Nr.03083/04 Mr. Jörg Zitting 17 mei 2005 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)niet is gedaan wordt, indien bloedafname heeft plaatsgevonden binnen een uur na het eerste directe contact dat een opsporingsambtenaar met hem heeft gehad, leidend tot de verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 () op zijn verzoek zo spoedig mogelijk na verloop van dat uur een tweede bloedmonster afgenomen.
- In de gevallen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, deelt de opsporingsambtenaar de verdachte mede, dat deze laatste een tweede bloedafname kan verzoeken. Deze mededeling wordt in het proces-verbaal opgenomen.
- De uitkomst van het onderzoek dat het laagste alcoholgehalte oplevert, is bepalend voor de toepassing van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994 ()."
- Hieruit volgt dat het aldus toegekende recht op een tweede bloedmonster moet worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het gehalte van de stof als bedoeld in art. 8, eerste lid, Wegenverkeerswet 1994, heeft omringd (vgl. HR 30 januari 1996, NJ 1996, 454 en HR 27 juni 2000, NJ 2000, 570). Dit is, gelet op het bepaalde in het vierde lid van het Besluit alcoholonderzoeken - dat uitgaat van de mogelijkheid dat een te korte tijdspanne tussen het eerste contact van de politie met de bestuurder en de venapunctie tot een vertekening van de uitslag leidt - geen loze verplichting (cf. HR 4 november 1986, NJ 1987, 812). Het is niet het in art. 13a Regeling bloed- en urineonderzoek bedoelde tegenonderzoek.
- In dit kader meen ik dat indien een opsporingsambtenaar de verdachte ten onrechte mededeelt dat zijn recht op een tweede bloedafname afhankelijk is van de betaling van een geldbedrag, het verrichte bloedonderzoek in beginsel niet kan gelden als een onderzoek in de zin van art. 8, tweede lid aanhef en onder b, Wegenverkeerswet 1994 (vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 570).
- Dit zou slechts anders kunnen zijn indien uit de stukken van het geding genoegzaam kan blijken dat ook in het geval de rechtens onjuiste mededeling niet zou zijn gedaan, de verdachte van zijn recht op een tweede bloedmonster zou hebben afgezien.
- Uit de gedingstukken kan ik zulks echter niet afleiden. Ik teken daarbij aan dat ik verdachtes verklaring, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2004, minder geloofwaardig vind omdat hetgeen daarin wordt verklaard op verschillende punten ernstig in strijd met de gebruikelijke en noodzakelijk gang van zaken is. Deze verklaring houdt in - voor zover van belang -: "() Een mogelijkheid tot een tweede bloedproef is mij niet medegedeeld. Ik had gevraagd om een tweede bloedproef. Ik had daarvoor al het geld betaald. Ik moest voor de tweede bloedproef ongeveer 400,- euro betalen. Ik zou een brief krijgen waarin stond wanneer die tweede bloedproef zou plaatsvinden. Ik heb daarover evenwel nooit meer iets gehoord. Ook het geld dat ik voor die tweede bloedproef heb betaald, heb ik nooit terug ontvangen ()." Evenals de raadsman gaat ook het hof ervan uit dat de mededeling van het recht op een tweede bloedmonster wel is gedaan.