Rolnr. C04/018HR Mr. L. Timmerman Zitting d.d. 3 december 2004 Conclusie inzake: Katholieke Schoolstichting voor Wateringen en Kwintsheul tegen [verweerder]
(1): "Bij de bantwoording van deze vraag moet worden vooropgesteld dat, zoals het hof kennelijk en terecht tot uitgangspunt heeft genomen, door degene die (volledige en overheersende) zeggenschap heeft over twee rechtspersonen, misbruik kan worden gemaakt van het identeitsverschil tussen deze rechtspersonen, en dat hetgeen met zodanig misbruik werd beoogd, in rechte niet behoeft te worden gehonoreerd. Het maken van zodanig misbruik zal in de regel moeten worden aangemerkt als een onrechtmatige daad die verplicht tot het vergoeden van schade die door het misbruik aan derden wordt toegebracht". De boodschap van dit arrest is: er kan alleen van een onrechtmatige daad of vereenzelviging sprake zijn bij misbruik van identiteitsverschil en de Hoge Raad wenst geen min of meer automatische vereenzelviging bij onderlinge verwevenheid van vennootschappen. 2.3 In onderdeel 2.3., 2.4 en 2.
- van het eerste middel merkt de Stichting op dat het hof de regel uit het Van der Vliet-arrest heeft miskend dat een zeggenschapshouder over een vennootschap moet aantonen dat de omstandigheid dat de vennootschap niet nakomt niet aan zijn betalingsonwil is te wijten. De door het middel bepleite regel zou een mijns inziens zeer vergaande regel zijn: de zeggenschapshouder moet zich telkens van verantwoordelijkheid voor niet betaling van een bepaalde schuld door zijn vennootschap met door hem aangedragen bewijzen schoon wassen. Er gaat een vermoeden van betalingsonwil bij de bestuurder ontstaan. Ik kan zo'n vergaande regel in het Van der Vliet-arrest niet lezen. De Hoge Raad zegt in het betrokken arrest slechts dat het voor de hand ligt dat de zeggenschapshouder over een nalatige vennootschap aannemelijk maakt dat de vennootschap niet in staat is tot betaling, hetgeen juist iets anders dan dat de zeggenschapshouder aantoont dat de niet-betaling niet aan zijn onwil te wijten is. De Hoge Raad laat in het Van der Vliet-arrest in het midden wie uiteindelijk de betalingsonwil dient te bewijzen. Dat zal van de omstandigheden van het geval afhangen. Middel 2 2.4 Middel 2 richt zich met motiveringsklachten tegen ro. 4.1 en 4.2 waar het hof beslist, dat de Stichting niet heeft bewezen dat [verweerder] had behoren te weten dat het architectenbureau geen verhaal zou bieden voor het restitueren van hetgeen het bureau de Stichting uit het arbitrale vonnis dwong te betalen, terwijl de vernietigingsprocedure al liep. 2.5 Het middel wordt mijns inziens tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft terecht tot uitgangspunt genomen dat het erom gaat of [verweerder] in 1993 redelijkerwijs moest weten dat het waarschijnlijk was dat het arbitrale vonnis vernietigd zou worden en zijn venootschap alsdan niet aan zijn terugbetalingsverplichting zou kunnen voldoen. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof heeft aangenomen dat [verweerder] de betrokken wetenschap niet had en ook niet hoefde te hebben. Hierbij is met name van belang dat de vordering tot vernietiging in eerste instantie door de rechtbank is afgewezen. Hieruit is af te leiden dat de uitkomst van de vernietingsprocedure kennelijk niet vanzelfsprekend was. Ik ben van mening dat het hof in r.o. 4.2 van zijn bestreden arrest voldoende inzichtelijk heeft aangeven hoe bij hem de verschillende afwegingen hebben plaatsgevonden. Ik vind het niet onbegrijpelijk dat het hof tot de conclusie is gekomen dat [verweerder] de voor onrechtmatig handelen vereiste wetenschap niet had. Middel 3 2.6 Middel 3 klaagt over 's hofs overwegingen 3.1 tot en met 3.5 en het daarop gebaseerde dictum waarin ligt besloten het oordeel dat de Stiching geen beroep op misbruik van identiteitsverschil toekomt en derhalve [verweerder] in persoon en [B] BV niet vereenzelvigd kunnen worden. 2.7 Het middel wordt tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft in r.o. 3.5 van zijn bestreden arrest vastgesteld dat de Stichting wist dat zij met het architectenbureau zaken deed. Vervolgens is het hof in dezelfde r.o. nagegaan of er reden was het architectenbureau te vereenzelvigen met [verweerder]. Hieruit blijkt dat het hof - anders het middel suggereert - de omstandigheid dat de Stichting wist dat het architechtenbureau haar wederpartij was, niet beslissend heeft geacht voor het antwoord op de vraag of er al dan niet vereenzelvigd dient te worden.
- Conclusie Deze strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 H.R. 13 oktober 2000, NJ 20