Nr. 01225/05 U Mr. Knigge Zitting 30 augustus 2005 Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon]
(2)Het uitzonderlijke geval waarin een mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel in strijd kan komen met een recht dat de opgeëiste persoon op grond van art. 6 EVRM toekomt, doet zich in de onderhavige zaak niet voor. De bestreden uitspraak houdt in zoverre niets in, terwijl (door de verdediging) daaromtrent evenmin iets (ter zitting) is aangevoerd.
- Opgemerkt zij nog dat ik, zelfs nog afgezien van het voorgaande, de bestreden uitspraak in het geheel niet kan volgen. Kennelijk leidt de Rechtbank meer uit het onder 4 weergegeven deel van het uitleveringsverzoek af dan ik. Ik leid er (slechts) uit af dat de opgeëiste persoon is geïdentificeerd aan de hand van foto's die van hem zijn genomen toen hij in de VS werd gearresteerd voor andere feiten dan waarvoor uitlevering wordt gevraagd. Dat de opgeëiste persoon na uitlevering niet ter zake van deze feiten in hechtenis zal worden genomen of zal worden berecht of bestraft, is daarnaast blijkens de onder 6 deels weergegeven overwegingen (naar aanleiding van vragen van de Rechtbank) tot tweemaal toe door de verzoekende Staat bevestigd. In dit licht is de overweging van de Rechtbank dat de verzoekende autoriteit "een onderzoek diende in te stellen naar het oogmerk van de Amerikaanse justitiële autoriteiten ten aanzien van de veroordeling in Florida voor feiten die de opgeëiste persoon daar heeft gepleegd" onnavolgbaar.
- De klacht slaagt. Omdat de bestreden uitspraak reeds hierom niet in stand kan blijven, behoeft het middel voor het overige geen bespreking.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Rechtbank en tot bepaling van de dag van feitelijke behandeling van het uitleveringsverzoek door de Hoge Raad. De opgeëiste persoon zal voor de feitelijke behandeling door de Hoge Raad moeten worden opgeroepen evenals een tolk in de Engelse taal. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 28 maart 2000, NJ 2000, 367, waarop door de steller van het middel terecht wordt gewezen. Zie ook HR 10 september 2002, LJN: AE
- 2 Vgl. met betrekking tot de werking van het specialiteitsbeginsel Handboek strafzaken onder 91.1.4 en Sjöcrona & Orie, Internationaal strafrecht vanuit Nederlands perspectief, 2002, p. 115 e.v.