Nr. 02247/04 Mr. Machielse Zitting 25 januari 2005 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte op 16 februari 2004 ter zake van 1 en 5: poging tot diefstal met geweldpleging, gepleegd door twee of meer verenigde personen, 2: diefstal met geweldpleging, inklimming en braak, gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, 3: diefstal met geweldpleging, inklimming en braak, gepleegd door twee of meer verenigde personen, 6: opzetheling en 7: het voorhanden hebben van een wapen en munitie van categorie III veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar. 2. Verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. G Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie. 3.1 Het eerste middel klaagt erover dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende is gemotiveerd, nu het Hof heeft nagelaten ambtshalve medeverdachte [medeverdachte] als getuige te dagvaarden of op te roepen, terwijl de rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij dit feit slechts volgt uit de - voor het bewijs gebezigde - bij de politie afgelegde belastende verklaringen van [medeverdachte], die hij vervolgens bij de Rechter-Commissaris heeft ingetrokken. 3.2 Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat "hij op 18 februari 2002 te Zetten, gemeente Overbetuwe, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ca. 20.000 euro) en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan de SNS-bank en/of [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming (verdachten hebben een raam geforceerd waarna verdachten naar binnen zijn geklommen) welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededader dreigend een pistool op die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] hebben gericht en gericht hebben gehouden waarbij een of meermalen, op dreigende wijze werd geroepen "dit is een overval, code, geld", en dat die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 2] naar de grond werden gewerkt waarbij zij werden gesommeerd naar de grond te kijken en dat die [slachtoffer 1] met een pistool, althans een vuurwapen, in de rug werd geschoten en met een vuurwapen tegen het hoofd werd geslagen en met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd werd geschopt en dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] werden gekneveld met tape en/of dat die [slachtoffer 3] een prop in haar mond kreeg, welk feit ten aanzien van die [slachtoffer 1] voornoemd zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad." 3.3 Voor het bewijs zijn gebezigd de verklaringen van de medewerkers van de SNS bank (bewijsmiddelen 7 tot en met 13), twee bij de politie afgelegde belastende verklaringen van [medeverdachte] (bewijsmiddelen 14 en 15) en twee bewijsmiddelen met betrekking tot het zwaar lichamelijk letsel (bewijsmiddelen 16 en 17). 3.4 De als bewijsmiddel 14 gebezigde verklaring van [medeverdachte] luidt als volgt: "Ik ken [verdachte] al een jaar of tien. Het is mij bekend dat [verdachte] vaker overvallen heeft gepleegd op banken. [Verdachte] gebruikte en gebruikt dezelfde methodiek om een bank binnen te gaan. Een avond voor de overval wordt er toegang verschaft tot het gebouw door een raam te forceren dan wel een gat in het dak te maken. Hij doet dit op het moment dat er niemand in de bank is. Op de ochtend van de overval wordt door de opengebroken opening het dak van het gebouw betreden. Dit gebeurt meestal rond een uur of 4, 5 in de ochtend. In de bank wordt de komst van het personeel afgewacht. [Verdachte] opereert met een partner. Op het moment dat de mensen binnenkomen, wordt een van hen middels een vuurwapen gedwongen de kluis te openen. Dit gebeurt eerst nadat het alarm wordt uitgeschakeld, daarna wordt het aanwezige personeel onder bedwang gehouden totdat toegang tot de kluis wordt verkregen. De rest van het personeel wordt meestal met plakband gebonden. [Verdachte] draagt altijd een pistool. Zijn partner heeft doorgaans een mes." 3.5 De als bewijsmiddel 15 gebezigde verklaring van [medeverdachte] luidt als volgt: "[Verdachte] wees mij voor de overval op de C-1000 te Zetten op 9 augustus 2002 (feit 1, AM) een bank te Zetten aan en vertelde mij dat hij deze had gepakt met een andere jongen. Ik denk dat het een SNS bank geweest is. Ook vertelde hij mij dat hij deze bank via een bovenraam naar binnen was gegaan. In de bank had hij vervolgens het personeel opgewacht en onder bedreiging met een pistool geld uit de kluis gepakt. Hij vertelde dat hij een aardig bedrag had buitgemaakt. Hij vertelde dat hij langs de bank was gelopen aan de zijkant en dat hij een bovenraam had geforceerd. Daardoor was hij met zijn mededader naar binnengegaan." De rechtstreekse betrokkenheid van verdachte bij feit 2 volgt alleen uit de bewijsmiddelen 14 en 15. 3.6 De raadsman van verdachte heeft - blijkens het proces-verbaal van de zitting van 8 augustus 2003 - bij brief van 7 augustus 2003 onder meer verzocht [medeverdachte] te doen horen door de Rechter-Commissaris. Dit verzoek heeft het Hof toegewezen in zijn tussenarrest van 22 augustus 2003. Volgens de aan het proces-verbaal van de zitting van 2 februari 2004 gehechte pleitnota heeft de raadsman van verdachte naar aanleiding van de door [medeverdachte] bij de Rechter-Commissaris afgelegde verklaring het volgende aangevoerd: "6. De verklaring van [medeverdachte] bij de rechter commissaris is kort gezegd opzienbarend te noemen. Niet alleen trekt [medeverdachte] bij de rechter commissaris zijn verklaring in. Hij ligt (bedoeld zal zijn: licht, AM) tevens de sluier op van een opsporings/bewijsvergaringsmethodiek waar de strafrechtelijke nekharen rechtop van gaan staan. 7. Cliënt heeft van meet af aan beweerd dat het verhaal van [medeverdachte] ingegeven was door [medeverdachte]s rancuneuze gevoelens tegenover cliënt voortvloeiend uit cliënt zijn relatie met de vrouw van [medeverdachte] toen [medeverdachte] gedetineerd was. In overdrachtelijke zin plantte cliënt in die tijd het zaadje waaruit de latere verhalenboom van [medeverdachte] heeft kunnen groeien. 8. Kort en goed gezegd geeft [medeverdachte] bij de rechter commissaris aan de hele boel bij elkaar gelogen te hebben om enerzijds cliënt terug te pakken voor de affaire met zijn vrouw en om anderzijds de politie ter wille te zijn om zodoende een overplaatsing naar een huis van bewaring in de buurt van Rotterdam voor elkaar te krijgen. 9. Zo verklaart hij op de vraag van de verdediging hoe hij wetenschap heeft gekregen van de bankoverval in Zetten: 'Toen de politie mij heeft gearresteerd brachten ze mij naar Arnhem. Ze hebben daar alle bankovervallen op tafel gelegd. Ik werd daar ook van verdacht totdat bleek dat ik op dat moment vast zat'. 10. Eerder in hetzelfde verhoor verklaart [medeverdachte] al dat hij de politie heeft getipt over een zestal banken, die cliënt zou hebben overvallen. De politie, ongetwijfeld aangenaam verrast door [medeverdachte]s bijzondere welwillendheid, heeft het kennelijk al te gortig gevonden om cliënt te verdenken van alle zes de overvallen en heeft het bij drie gehouden. 11. Naast de verklaring van [medeverdachte] inhoudende de bekentenis van cliënt aan [medeverdachte] heeft de rechtbank ook tot het bewijs gebezigd [medeverdachte] zijn verklaring omtrent de modus operandi van cliënt. 12. Bij de rechter commissaris verklaart [medeverdachte] daaromtrent: 'Ik kom aan die wetenschap omdat ik al eerder met [verdachte] ben aangehouden. Het was de meest voor de hand liggende verklaring want hij had een wapen, hij had dubbele bovenkleding en hij had een grotere schoen". [Medeverdachte] verklaart hiermee niet dat cliënt hem alle ins en outs medegedeeld zou hebben. Nee, [medeverdachte] baseert zich op zij[n] eerdere ervaringen met cliënt en slaat derhalve e[e]n gat in de lucht over hoe de overval op de SNS precies is gepleegd.' Verdachte zelf heeft feit 2 ontkend en daartoe ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard: "Met betrekking tot feit 2 kan ik u zeggen dat het niet klopt. Ten eerste: [Medeverdachte] heeft aanvankelijk verklaard dat ik die overval gepleegd heb. Later, bij de rechter-commissaris, heeft hij verklaard dat dat toch niet waar was. Ten tweede: Van de schietpartij bij de SNS-bank weet ik helemaal niets. De politie had opeens iemand gevonden die verklaarde dat het betreffende pistool van mij was. 3.7 Volgens de toelichting op het middel had het Hof op grond van de in HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427, geformuleerde regels [medeverdachte] ambtshalve als getuige moeten dagvaarden of oproepen. Nu het Hof dit niet heeft gedaan, is de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende gemotiveerd. 3.8 In HR NJ 1994, 427 heeft de Hoge Raad enkele regels gegeven voor het gebruik van bij de politie afgelegde belastende verklaringen voor het bewijs. Voor de onderhavige zaak gaat het om de als (iii-1 en iii-2) geformuleerde regels. De Hoge Raad overwoog het volgende: "(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.