Nr. 00052/05 B Mr. Jörg Zitting 17 mei 2005 Conclusie inzake: [klager]
- De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij beschikking van 7 september 2004 het door verzoeker ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave van administratie aan klager, gegrond verklaard met een last tot teruggave aan klager doch met de beperking in de zin van art. 119, vierde lid, Sv.
- Mr. M.J.N. Vermeij, advocaat te Amsterdam, heeft tegen voormelde beschikking namens verzoeker op 8 september 2004 cassatieberoep ingesteld en bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
- Blijkens de toelichting keert het middel zich niet tegen de beslissing van de rechtbank om het klaagschrift gegrond te verklaren, maar wel tegen het besluit van de rechtbank de teruggave te gelasten met inachtneming van de uit art. 119, vierde lid, Sv voortvloeiende verplichting van de bewaarder om de administratie niet terug te geven zolang daarop een conservatoir derdenbeslag rust ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
- De bestreden beschikking houdt, voorzover van belang, het volgende in: "Beoordeling van het klaagschrift. (...) Vast staat dat bedoelde administratie op 25 november 2003 onder klager strafrechtelijk in beslag is genomen. Op 13 januari 2004 is door de rechtbank Amsterdam aan "ING" verlof verleend voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bij de FIOD ECD berustende administratie van klager, welk beslag op 14 januari 2004 daadwerkelijk is gelegd. De officier van justitie heeft in raadkamer aangegeven dat die stukken uit de administratie die niet gevoegd worden in het procesdossier in beginsel retour kunnen naar klager, omdat deze voor het proces van waarheidsvinding niet meer benodigd zijn. Er is zodoende geen belang van strafvordering dat zich verzet tegen teruggave van de administratie. Nu er echter door "ING" derdenbeslag op de bij de FIOD ECD in het kader van dit strafrechtelijk onderzoek aanwezige administratie is gelegd, is de officier van justitie van oordeel dat teruggave van de administratie aan klager niet kan plaatsvinden, maar dat afgifte aan "ING" dient te volgen. De rechtbank oordeelt op grond van het bovenstaande als volgt. Zoals volgt uit het standpunt van de officier van justitie verzet het belang van de strafvordering zich niet tegen opheffing van het beslag. Ingevolge artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering geldt, zodra het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp, de hoofdregel dat het voorwerp moet worden teruggegeven aan degene bij wie het is inbeslaggenomen. Het klaagschrift dient dan ook, voor zover gericht tegen het beslag, gegrond te worden verklaard. Echter, artikel 119, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de bewaarder een voorwerp niet terug geeft zolang er een beslag op rust door een derde gelegd ingevolge Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. "ING" heeft in raadkamer toegelicht dat het onderhavige conservatoir beslag een beslag betreft tot afgifte van zaken ex artikel 730 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij de hoofdzaak is gegrond op onder andere artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, anders dan klager, dat het hier een beslag genoemd in artikel 119, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering betreft. Voor zover klager en de officier van justitie vragen hebben opgeworpen betreffende de rechtmatigheid en reikwijdte van dit beslag stelt de rechtbank voorop dat de onderhavige procedure niet dient ter beslechting van burgerrechtelijke rechtsvragen. Hierover zal zich de civiele rechter moeten buigen. Nu bij afgifte van de administratie aan klager stukken zouden kunnen kwijtraken of verdwijnen zodat dit de mogelijkheden voor "ING" om de doeleinden waarvoor zij dit beslag heeft gelegd te realiseren zou kunnen doorkruisen, bestaat er geen reden gebruik te maken van de gegeven bevoegdheid om van de in artikel 119, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering gegeven hoofdregel, inhoudende dat de bewaarder ondanks een daartoe strekkende last het inbeslaggenomen voorwerp niet teruggeeft zolang daarop bedoeld civielrechtelijk beslag rust, af te wijken. "ING" heeft overigens in raadkamer toegezegd zich niet te verzetten tegen verstrekking van kopieën van de administratie aan klager voor zover deze nog niet zijn verstrekt. Beslissing. De rechtbank verklaart het klaagschrift, voor zover gericht tegen het beslag, gegrond en geeft last aan de bewaarder tot teruggave aan klager van de onder hem inbeslaggenomen administratie met inachtneming van de uit artikel 119, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voortvloeiende verplichting de administratie niet terug te geven zolang daarop een beslag rust door een derde gelegd ingevolge het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering." Het middel betoogt dat het oordeel van de rechtbank omtrent het gevaar voor kwijtraken of verdwijnen van stukken zonder nadere - ontbrekende - motivering niet begrijpelijk is nu niet blijkt hoe en waarom bij teruggave aan verzoeker stukken zouden kunnen kwijtraken of verdwijnen en bovendien teruggave aan verzoeker nooit de doeleinden van waarvoor ING beslag heeft gelegd zou kunnen doorkruisen, gezien de aard van het beslag.
- Art. 119, eerste en vierde lid, Sv luidt als volgt: "
- Een last tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp dat in bewaring is gegeven, is gericht tot de bewaarder.
- De bewaarder geeft het voorwerp niet terug zolang er een beslag op rust, door een derde gelegd ingevolge Boek II, titels 2, 3 en 4, en Boek III, titel 4, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tenzij degene door wie de last tot teruggave is gegeven uitdrukkelijk anders bepaalt."
- Bij de beoordeling van de klacht dat het oordeel gelet op de door de rechtbank vastgestelde feiten en omstandigheden onbegrijpelijk zou zijn, moet worden vooropgesteld dat de waardering van de feiten in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten moet oordelen, maar dat het oordeel van de rechter op begrijpelijkheid kan worden getoetst. Voorts geldt dat het onderzoek in raadkamer slechts een summier karakter heeft.
- De rechtbank heeft haar oordeel dat geen reden bestaat gebruik te maken van de "tenzij-clausule" van art. 119, vierde lid, Sv gebaseerd op de haar ter beschikking staande stukken van het geding en heeft met name waarde gehecht aan het door de raadsman van ING, mr. Bakers, verwoord standpunt inhoudende dat de afgifte van de administratie aan [klager] c.s. het gevaar oplevert dat ING door vernietiging of kwijtraken van stukken door klager in haar rechtspositie zou worden benadeeld en dat dit gevaar met het op de administratie rustend conservatoir derdenbeslag juist wordt vermeden.
- Het oordeel van de rechtbank dat door het (mogelijke) kwijtraken of verdwijnen van stukken de mogelijkheden voor ING om de realisatie van de doeleinden waarvoor zij het (conservatoir) beslag heeft gelegd zou kunnen worden doorkruist acht ik in tegenstelling tot de opvatting van de steller van het middel, ook zonder verdere motivering niet onbegrijpelijk.
- De in de schriftuur vermelde civielrechtelijke beslag- en inzageperikelen zullen voor resp. door de civiele rechter moeten worden bepleit resp. beslecht, waartoe nu juist art. 119, vierde lid, Sv de ongestoorde mogelijkheid biedt.
- Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.