Nr. 02994/04 Mr. Jörg Zitting 14 juni 2005 Conclusie inzake: [verzoekster=verdachte]
(1)te bieden; Dat [betrokkene 1] jegens [verdachte] met grote dankbaarheid vervuld is en zich jegens haar moreel verplicht gevoelt om haar in financieel opzicht te steunen en haar van goede huisvesting te voorzien; Dat [betrokkene 1] als eigenaar beschikt over het onroerend goed, gelegen te [a-straat 1] te [plaats A], waaraan een waarde kan worden toegekend van een bedrag van fl. 850.000,--; Zijn overeengekomen als volgt: - [Betrokkene 1] verkoopt aan [verdachte] voorgeschreven onroerend goed, gelijk [verdachte] dat van hem koopt voor de somma van fl. 850.000,-- "all-in". - Daarop betaalt [verdachte] een bedrag van fl. 300.000,-- aan [betrokkene 1], zodat hij vermeld onroerend goed vrij van hypotheek aan haar kan leveren. - De restantkoopsom ad fl. 550 000,-- blijft [verdachte] aan [betrokkene 1] verschuldigd, terwijl van jaar tot jaar dat schuldig gebleven bedrag (renteloos) wordt verminderd met een bedrag van fl. 100.000,--, voor het eerst in het jaar
- - Vanaf de datum van levering huurt [betrokkene 1] van [verdachte] de hoofdwoning ter plaatse voor een vaste, niet voor verhoging vatbare, som van fl. 2.000,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling aan [verdachte] te voldoen."
- Bij de beoordeling van de middelen dient het volgende te worden vooropgesteld. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake de selectie en waardering van bewijsmateriaal, die - behoudens bijzondere gevallen die zich ten deze niet voordoen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hierop stuiten de in de middelen verwoorde klachten af.
- Het hof heeft uit de gebezigde bewijsmiddelen - in hun onderlinge verband en samenhang bezien - niet onbegrijpelijk kunnen afleiden dat verzoekster met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van de valse hoedanigheid van aanstaande huwelijkspartner, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] heeft bewogen tot de afgifte van geld en kwijtschelding van schulden. Dat sommige gedragingen van verzoekster naar hun uiterlijke verschijningsvorm op een affectieve relatie duiden en daarmee het bewijs van de leugenachtigheid van het handelen van verzoekster zouden verzwakken kan ik niet inzien, te meer niet daar verzoekster ter terechtzitting zelf iedere intieme relatie ontkende en hamerde op het zakelijke karakter ervan.
- Het eerste zowel als het tweede middel faalt.
- In het derde middel - kennelijk abusievelijk als het tweede middel aangeduid - wordt betoogd dat het hof aan de in de tenlastelegging en bewezenverklaring opgenomen term "valse hoedanigheid" een onjuiste betekenis heeft toegekend.
- Het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr bestaat onder meer in het zich voordoen als iemand die bekleed is met een in het maatschappelijk verkeer erkende (geaccepteerde, geïnstitutionaliseerde) waardigheid of functie, welke deze persoon niet bezit of praktiseert. Het moet gaan om vaste, geijkte rollen, waarop men in het betreffende onderdeel van het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rolverwachting is verbonden.
(3)In cassatie kan slechts worden onderzocht of het oordeel van de feitenrechter, gelet op het daartoe overwogene, de grenzen van het begrijpelijke overschrijdt.
- De motivering van de opgelegde straf is - bezien in het licht van de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en gelet op de omstandigheden waarmee het hof bekend kon zijn met betrekking tot de persoon van verzoekster, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep naar voren gekomen en uit het dossier blijkend - niet onbegrijpelijk. Ik lees de overweging als de inschatting van het hof dat er kans op herhaling is, die op één soortgelijke bewezenverklaarde huwelijkszwendel berust; en op andere gevallen - die evenwel rechtens niet zijn komen vast te staan. In zoverre is de overweging enigszins ongelukkig, maar daarop grijpt het middel niet aan. Het voorafgaande in aanmerking genomen heeft het hof de strafoplegging voldoende (begrijpelijk) met redenen omkleed.
- Het vijfde middel faalt eveneens.
- De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Verzoekster heeft op de appèlzitting van 22 april 2004 verklaard dat zij niet weet waar deze passage vandaan komt. Zij weet daar niets van en kan zich niet voorstellen dat zij zoiets getekend zou hebben. Zij beweert dat haar handtekening later aan sommige stukken is toegevoegd, die deze daardoor vals maken, en suggereert dat dit ook het geval is met de onderhavige overeenkomst. Een verzoek tot nader onderzoek naar de echtheid van het bewijsmiddel heb ik evenwel in het proces-verbaal niet kunnen ontwaren. 2 NLR, suppl. 98 (juli 1998), aant. 9 bij art. 326; P.J. van den Hout, "Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog" (diss. Tilburg, 1993), p. 69 e.v. 3 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, 2004, p. 220.