Nr.02264/04 Mr. Jörg Zitting 1 februari 2005 Conclusie inzake: [verzoeker=verdachte]
(1)is verklaard. De strafoplegging behoeft in mijn optiek niet te worden vernietigd aangezien ik van mening ben dat door het schrappen van een gedeelte van de pleegperiode van feit 3 de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet wordt aangetast (vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548, HR 6 mei 2003, LJN: AF5449 en HR 18 november 2003, LJN: AJ0533).
- Deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep zal verwerpen en tevens dat de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren zoals hiervoor betoogd alsmede de bestreden uitspraak zal vernietigen voor wat betreft de bewezenverklaring van schennis van de eerbaarheid in de periode van 1 januari 1990 tot en met 19 november
- De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Ik merk nog ten overvloede op dat de bewijsconstructie geen grondslag biedt voor de bewezenverklaring van in verzoekers auto gepleegde schennis ten aanzien van [slachtoffer 2], feit
- Immers: ten aanzien van alle feiten gebruikt het hof de verklaring van verzoeker dat hij kinderen in zijn auto mee neemt; [slachtoffer 2] verklaart niets over een auto of wat daarin plaats vond; haar moeder verklaart dat [slachtoffer 2] wel eens met verzoeker mee (uit rijden, NJ) ging, en dat zij een keer terugkwam met een rode en opgezwollen vagina. Dit impliceert niet noodzakelijkerwijs: schennis. Die valt eventueel (en dan niet zonder bewijsoverweging!) wèl te halen uit wat er met [slachtoffer 1] in de auto gebeurde, maar de verklaring van [slachtoffer 1] is door het hof alleen voor feit 1 gebruikt.