist in dit verband dat uit de bewijsvoering kan volgen dat verzoeker opdracht heeft gegeven tot en feitelijke leiding heeft gegeven aan de gedragingen die de schuld van SE Fireworks aan de brand en ontploffing vestigen, voorzover voor de beoordeling van de klacht van belang, de gedraging dat SE Fireworks vuurwerk heeft opgeslagen en/of opgeslagen gehouden dat massa-explosief was. Dit kan uit de bewijsvoering volgen. 70. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan, voorzover voor de beoordeling van deze klacht van het middel van belang, worden afgeleid dat in de vuurwerkopslagplaatsen op het bedrijfsterrein van SE Fireworks massa-explosief vuurwerk was opgeslagen en dat verzoeker en zijn mededirecteur verantwoordelijk waren voor de bedrijfsvoering en deze zelf verzorgden zodat de aanwezigheid van het vuurwerk geacht mag worden het gevolg te zijn van hun bestelling daarvan en opdrachten tot aflevering op het bedrijfsterrein. 71. Aldus kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verzoeker opdracht heeft gegeven tot en feitelijk leiding heeft gegeven aan het door SE Fireworks aanwezig hebben van het massa-explosieve vuurwerk. 72. Dan volgt de vraag of de omstandigheid dat het vuurwerk massa-explosief was aan SE Fireworks en aan verzoeker als feitelijk leidinggever en opdrachtgever kan worden toegerekend. 73. In aanmerking genomen dat uit de overwegingen van het hof met betrekking tot de schuld aan het opgeslagen hebben van zwaarder vuurwerk dan toegestaan, dat deels massa-explosief was, volgt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat sprake is van een strafuitsluitingsgrond ten aanzien van de omstandigheid dat het massa-explosief vuurwerk betrof, geeft 's hofs oordeel dat ook deze omstandigheid aan SE Fireworks als dader en aan de verdachte als opdrachtgever en feitelijk leidinggever kan worden toegerekend geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel ook niet. Hierbij dient in het bijzonder gelet worden op de verantwoordelijkheid van verzoeker uit hoofde van zijn directeurschap van een vuurwerkbedrijf met een voorraadterrein in een woonwijk; op zijn ruime praktijkervaring met het betreffende vuurwerk; op de omstandigheid dat verzoeker bekend was met het bestaan van verschillen in gevaarsklassen van vuurwerk en met wat kenmerkend is voor vuurwerk van de verschillende klassen; en tenslotte op het feit dat verzoeker op de hoogte was van de gebondenheid van SE Fireworks aan vergunningsvoorschriften die mede betrekking hadden op de hoeveelheid toegestaan vuurwerk per gevaarssubklasse. 74. Het tweede middel klaagt ten eerste over de afwijzing van de verzoeken tot het doen verrichten van een contra-expertise. Ten tweede klaagt het middel over de verwerping van het verweer dat de onderzoeken naar classificatie van het vuurwerk in Oldebroek en Berlijn op onzorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden en deze niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. 75. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 januari 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: “Een contra-expertise betreffende het classificatieonderzoek naar de aard van het vuurwerk. In het strafrechtelijk onderzoek zijn twee onderzoeken gedaan () gericht op de vaststelling van de zwaarte van vuurwerk. Het eerste onderzoek heeft plaatsgevonden in Oldebroek, geheel buiten de verdediging om. Het tweede onderzoek heeft plaatsgevonden in Berlijn, waarbij de verdediging op de laatste werkdag voor aanvang van de testen is geïnformeerd over de datum van onderzoek. Betreffende het tweede onderzoek is door het Openbaar Ministerie wel op voorhand aan de verdediging bericht over mogelijke weken waarin de testen zouden gaan plaatsvinden, maar de verdediging is pas op de laatste werkdag vóór aanvang van de testen telefonisch geïnformeerd over de datum van onderzoek. Anders dan eerder door het Openbaar Ministerie is gesteld is het onderzoek in Oldebroek niet slechts uitgevoerd om geschikte producten voor de testserie in Berlijn te selecteren. Uit het rapport van TNO betreffende het classificatieonderzoek, alsmede uit de getuigenverklaring van de heer de Jongh van TNO in eerste aanleg blijkt dat sommige testresultaten uit Oldebroek zijn “meegenomen” naar het onderzoek in Berlijn om als uitgangspunt te dienen bij enkele classificaties van vuurwerk. Het onderzoeksresultaat in Oldebroek is dan ook onderdeel van het uiteindelijke eindresultaat. Bij dit “meenemen” gaat het met name om testresultaten van het vuurwerkartikel Red Flower in centre of rings; betreffende de problemen die de verdediging met dit artikel heeft verwijs ik naar hetgeen is betoogd ter toelichting op de wens om getuigen te horen en naar de pleitnota in eerste aanleg. Gezien het gebruiken van de onderzoeksresultaten van Oldebroek in het onderzoek te Berlijn is ten onrechte de verdediging niet uitgenodigd bij de testen in Oldebroek en zelfs niet uitgenodigd om commentaar te leveren op de selectie van de vuurwerkartikelen. Ware dit wel gebeurd dat zou de verdediging hebben kunnen wijzen op het feit dat het artikel Red Flower in centre of rings niet op 13 mei 2000 of enig ander moment bij SE Fireworks aanwezig is geweest en derhalve niet als representatief was aan te merken. In eerste aanleg is door het Openbaar Ministerie bij voortduring betoogd dat het verzoek tot het houden van een contra-expertise moest worden afgewezen daar onvoldoende geschikt vuurwerk voorhanden zou zijn. De Rechtbank heeft het verzoek van de verdediging met overnemen van dit standpunt afgewezen. Er is echter geen sprake van dat er geen geschikt vuurwerk beschikbaar zou zijn; in eerste aanleg heeft de heer G.J. Wagenvoort, vuurwerkhandelaar en voorzitter van de branchevereniging VEN verklaard dat op zijn bedrijf voldoende vergelijkbaar vuurwerk aanwezig was en bovendien dat er voldoende vergelijkbaar vuurwerk verkrijgbaar was. Hem had overigens nimmer een verzoek van het Openbaar Ministerie bereikt betreffende het beschikbaar stellen van vuurwerk. Het kan op dit moment geen enkel probleem opleveren om vuurwerk te verkrijgen afkomstig van de vuurwerkproducenten van wie SE Fireworks in 1999 en 2000 vuurwerk heeft afgenomen. Het belang dat de verdediging heeft bij een contra-expertise is bijzonder groot. Het vuurwerk dat bij SE Fireworks aanwezig was op 13 mei 2000 is uiteraard niet getest; er is geen vuurwerk voorhanden dat op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was. In dit strafrechtelijk onderzoek gaat het om bewijsvragen met betrekking tot het vuurwerk dat wél op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was op basis van onderzoek van vuurwerk dat niet op 13 mei 2000 bij SE Fireworks aanwezig was. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om veiligheidsvragen, het gaat om bewijs in strafvorderlijke zin. Keihard bewijs derhalve. Dat betekent dat het vuurwerk dat getest wordt met grote zorgvuldigheid wordt geselecteerd en dat elk misverstand over de representativiteit wordt uitgesloten. Ook het onderzoek dient zorgvuldig te zijn. Dat het onderzoek niet zorgvuldig geweest is kan kort door twee voorbeelden worden geïllustreerd: De onderzoeksleider de Jongh heeft als getuige/deskundige verklaard dat hij tijdens het onderzoek in de waan was dat alle vuurwerkartikelen die getest werden van afnemers of leveranciers van SE Fireworks afkomstig waren. De werkelijkheid is anders, vide hierna. Er zijn in het onderzoeksrapport vuurwerkartikelen als 1.1 bestempeld bij gebreke van informatie over het betreffende artikel. Deze werkwijze is voorgeschreven als het gaat om een classificatie vanuit veiligheidsoogpunt: wanneer je het niet weet moet het - zekerheidshalve - 1.1 worden genoemd en dan uiteraard de enige juiste aanpak. Maar deze aanpak is in het onderzoek ook gevolgd om bepaalde artikelen die bij SE Fireworks waren opgeslagen te classificeren: we weten het niet dus noemen we ze 1.1. In de strafzaak kan niet op deze wijze bewijs worden “gecreëerd”; het feit dat het wel gebeurd is zegt iets over de kwaliteit van het onderzoek in strafvorderlijke zin. Dat de selectie van het vuurwerk niet zorgvuldig is geweest blijkt uit het navolgende. Het vuurwerk dat getest is is op drie manieren verkregen: - Betrokken van afnemers van SE Fireworks - Betrokken van handelaren die hebben ingekocht bij Chinese leveranciers van SE Fireworks - Betrokken van het Duitse bedrijf Pyro-art. Dit vuurwerk is niet afkomstig van een producent die tevens aan SE Fireworks heeft geleverd en dit vuurwerk heeft dan ook geen enkele relatie met het vuurwerk dat op 13 mei 2000 bij SE Fireworks lag. Al het vuurwerk dat op grond van de testen zowel door TNO als het Duitse BAM als massa-explosief is aangemerkt is - op één uitzondering na - afkomstig geweest van Pyro-art en betreft derhalve uitsluitend vuurwerk dat niet afkomstig is geweest van SE Fireworks en dat ook niet afkomstig is geweest van een producent die ook leverancier van SE Fireworks is geweest. (de uitzondering is een artikel dat bij het bedrijf [A] in beslag is genomen uit een door [A] samengestelde doos en waarvan de herkomst volstrekt onduidelijk is). Ergo: het vuurwerk dat op grond van de testen als massa-explosief is aangemerkt kan niet in relatie worden gebracht met SE Fireworks. Wel hebben er vergelijkingen plaatsgevonden op basis van vergelijkingen (de zogenaamde bureauclassificatie) doch deze zijn ondeugdelijk. Uit de getuigenverhoren van met name de onderzoeksleider de Jongh van TNO in eerste aanleg is duidelijk geworden hoeveel fouten bij de testen en de bureauclassificatie zijn gemaakt. Bovendien is de bureauclassificatie mede gebaseerd geweest op het artikel Red Flower in centre of rings (vide hierboven). De testresultaten en dan met name de resultaten van de bureauclassificatie laten een belangrijke vraag onbeantwoord: indien de artikelen afkomstig van Pyro-art op grond van de samenstelling vergeleken kunnen worden met de artikelen die SE Fireworks voerde hoe kan het dan zijn dat uitsluitend de artikelen afkomstig van Pyro-art als massa-explosief uit de test kwamen en de artikelen van de leveranciers en afnemers van SE Fireworks juist niet? Met betrekking tot het onderzoek in Berlijn wijs ik nog op de grote verschillen in waarneming van effecten van het vuurwerk. De vraag is natuurlijk wel hoe het kan dat in TNO delen van een vuurwerkartikel 80 meter ziet overbruggen terwijl het BAM het op 20 meter houdt (en dat dan vele malen!). Het is de Officier van Justitie geweest die zich in eerste aanleg op het standpunt heeft gesteld dat voor het doen van classificatieonderzoek en dan met name voor de interpretatie van de testresultaten speciale deskundigheid opgedaan door jarenlange ervaring is vereist, terwijl de onderzoeksleider de heer de Jongh in eerste aanleg heeft verklaard dat het hier bedoelde onderzoek zijn eerste classificatieonderzoek is geweest. De verdediging heeft bij alle gelegenheden die haar geboden werd(
  10. en)aangevoerd, ook zeer uitvoerig en zeer gemotiveerd (vide de pleitnotitie in eerste aanleg) om welke redenen de onderzoeken in Oldebroek en Berlijn ondeugdelijk zijn geweest. De verdediging heeft tijdig aangegeven bij het onderzoek aanwezig te willen zijn en de verdediging is daarop ontijdig op de hoogte gesteld van het onderzoek in Berlijn. Betreffende het onderzoek in Oldebroek is de verdediging in het geheel niet geïnformeerd. De contra-expertise is feitelijk wel degelijk mogelijk daar in Nederland voldoende vuurwerk voorhanden is afkomstig van de leveranciers van SE Fireworks. Overigens zijn er ook nog steeds de vier volle containers die op 13 mei 2000 op weg waren naar SE Fireworks; deze containers bevatten in elk geval representatief vuurwerk. Gezien het voormelde komt de verdediging het recht op een contra-expertise toe en de verdediging verzoekt Uw Hof om aldus te beslissen.” 76. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting van 24 januari 2003, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in: “De raadsman van verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-: () III Een contra-expertise betreffende het classificatieonderzoek naar de aard van het vuurwerk Het vuurwerk dat afkomstig is van Pyro-art is betrokken van de Chinese producent Red Dragon. Dit is een producent waar SE Fireworks nooit vuurwerk van heeft betrokken. Mijn cliënt leeft van een uitkering en is niet in staat om de kosten voor de contra-expertise te betalen. Hij kan bovendien niet beschikken over het overgebleven vuurwerk van SE Fireworks. () De advocaat-generaal verklaart - zakelijk weergegeven -: Met betrekking tot de onderzoekswensen van verdachte wil ik het volgende opmerken. () III Een contra-expertise betreffende het classificatieonderzoek naar de aard van het vuurwerk Het herhalen van het classificatieonderzoek omdat de verdediging er niet bij kon zijn is naar mijn mening niet nodig. Het was niet noodzakelijk dat de verdediging bij de testen in Oldebroek aanwezig was en de verdediging is vooraf op de hoogte gesteld van de periode waarin de testen in Duitsland plaats zouden vinden. Over de dag waarop de testen zijn gestart is de verdediging, evenals het openbaar ministerie, kort daarvoor op de hoogte gesteld. Dat kon ook niet eerder omdat op basis van de weersomstandigheden bepaald werd of de testen door zouden gaan. Het is mogelijk om nogmaals een classificatieonderzoek te doen met soortgelijk vuurwerk, maar het zal een tijdrovend, gecompliceerd en duur onderzoek worden. Wanneer het resultaat ons verder helpt dan moeten we dat ervoor over hebben, maar ik denk niet dat dat zo is. Het valt te verwachten dat bij het herhalen van het onderzoek kleine verschillen in de resultaten zullen optreden en dat zal alleen nieuwe verschillen van mening en nieuwe verzoeken opleveren. Het nalaten van een contra-expertise is naar mijn mening niet onzorgvuldig, nu de zorgvuldigheid voldoende is betracht door het doen van het classificatieonderzoek zelf. De opmerking van de raadsman dat wanneer er onvoldoende gegevens zijn over vuurwerk dat je dit dan voor de veiligheid in de klasse 1.1 moet indelen is juist. De vaststelling dat er 1.1 vuurwerk lag bij SE Fireworks, dan gaat het over titaniumshells, is echter niet gebaseerd op onduidelijke uitkomsten van het onderzoek. Deze vaststelling is op basis van onderzoek door TNO, BAM en het Canadese instituut gedaan, die alle drie tot dezelfde conclusie zijn gekomen. Het mag juist zijn dat SE Fireworks geen vuurwerk van Red Dragon heeft betrokken, maar er is zorgvuldig gezocht naar vergelijkbaar vuurwerk, waarbij ook de chemische samenstelling is onderzocht. De raadsman van verdachte verklaart -zakelijk weergegeven-: De advocaat-generaal gebruikt bij zijn afwijzing van verzoeken van de verdediging termen als ‘geen essentiële rol, indien het hof dit nodig acht, het NFI ziet het niet zitten, ik raad het u af maar ik heb er geen bezwaar tegen’. Dat zijn onjuiste criteria. () De advocaat-generaal vindt het niet nodig dat er een contra-expertise gedaan wordt op basis van de verwachte resultaten. Dat is echter een volstrekt onjuist criterium. Je kunt niet vooruit lopen op de resultaten als argument tegen de contra-expertise. De advocaat-generaal noemt het heel zorgvuldig dat classificatietesten zijn gedaan. Dat kun je echter alleen zorgvuldig noemen wanneer deze testen zorgvuldig zijn uitgevoerd en dat wordt door de verdediging betwist. Ik wijs u op het rapport van de heer De Jong, deel 3, waarin hij op bladzijde 20 het volgende aangeeft. Bij classificatie is het gebruikelijk dat in geval van twijfel wordt gekozen voor de zwaarste van de twee. Experimenteel is vastgesteld dat er kogelbommen van 225 en 300 mm zijn die massa-explosief reageren en dat bij andere kogelbommen in dit onderzoek op basis van een test niet is vastgesteld dat er massa-explosie optreedt. Wanneer zonder afdoende testresultaat een uitspraak moet worden gedaan over de classificatie van kogelbommen treedt bovengenoemd principe van indeling in de zwaarste van de alternatieven in werking en dus moeten ze als 1.1 worden beschouwd. Op basis van deze redenering is dus vastgesteld dat er vuurwerk van de klasse 1.1 bij SE Fireworks lag. Ik betwist overigens dat het vuurwerk afkomstig van Red Dragon zorgvuldig is geselecteerd. De heer De Jong ging er overigens vanuit dat het vuurwerk van SE Fireworks afkomstig was. Wat betreft de Red Flower in centre of rings, wanneer dit artikel niet als 1.1 is geclassificeerd, zoals de advocaat-generaal stelt, dan trek ik mijn verzoek in. Naar mijn mening is dat echter wel zo. Ik persisteer.” 77. Het hof heeft in zijn tussenarrest van 7 februari 2003 het verzoek om een contra-expertise afgewezen en dit als volgt gemotiveerd: “Contra-expertise classificatie vuurwerk De verdediging heeft verzocht om een contra-expertise ten aanzien van de classificatie van het vuurwerk. Daartoe is aangevoerd, kort weergeven, dat: • het onderzoek niet zorgvuldig zou zijn geweest daar: - de selectie van het vuurwerk niet zorgvuldig zou zijn geweest; - de tests zouden zijn gericht op onderzoek naar de normering en de veiligheid van het vuurwerk waarbij bij gebrek aan informatie vuurwerk in de hoogste gevarenklasse is ingedeeld en daarmee in strafvorderlijk opzicht ongeschikt zouden zijn; • er grote verschillen zouden zijn tussen de waarneming van effecten van vuurwerk door TNO Prins Maurits Laboratorium (TNO-PML) en Bundesanstalt für Materialforschung und -prüfung (BAM); • de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld de testen bij te wonen. In het kader van deze strafzaak zijn classificatietests verricht door TNO-PML te Olde()broek en door TNO-PML en het BAM in Horstwalde (Duitsland). Deze tests zijn zo veel mogelijk uitgevoerd volgens de Recommendations on the Transport of Dangerous Goods; Manual of Tests and Criteria. Indien van deze door de Verenigde Naties aanbevolen testmethode is afgeweken, is dit in de rapportage toegelicht. TNO-PML en het BAM zijn in respectievelijk Nederland en Duitsland de door de wetgever aangewezen instanties voor dit type classificatieonderzoek. TNO-PML en het BAM hebben los van elkaar de testresultaten geïnterpreteerd en een classificatie aan de verschillende vuurwerkartikelen toegekend. Daarnaast zijn de vuurwerkartikelen geclassificeerd aan de hand van de door de National Resources Canada; Explosive Regulatory Division (NRC) gehanteerde criteria. De NRC is de instantie die in Canada is aangewezen voor het verrichten van dit type classificatieonderzoek. De zich in het dossier bevindende rapportage bevat de classificatie van twee onafhankelijke instellingen voor wetenschappelijk onderzoek. Daarnaast is de classificatie opgenomen die is opgesteld aan de hand van de criteria gehanteerd door een derde onderzoeksinstelling. De uitkomst van classificatie door TNO-PML, het BAM en de classificatie aan de hand van de criteria van het NCR is voor de meeste producten gelijk. Waar de uitkomsten verschillen is dit in zich in het dossier bevindende rapportage toegelicht. Het vuurwerk dat is gebruikt bij de tests is grotendeels gekocht van afnemers van SE Fireworks dan wel afkomstig uit de in beslaggenomen containers met vuurwerk die na de ramp nog onderweg waren naar SE Fireworks. Voor zover er vuurwerk is aangekocht van Duitse bedrijven is de overeenkomst van dit vuurwerk met het vuurwerk dat lag opgeslagen bij SE Fireworks door middel van chemisch onderzoek vastgesteld. Derhalve is de onderbouwing van dit deel van het verzoek feitelijk onjuist. Voorts vindt de opvatting van de verdediging dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld voormeld wetenschappelijk onderzoek bij te wonen geen steun in het recht. Het hof is van oordeel dat, gelet op de wijze waarop het classificatieonderzoek heeft plaatsgevonden en gelet op de rapportage hieromtrent, op het recht van verdachte op een eerlijke procesvoering, als bedoeld in artikel 6 EVRM, geen inbreuk is gemaakt. Het hof zal het verzoek afwijzen." 78. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 23 april 2003 heeft de raadsman in zijn voorgedragen pleitnota, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende aangevoerd: “Vuurwerk gebruikt voor classificatietesten in Oldebroek Op 13 mei 2000 waren er vier containers met vuurwerk op weg naar SE Fireworks. Deze containers zijn in beslag genomen en uit de inhoud is een selectie gemaakt van te testen artikelen. Het enige artikel dat in Oldebroek na het testen is geclassificeerd als 1.1 (massa-explosief) is het artikel Red Flower in Centre of Rings 12 inch. Dit artikel is een voor SE Fireworks onbekend artikel; het komt nergens voor, niet op de beslaglijst, niet op enige bestellijst, niet op enige prijslijst, niet op enige pakbon en ook niet op enige factuur. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben verklaard - vide bv [medeverdachte] als getuige ter zitting Rb - dat het artikel onbekend was; [medeverdachte] verklaart de naam voor het eerst ter terechtzitting te hebben gehoord. SE Fireworks heeft dit artikel nooit gevoerd en nooit ingekocht. Het artikelnummer waaronder dit artikel in de container zou hebben gezeten wordt wel door SE Fireworks gevoerd, doch betreft een geheel ander artikel, de Brocade Crown. Er is met de Red Flower in Centre of Rings iets vreemds aan de hand en in ieder geval kunnen de testresultaten van dit artikel niet gebruikt worden om enige uitspraak te doen over het vuurwerk dat op 13 mei 2000 en daarvoor bij SE Fireworks in opslag lag. Het Openbaar Ministerie verwijst naar Wagenvoort, daar zou het artikel zijn aangetroffen. Als bijlage treft U aan een schrijven van Wagenvoort hierover: ook bij hem gaat het om de Brocade Crown, een geheel ander artikel; ook uit de bijgevoegde facturen blijkt dat het betreffende artikel nimmer aan Wagenvoort is geleverd. (bijlage I) Dan is er ook nog het concept TNO rapport betreffende de selectie uit de containers van de te testen vuurwerkartikelen (blz 078 ev). Er worden 7 artikelen genoemd, daarbij niet de Red Flower in centre of rings en evenmin het 12 inch artikel met de naam Brocade Crown en het nummer dat volgens het OM bij de Red Flower in centre of rings hoort. In feite is de herkomst van de geteste Red Flower in centre of rings volkomen onduidelijk. Opmerkelijk is verder dat juist dit artikel het enige artikel is geweest dat op grond van het testresultaat 1.1. werd genoemd. Overigens is door de getuige/deskundigen met betrekking tot de test van dit artikel het volgende verklaard: De Jong van TNO (ter zitting Rb): Als alleen de definitie zou zijn toegepast op de inhoud van de vier containers, dus dat nagenoeg de gehele hoeveelheid tegelijkertijd gaat, dan zou men de 12 inch bommen Red Peony Shell of Shells en Red Flower in Centre of Ring geen 1.1. vuurwerk hoeven te noemen. Het vuurwerk-artikel Red Peony Shell of Shells is gezien de grote mate van overeenkomst naar analogie getest en geclassificeerd. Een en ander impliceert dat als de Red Flower in Centre of Ring geen 1.1 zou zijn, volgens deze analogie ook de Red Peony Shell of Shells geen 1.1 zou zijn. Dirkse van TNO (ter zitting Rb): Wij waren van mening dat het artikel Red Flower In Centre of Ring 1.1 moest zijn. Ik ben het eens met collega de Jong als hij zegt dat dit artikel volgens de geldende definitie niet, maar op grond van de opgetreden effecten, zoals kratervorming, piekdruk etc. wel als 1.1 geclassificeerd kan worden. Noot: Let op “kan”! De Jong (ter zitting Rb): De definitie alleen biedt dus onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie of iets als massa-explosief dient te worden aangemerkt. De opgetreden effecten dienen te worden meegenomen. De beslissing hiertoe is door ons in de loop van het onderzoek genomen. In bewijsrechtelijke zin moet worden vastgesteld dat vanwege de onduidelijkheid over de Red Flower in Centre of Ring (niet representatief) en vanwege het ontbreken van een objectief testcriterium in Oldebroek niet van 1.1 is gebleken. Een testcriterium dat door deskundigen gaandeweg de testprocedure kan worden veranderd juist op grond van de testresultaten is een criterium dat in een strafzaak onbruikbaar is, reeds vanwege het ontberen van enige objectiviteit. En omdat steeds de zwaarste optie is gekozen. Vuurwerk gebruikt voor classificatietesten in Berlijn Zowel door de Commissie Oosting als door het Openbaar Ministerie is gesteld dat het vuurwerk dat in Berlijn is getest vuurwerk van SE Fireworks is geweest. Het zou gaan om vuurwerk uit containers op weg naar SE Fireworks, vuurwerk afkomstig van afnemers van SE Fireworks en vuurwerk afkomstig van producenten van SE Fireworks (en dus vergelijkbaar) In een zeer kort zinnetje op blz M0306 is te lezen dat er vuurwerk is getest dat niet afkomstig is van een producent van SE Fireworks, maar dat gewoon op de Duitse vuurwerkmarkt is gekocht en dat is geproduceerd door een fabrikant waar SE Fireworks nooit vuurwerk van heeft betrokken (Red Dragon). Opmerkelijk is - ivm de onduidelijke herkomst van de vuurwerkartikelen - de verklaring van getuige de Jong ter zitting: Maar bij de dozen die wij gezien hebben daar liggen de voorwerpen tegen elkaar aan... Bij SE Fireworks lagen de voorwerpen in de dozen nimmer tegen elkaar aan! Er is derhalve vuurwerk getest dat geen andere relatie had met SE Fireworks dan dat het vuurwerk was. De resultaten van testen met dit vuurwerk zijn zowel door de Commissie Oosting als door het Openbaar Ministerie gebruikt om aan te tonen dat er bij SE Fireworks massa-explosief materiaal heeft gelegen. Het Openbaar Ministerie stelt dat het in verband met de vergelijkbaarheid van belang was dat het te verzamelen vuurwerk daadwerkelijk afkomstig was van SE Fireworks vof. Van deze uitgangspunten is eenmaal, noodgedwongen, afgeweken. Red Dragon, zie hierna. Maar dit probleem wordt soepeltjes opgelost door de artikelen chemisch te analyseren en vervolgens te vergelijken. Kennelijk is dit fenomeen niet aan de classificerende deskundigen kenbaar gemaakt, zij zijn in de waan gelaten dat het vuurwerk dat zij aan het testen waren van SE Fireworks afkomstig was. Uit de testen in Berlijn blijkt dat - op één na - alle artikelen die zowel door TNO als het BAM na het testen 1.1 zijn genoemd afkomstig waren juist uit die ene fabriek, Red Dragon, die nooit aan SE Fireworks heeft geleverd. Vide blz M0305 en M0306 Uit de verklaring van de Jong kan echter zonder veel moeite worden afgeleid dat het gehele fenomeen bureauclassificatie in een strafzaak niet kan worden toegepast. De Jong over de constatering dat de Brocade Crown tegen de verwachting in niet als 1.1 kon worden ingedeeld: Dit is een opmerkelijke uitkomst. Er zijn echter dingen die wij niet begrijpen. Waarom het ene artikel als 1.1 reageert en het andere klaarblijkelijk niet. Er zullen bv 12 inch of 300 mm kogelbommen zijn, die wel massa-explosief zijn, en er zullen andere zijn, die dat weer niet zijn. Dat geldt overigens ook voor 200 mm en 250 mm natuurlijk; in gelijke mate. Wanneer je dit soort verschillen - nog - niet kunt begrijpen kun je ook niet met terugwerkende kracht allerlei uitspraken doen - met kracht van bewijs! - over artikelen die er niet meer zijn. Dat die bureauclassificatie buiten een strafzaak zou moeten blijven geeft ook Hofmeester bij de RC aan: Ik ben het met U eens dat de bureauclassificatie van de door mij geproduceerde en door mijzelf gebruikte goederen geen goede wijze van classificeren is. Ook duidelijk - op dit punt - is Dirkse (TNO) ter zitting, als het gaat om classificatie op basis van overeenkomsten van massa-explosieve stoffen: Een aantal artikelen zal wellicht niet voldoen aan die methode. Vraag in strafzaken: welke artikelen? en: Over kaliumperchloraat: gezien het gedrag van dat pyro-technisch mengsel gaan we er vanuit dat dat hetzelfde reageert. We hebben dat echter nooit proefondervindelijk vastgesteld. Dit kaliumperchloraat wordt nu juist in verband met massa-explosiviteit gebracht. en: Als we bv volgende week een artikel binnen krijgen gaan we altijd testen. We gaan niet analyseren, maar testen. Misschien dat Forsman dit goed begrijpt en daarom verklaart (RC): Het klopt dat je zonder test geen feitelijke uitspraak kunt doen over de classificatie. Je kunt dan alleen zeggen dat het uit veiligheidsoverweging ingedeeld moet worden bij de klasse 1.1. Dit (zegt) de man die leiding geeft aan de door de centrale overheid ingesteld adviesinstantie met betrekking tot de opslag van vuurwerk. Het artikel dat overblijft (testserie 7) is een artikel dat in beslag is genomen bij de vuurwerkhandelaar [A] in Ede; op de beslaglijst (MB0843) is opgemerkt dat dit vuurwerk zich niet meer in de originele verpakking bevond. De Jong, ter zitting Rb over deze test: Of dit vuurwerk zich in de originele verpakking bevond, weet ik niet zeker. Het leek er wel op, maar het is pure speculatie van mij Let U op: deze deskundige speculeert over de verpakking; maar deze deskundige zegt ook: de analogiemethode kan bij de classificatiebeoordeling alleen maar op betrouwbare wijze worden toegepast, als de verpakking bekend is(.) Bovendien is het de Jong niet opgevallen dat de verpakking die door [A] was gebruikt dateert uit het jaar 1995, hetgeen betekent - gezien de omloopsnelheid van vuurwerk - een zeer oude doos. Dirkse ter zitting Rb: Wij gingen er als onderzoekers bij de test uiteraard wel vanuit, dat het vuurwerk mogelijk bij SE Fireworks aanwezig zou zijn geweest. Dat lijkt mij ook logisch want je gaat toch geen artikelen testen die daar niet geweest zijn. Nog meer over de testen: De stelling van de verded

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.