Nr. 00156/05 B Mr. Vellinga Zitting: 21 juni 2005 Conclusie inzake: [klager]
(1)Dan rest dat het weten of vermoeden betrekking moet hebben op een door een derde gepleegd misdrijf. Voorts voorziet de wet niet met zoveel woorden in het weten of vermoeden ten aanzien van voorwerpen die middellijk van dat misdrijf afkomstig zijn. Gezien het onderling verband tussen de in art. 94a lid 3 Sv geformuleerde voorwaarden ligt dat mijns inziens wel in de rede. Vgl. TK 2001-2002, 28 079, nr. 3, p. 19: "Voorts moet bij middellijkheid gedacht worden aan het geval waarin de ander het voorwerp niet meer heeft, bijvoorbeeld doordat hij het heeft doorverkocht. Dan kan beslag gelegd worden op de opbrengst of een ander voorwerp dat ervoor in de plaats is gesteld."
- Het middel slaagt.
- Ambtshalve heb ik - afgezien van de hiervoor onder 5 genoemde grond - geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.
- Bij vernietiging ligt, gezien HR 8 juni 2004, LJN AO6495, terugwijzing in de rede.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 TK 2001-2002, 28 079, nr. 3, p. 19.