ECLI:NL:PHR:2005:AU2555
Zaaknr. C04/204HR Mr. Huydecoper Zitting van 27 mei 2005 Conclusie Inzake [eiseres] eiseres tot cassatie tegen [verweerder](1) verweerder in cassatie Feiten(2) en procesverloop
Eind juli of begin augustus 2001, op een vrijdag, heeft [betrokkene 1] de Volvo bij [eiseres] opgehaald. Alle kentekenbewijzen van de Volvo bleven bij [eiseres]. De maandag daarna heeft [betrokkene 1] de Volvo aan [eiseres] geretourneerd. Enige tijd later in augustus 2001 heeft [betrokkene 1] de Volvo opnieuw bij [eiseres] opgehaald. Alle kentekenbewijzen bleven wederom bij [eiseres]. Op 10 augustus 2001 heeft [eiseres] aan [betrokkene 1] een factuur gezonden voor de Volvo, waarop - onder meer - is vermeld: "Omschrijving Voor verkoop en levering van: personenauto".
In een koopcontract van 6 augustus 2001 is vermeld dat de verweerder in cassatie, [verweerder], de Volvo van [betrokkene 1] heeft gekocht voor een "rijklaarprijs" van ƒ 65.000,- onder inruiling van zijn Ford Scorpio, tegen betaling door [betrokkene 1] van een inruilwaarde van ƒ 7.250.-.
Volgens een op 10 augustus 2001 gedateerde kwitantie heeft [betrokkene 1] van [verweerder] een aanbetaling op de Volvo ontvangen van ƒ 10.000.-.
Op 17 augustus 2001 heeft [betrokkene 1] de Volvo bij [verweerder] afgeleverd. Bij die gelegenheid heeft [betrokkene 1] het rijbewijs van [verweerder] meegenomen, voor de overschrijving van het kentekenbewijs.
Op een factuur van [betrokkene 1] aan [verweerder] van 24 augustus 2001 ten bedrage van ƒ 57.750.- (koopsom van ƒ 65.000.-; inruilwaarde van ƒ 7.250,-) is handgeschreven vermeld dat op 10 augustus 2001 een bedrag van ƒ 10.000.- per kas is voldaan, en op 13 augustus 2001 een bedrag van ƒ 47.750.- eveneens per kas. Laatstgenoemd bedrag is feitelijk niet per kas voldaan, maar is op aanwijzing van [betrokkene 1] door [verweerder] gestort op een bankrekening van de vriendin van [betrokkene 1].
In een brief van 27 augustus 2001 aan zowel [betrokkene 1] als [verweerder], heeft de raadsman van [eiseres] beiden gesommeerd om binnen twee dagen het door [eiseres] aan [betrokkene 1] gefactureerde bedrag van ƒ 61.499,99 aan [eiseres] te voldoen, bij gebreke waarvan [eiseres] in rechte teruggave van de auto zou vorderen. [Betrokkene 1] heeft de hiervoor genoemde koopprijs van ƒ 61.499,99 nimmer aan [eiseres] voldaan. Eind augustus 2001 is [betrokkene 1] toegelaten tot de WSNP-regeling.
In het namens [eiseres] ingestelde appel honoreerde het hof het beroep van [verweerder] op de bescherming van de art. 3:86 dan wel 7:42 BW, omdat het oordeelde dat [verweerder] inderdaad als verkrijger te goeder trouw mocht worden aangemerkt. Ik geef de belangrijkste overwegingen van het hof hieronder weer: "4.4Naar het oordeel van het hof is de door de Hoge Raad in de zaak Apon/Bisterbosch geformuleerde norm evenwel om een andere reden niet van toepassing. De strekking van bedoelde norm is de bescherming van eigenaren die het bezit van hun auto door diefstal of verduistering hebben verloren. Volgens het eigen standpunt van [eiseres] was geen sprake van (diefstal of) verduistering en mocht [betrokkene 1] - in zijn relatie tot [eiseres] - de Volvo aan iemand als [verweerder] verkopen, dat wil zeggen zich verplichten tot levering van de onbezwaarde eigendom van die auto (conclusie van repliek onder 8). Dat [eiseres] aan [verweerder] (herhaaldelijk) de feitelijke macht over de Volvo verschafte, had klaarblijkelijk ook als bedoeling om een zodanige verkoop te bevorderen.
4.5 Uit de omstandigheid dat [betrokkene 1] met toestemming van [eiseres] de Volvo onder zich had, met de bedoeling dat hij die auto aan iemand als [verweerder] zou verkopen, volgt - uitgaande van een door [eiseres] tegenover [betrokkene 1] bedongen eigendomsvoorbehoud - dat in het geval dat [betrokkene 1] [verweerder] juist en volledig zou hebben geïnformeerd over zijn rechten op de Volvo en zijn relatie tot [eiseres], voor de goede trouw van [verweerder] zou hebben volstaan dat [verweerder] geen reden had om te twijfelen aan het normaal tot afwikkeling komen van een koopovereenkomst tussen [eiseres] en [betrokkene 1], anders gezegd dat [verweerder] geen reden had om te betwijfelen dat [betrokkene 1] aan [eiseres] de koopprijs van de Volvo zou voldoen. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 29 juni 1979, NJ 1980, 133, inzake Hoogovens/Matex. In het geval dat van een eigendomsvoorbehoud geen sprake is en de vorderingen van [eiseres] volgens zijn subsidiair standpunt op de grondslag van het recht van reclame dienen te worden beoordeeld, geldt in essentie dezelfde norm. In dat geval komt het er volgens art. 7:42 Burgerlijk Wetboek immers op aan of [verweerder] redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat het recht van reclame zou worden uitgeoefend."
Iets over de toepasselijke rechtsleer
Daarbij is - en ook dit geldt zowel voor de feitelijke instanties als voor het debat in cassatie - uitvoerig aan de orde geweest, hoe de Hoge Raad dit gegeven - de goede trouw van de verkrijger van, met name, een tweedehands auto - heeft beoordeeld in het arrest HR 4 april 1986, NJ 1986, 810 m.nt. WMK (Apon/Bisterbosch), rov. 3; en of de in dat arrest aan dit begrip gegeven uitleg ook voor de onderhavige zaak als richtinggevend mocht worden aangemerkt. Zoals uit de zojuist in alinea 3 aangehaalde overwegingen van het hof blijkt, heeft het hof aangenomen dat dat laatste niet het geval was, en dat voor de beoordeling van de goede trouw van [verweerder] een minder stringente norm, overeenkomend met overwegingen uit het arrest HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 m.nt. WMK (Hoogovens/Matex), voor toepassing in aanmerking kwam. Belangrijkste thema van het cassatiemiddel is, of het hof daarmee de juiste maatstaven heeft aangelegd (het middel betoogt, naar men zal begrijpen, dat dat niet zo is). Die vraag moet, denk ik, ook het zwaartepunt vormen van de in deze conclusie te geven beoordeling.
Het gaat hier om één van de manifestaties van het verschijnsel dat de deelnemer aan het rechtsverkeer die te goeder trouw afging op een schijnbaar aanwezige rechtstoestand (en aan wie dus niet valt toe te rekenen dat hij niet heeft bemerkt dat de zaken in werkelijkheid anders waren), vaak verdient te worden beschermd in het vertrouwen dat hij daarbij aan de dag legde.
Dat dat - vaak - zo is, komt inderdaad voor een belangrijk deel omdat het verkeersbelang dat eist; maar voor een ander deel is dat zo, omdat de andere uitkomst niet met de billijkheid zou stroken. Dat (laatste) is dan met name het geval, wanneer het feit dat zich een misleidende schijn voordeed, eerder moet worden toegerekend aan de wederpartij van degeen die in vertrouwen op de schijn is afgegaan, dan aan die persoon zelf. Dát verklaart waarom aan de bescherming van degeen die in goed vertrouwen op een valse schijn afging, meestal een tweeledige voorwaarde wordt gesteld: aan de betrokkene moet zelf niets zijn te verwijten (oftewel: hij moet "te goeder trouw" zijn); en aan de andere partij moet het feit dat er een valse schijn kon ontstaan wèl zijn te verwijten, of zijn toe te rekenen.
Dat verklaart, denk ik, waarom bescherming van het vertrouwen op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van art. 3:61 lid 2 BW spoedig pleegt te worden aanvaard(8); terwijl bescherming van (ook bona fide) derden-verkrijgers van gestolen goed niet wordt aanvaard, zelfs niet als de oorspronkelijke rechthebbende in min of meer ernstige mate schuld heeft aan het feit dat de goederen in kwestie gestolen konden worden(9). In het eerste geval - bescherming in geval van onbevoegde vertegenwoordiging - krijgen de factoren "verkeersbelang" en billijkheid ten opzichte van de partij die op de gewekte schijn vertrouwde, licht de voorrang, vermoedelijk ook omdat in de hier te beoordelen verhoudingen vaak sprake is van min of meer zwaarwegende factoren die toerekening aan de "pseudo-principaal" aandringen. (Uiteindelijk heeft de "pseudo-principaal" immers in verreweg de meeste gevallen bewerkstelligd, of op zijn minst willens en wetens laten passeren, dat de onbevoegde vertegenwoordiger zich in een positie bevond waardoor schijn van bevoegdheid kon worden opgeroepen.) In het tweede geval, (bona fide) verkrijging van gestolen goed, legt alleen al de andere door Nieuwenhuis genoemde factor - misdaadbestrijding - het nodige gewicht in de andere schaal.
De regels die in dit verband aan de orde komen, berusten niet zelden op een - in abstracto gemaakte - afweging van een aantal ieder voor zich legitieme, maar onderling onverenigbare belangen. De regel houdt dan in, dat een keuze wordt gemaakt voor honorering van het ene belang ten koste van het andere; en dat brengt als vanzelf mee dat de uitkomst waartoe de regel leidt als onbillijk wordt ervaren, wanneer men het belang dat niet werd gehonoreerd juist op de voorgrond plaatst. Men ziet dat natuurlijk vooral daar, waar de belangen aan weerszijden elkaar in een nagenoeg zuiver evenwicht hielden (en dus niet de belangen aan één kant duidelijk prevaleerden): juist dan komt men er licht toe, de afweging telkens weer ter discussie te stellen, of op z'n minst: onvrede te voelen vanwege het (toch ook legitieme en honorabele) belang dat telkens het onderspit delft.
Daarvoor kunnen goede gronden bestaan - maar meer dan eens ziet men toch dat langs deze weg in wezen een heroverweging wordt bepleit van de regel zelf - omdat men nu eenmaal over de afweging van belangen waarvan die regel de resultante is (gemakkelijk) verschillend kan denken. Daarmee geeft men dan de verworvenheid van een door zorgvuldige afweging verkregen "vaste" regel voor een belangrijk deel prijs; en geeft men voorrang aan de optie van een van geval tot geval op de specifieke omstandigheden daarvan georiënteerde (maar daardoor ongewisse en onbetrouwbare(10)) beoordeling.
Welke oplossing men in zulke gevallen ook kiest, één van de betrokkenen wordt ernstig gedupeerd - en voor beide geldt dat de manier waarop zij zich hebben gedragen of opgesteld, heel begrijpelijk is, en in maatschappelijk opzicht ook zeker niet ontoelaatbaar is. Hetzelfde zou, zoals ik al aanstipte, velen van ons in vergelijkbare omstandigheden ook (kunnen) overkomen.
Voor het geval dat in deze zaak moet worden beoordeeld is dat, zoals de hierna aan te geven rechtsleer laat zien, ook daadwerkelijk gebeurd: er is afgewogen, en op begrijpelijke gronden gekozen voor honorering van het belang van de oorspronkelijke eigenaar van het onbevoegdelijk vervreemde goed - zelfs als die zich minder dan maximaal behoedzaam heeft gedragen(11) - tenzij de verkrijger alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs te vergen zorg heeft betracht om te voorkomen dat hij onder invloed van een verkeerde voorstelling van zaken handelde(12).
Daarbij is er natuurlijk niet aan voorbij gezien dat deze keus ertoe leidt dat in sommige gevallen een (particuliere) koper die (weliswaar niet de maximale behoedzaamheid heeft betracht, maar die) zich op een begrijpelijke en in het maatschappelijk verkeer ook geenszins onaanvaardbare wijze heeft opgesteld en gedragen, ernstig wordt gedupeerd - dat was juist het belang dat in deze verhouding tegen het belang van de eigenaar moest worden afgewogen(13).
Ik begrijp de beslissing van het hof zo, dat "verbijzondering" om twee in elkaars verlengde liggende redenen gerechtvaardigd was. In de eerste plaats zouden de te onderzoeken regels vooral zien op gevallen waarin de zaak (de auto) als gevolg van verduistering uit handen van de oorspronkelijke eigenaar was geraakt; en waar dat niet het geval is (en meer speciaal: waar de eigenaar de auto met het oog op verkoop daarvan aan een ander had afgestaan), zou de onderzoeksplicht ten aanzien van kentekenpapieren niet gelden, en zou voldoende zijn dat de verkrijger geen reden had om te betwijfelen dat de relatie tussen de verkoper en de eigenaar ordentelijk was afgewikkeld, of ordentelijk zou worden afgewikkeld(17).
Daarom zie ik geen reden om aan te nemen dat voor de door Nieuwenhuis genoemde "misdaadbestrijding" andere regels gelden dan voor de bestrijding van ander, maatschappelijk niet of nauwelijks minder afkeurenswaardig gedrag.
Het gaat dan om de gedachte dat (aangenomen dat in die gevallen waarin de "tussenpersoon" de bevoegdheid had te verkopen, en alleen diens bevoegdheid tot levering aan beperkingen was onderworpen, de leer uit het arrest Apon/Bisterbosch geen opgeld doet), voor het aannemen van goede trouw aan de kant van de verkrijger voldoende is dat deze geen reden had om te betwijfelen dat de rechtsverhouding tussen zijn wederpartij en diens voorman(nen) correct was afgewikkeld of (alsnog) zou worden afgewikkeld; én dat dat laatste in een geval als het onderhavige moet worden aangenomen.
Ik gaf hiervóór al aan dat de argeloze koper naar de aard der dingen nooit beseft dát er iets aan de beschikkingsbevoegdheid van zijn "leverancier" schort, en dus al helemaal niet beseft wàt er in dat opzicht precies ontbreekt (ware dat anders, dan zou natuurlijk van goede trouw geen sprake zijn, maar zou de koper ook gewoonlijk (als hij geen heler is) van de transactie afzien).
Bij die stand van zaken zie ik niet in dat men wèl gehouden zou zijn zich van de deugdelijkheid van de kentekenpapieren te vergewissen als (achteraf) blijkt dat in de voorstadia strafbare feiten hebben plaatsgevonden; maar dat als - achteraf - blijkt dat er een niet-strafbare reden voor de onbevoegdheid van de leverancier was, het ontbreken van die papieren geen beletsel oplevert voor het mogen vertrouwen dat - daar komt het op neer - met die niet-strafbare reden geen rekening hoeft te worden gehouden.
Ook hier geldt dat er een onderscheid wordt gemaakt, waarvoor ik geen deugdelijke basis zie. Ook in de door het hof gevolgde hypothese dat de "tussenschakel" [betrokkene 1] [verweerder] deugdelijk had ingelicht over zijn relatie tot [eiseres], vormde het feit dat [betrokkene 1] niet over de kentekenpapieren beschikte een aanwijzing dat niet zonder meer op zijn, [betrokkene 1]s, bevoegdheid mocht worden vertrouwd. Volgens mij weegt die aanwijzing in dit verband niet wezenlijk minder, dan wanneer er achteraf andere oorzaken voor de onbevoegdheid van [betrokkene 1] zouden zijn gebleken(20).
Ik aanvaard, dat de (particuliere) koper die een roerende zaak uit handen van een professionele verkoper ontvangt, in het algemeen geen rekening hoeft te houden met de mogelijkheid van uitoefening van het reclamerecht - maar als het om een (gebruikte) auto gaat en de kentekenpapieren niet getoond kunnen worden, valt niet in te zien dat de koper, als achteraf blijkt dat de vervreemder wel onbevoegd was maar dat daarbij geen verduistering in het spel was, staande kan houden dat hij (dan) niet op de mogelijkheid van de uitoefening van reclamerecht bedacht hoefde te zijn.
Ook hier geldt weer, dat de koper door het ontbreken van de kentekendocumentatie rechtens moest betwijfelen of alles wel in orde was. Aan zaken als de onderhavige is inherent dat de tot twijfel gehouden koper niet kan bevroeden wát er precies verkeerd zou (kunnen) zijn. Dan zie ik, ook in deze context, niet in dat het van de achteraf blijkende oorzaak van onbevoegdheid of ondeugdelijkheid van de transactie anderszins afhankelijk zou (kunnen) zijn, of de koper die moest twijfelen of alles wel in orde was, nu ten aanzien van de ene oorzaak wèl, maar ten aanzien van een (iets) andere oorzaak niet zou mogen worden aangemerkt als "niet-te-goeder-trouw" - terwijl hij onmogelijk kan hebben vermoed, welke van de diverse denkbare oorzaken van onbevoegdheid e.a. achter de in het gegeven geval bestaande ruimte voor twijfel "schuil ging".
Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2.2, dat verschillende bijzondere varianten van de onderzoeksplicht van de verkrijger aandringt, behoeft dan geen bespreking; ik teken intussen aan dat de eerste daar genoemde variant (als de kentekendocumentatie, c.q. het ontbreken daarvan, tot twijfel aanleiding geeft is de verkrijger tot nader onderzoek gehouden) mij juist lijkt(21). De stelling van onderdeel 2.3, voorzover die ertoe strekt dat de in de uitoefening van een bedrijf handelende partij op sterkere bescherming (als eigenaar) aanspraak zou kunnen maken dan andere rechtsgenoten, lijkt mij niet aanvaardbaar - ik zou denken dat als vuistregel veeleer het omgekeerde geldt.
De motiveringsklacht(en) van deze onderdelen behoeft/behoeven dan geen uitgebreid onderzoek; maar wat betreft subonderdeel 3.5 (slot): het feit dat [betrokkene 1] [verweerder] gevraagd zou hebben om het grootste deel van de koopprijs niet op de bankrekening van zijn, [betrokkene 1]s, bedrijf te betalen maar op een rekening van zijn vriendin, is ook naar mijn mening een reden (te meer) om de beslissing van het hof als onhoudbaar te beoordelen: zeker als zich, naast het ontbreken van kentekendocumentatie, een dergelijke buitenissigheid voordoet, moet dat de koper aanleiding zijn voor twijfel en voor nadere recherche. Ook mij lijkt het (bij gebreke van overigens dragende gronden) onvoldoende begrijpelijk, dat dat anders zou kunnen worden beoordeeld.
Maar ook als men dat uitgangspunt aanvaardt, kan de zaak niet in deze instantie worden afgedaan, reeds omdat a) rekening moet worden gehouden met alle stellingen van [verweerder] uit de eerste aanleg (die bij gegrondbevinding van een of meer van de grieven van [eiseres] als gevolg van de "devolutieve werking van het appel" nogmaals onderzocht zouden moeten worden), en niet uitgesloten is dat die stellingen (waarvan de uitleg tot het werk van de feitelijke rechter en niet van de cassatierechter te rekenen is) toch nader licht werpen op de gegrondheid van [verweerder]s verweer; en b) omdat [eiseres] ook schadevergoeding heeft gevorderd, en het mij wenselijk lijkt dat in een feitelijk gremium wordt onderzocht hoe die vordering, indien in beginsel toewijsbaar, verder zou moeten worden behandeld.
Bij gegrondbevinding van (enig deel van) de cassatieklachten komt daarom verwijzing van de zaak in aanmerking.
Conclusie Ik concludeer tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 De voornamen van de verweerder in cassatie blijken niet uit de stukken.
2 De feiten zijn uitvoeriger weergegeven in de (in cassatie niet bestreden) rov. 3.1 t/m 3.10 van het bestreden arrest en in rov. 2.9 van het vonnis uit de eerste aanleg van 28 maart 2002.
3 Aanvankelijk werd ook [betrokkene 1] gedagvaard, maar gezien diens toelating tot de schuldsaneringsregeling is de procedure tegen [betrokkene 1] niet verder vervolgd.
4 Bij inleidende dagvaarding van 30 juni 2004, terwijl het bestreden arrest van 30 maart 2004 dateert.
5 AAe 1986, p. 790 e.v., zie p. 793.
6 Ik vermeld volledigheidshalve dat Nieuwenhuis' commentaar ziet op art. 2014 (oud) BW. De conclusie dat aan die bepaling dezelfde motieven ten grondslag liggen als aan art. 3:86 BW komt voor mijn rekening. Zie over dat onderwerp overigens Asser-Mijnssen-De Haan, 2001, nrs. 322 e.v.; Snijders - Rank-Berenschot, Goederenrecht, 2001, nr. 366; Hartkamp, Compendium van het vermogensrecht (etc.), 1999, nr. 94.
7 Dit duidt het hier aan de orde zijnde belang misschien wat te beperkt aan: het gaat om het belang van eigenaren/rechthebbenden bij respectering van hun recht, in die gevallen waarin aantasting van dat recht ten gunste van derden-verkrijgers wordt verdedigd op gronden die die aantasting niet kunnen rechtvaardigen. In de praktijk doet het probleem zich vaak voor omdat "tussendoor" van misdaad sprake is geweest (en de vraag is of het nadeel daarvan uiteindelijk door de verkrijger dan wel de oorspronkelijke rechthebbende moet worden gedragen). Dat verklaart waarom "misdaadbestrijding" zich aandient als "etiket" voor datgene wat tegengegaan moet worden. De vandaag ter beoordeling staande casus laat intussen zien dat zich vaak gevallen voordoen waarin betwijfeld kan worden of er in strafrechtelijk opzicht misdaden hebben plaatsgevonden; maar waarin de civielrechtelijke belangentegenstelling niet wezenlijk anders is dan het geval zou zijn wanneer wèl een misdaad in het spel zou zijn. Ik bespreek dit gegeven nader in alinea 18.
8 Zie voor een recent overzicht Janssen en Van Rossum, Advocatenblad 2005, p. 12 e.v.
9 HR 18 januari 1991, NJ 1992, 667 m.nt. CJHB onder nr. 668, VR 1991, 91, rov. 3.2 en 3.3; HR 17 mei 1991, NJ 1992, 668 m.nt. CJHB, rov. 3.3. Ofschoon deze arresten betrekking hebben op het toenmalige art. 2014 (oud) BW, maken de aangehaalde overwegingen duidelijk dat naar het huidige BW hetzelfde moet worden aangenomen.
10 De aanduiding "onbetrouwbaar" bedoelt hier aan te geven dat men voor zulke beoordelingen maar in beperkte mate houvast heeft; zodat de beoordelaar de "betrouwbare" steun van zulke houvast grotendeels komt te missen.
11 Ik verwijs weer naar de in voetnoot 9 aangehaalde rechtspraak.
12 Met dien verstande dat in geval van diefstal aan het belang van de (oorspronkelijke) eigenaar nog iets verder tegemoet wordt gekomen.
13 De "leading cases" uit de rechtspraak op dit thema betreffen dan ook verschillende opmerkelijke gevallen van partijen die als particulier, en ondanks het betrachten van een weliswaar niet optimale maar toch geenszins ongebruikelijke mate van zorgvuldigheid, werden gedupeerd. Dat trof bijvoorbeeld de heer Bisterbosch in de zaak Apon/Bisterbosch (zie voor gegevens de conclusie van A - G Franx, alinea 1).
14 Wat zoal tot de kentekendocumentatie behoort en welke rol dat speelt bij de "overschrijving" van een auto, blijkt bijvoorbeeld uit art. 26 van het Kentekenreglement (KB van 6 oktober 1994, Stb. 760); door mij geraadpleegd in Schuurman & Jordens editie 68 - V, 2005, p. 78 - 83.
Bij de totstandbrenging van de destijds nieuwe regeling met betrekking tot overdracht van kentekens, heeft de wet- en regelgever ongetwijfeld (vooral) voor ogen gestaan, dat daardoor diefstal en verduistering van gekentekende motorrijtuigen zou worden bemoeilijkt (zie ook A - G Franx, conclusie voor het arrest Apon/Bisterbosch, alinea 8). Daaruit leid ik echter niet af dat de desbetreffende regels alléén voor die gevallen zouden zijn gegeven. Diefstal en verduistering vormen de meest in het oog lopende (en, denk ik, ook de meest voorkomende) manifestaties van gevallen waarin iemand de hem in eigendom toebehorende auto kan kwijtraken; daarom ligt het voor de hand dat een mede ter "beveiliging" ontworpen regeling zich op die gevallen concentreert; maar het ligt helemaal niet voor de hand dat die regeling niet ook andere - zeldzamere, maar niet minder onwenselijke - gevallen waarin iemand wederrechtelijk van zijn auto wordt "ontdaan", zou bestrijken. Zie verder alinea 18 hierna.
15 Zie intussen ook Hijma - Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht, 2002, p. 105; Van Mierlo, Het Verzekeringsarchief 1998, p. 82 - 83.
16 Ook het arrest HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 399 m.nt. WMK zelf ondersteunt - in rov. 3.9 - de leer van de op de verkrijger rustende onderzoeksplicht m.b.t. de kentekendocumentatie; met dien verstande dat in die zaak, gegeven de eigenaardigheden van de casus, werd aangenomen dat geoordeeld kon worden dat de kentekendocumentatie (met een tenaamstelling op naam van een ander dan de vervreemder), de verkrijger geen aanleiding hoefde te geven tot twijfel omtrent de bevoegdheid van de vervreemder.
17 Zoals al eerder aangestipt, zocht het hof hier aansluiting bij HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 m.nt. WMK.
18 Die regels betreffen ook sommige gevallen van onvrijwillig bezitsverlies (met name: het "verliezen" van de zaak in de betekenis van dat woord in het gewone spraakgebruik) - maar voor deze zaak gaat het om de gevallen van "vrijwillig bezitsverlies".
19 HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 399 m.nt. WMK, rov. 3.9. Zou deze regel ook gelden in dubieuze gevallen zoals die in de tekst aan de orde komen, dan zou het accent in de balans tussen de oorspronkelijke eigenaar en de verkrijger-van-een-onbevoegde vermoedelijk niet onaanzienlijk worden verlegd.
20 De door het hof gevolgde hypothese laat bovendien onverklaard hoe [betrokkene 1], wanneer die [verweerder] naar waarheid over zijn verhouding met [eiseres] zou hebben ingelicht, het ontbreken van de kentekenpapieren zou hebben kunnen verklaren. Had [betrokkene 1] ook dát naar waarheid verteld, dan zou [verweerder] gewoon hebben geweten dat [betrokkene 1] niet bevoegd was; en had [betrokkene 1] daarover gelogen, dan moet men zich afvragen of die leugen (welke dat dan ook geweest had mogen zijn) [verweerder] niet nader op de mogelijkheid van onbevoegdheid had moeten attenderen.
Ik laat dit (detail)punt verder rusten, nu ik meen dat het middel daarop geen beroep doet.
21 De stelling van dit middelonderdeel dat een afwijkende tenaamstelling van deel II van het kentekenbewijs steeds twijfel rechtvaardigt en daarom (steeds) tot nader onderzoek aanleiding moet geven, is blijkens HR 11 oktober 2002, NJ 2003, 399 m.nt. WMK niet juist.