Nr. 03589/04 Mr. Vellinga Zitting: 11 oktober 2005 Conclusie inzake: [verdachte]
(2)) een inleidende dagvaarding uitgereikt, welke dagvaarding later is ingetrokken; - vervolgens is op 16 december 1998 een nieuwe inleidende dagvaarding uitgereikt, en wel aan de griffier van de Rechtbank op de wijze als bedoeld in art. 588, eerste lid onder b sub 3, Sv omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was; - de Politierechter heeft op 14 januari 1999 bij verstek vonnis gewezen. - op 29 maart 1999 heeft het Openbaar Ministerie verdachte in het opsporingsregister doen opnemen; - op 12 april 2001 is een kopie van de aantekening mondeling vonnis aan verdachte in persoon uitgereikt, waarna verdachte op 24 april 2001 appèl tegen het vonnis heeft ingesteld.
- Onderzoek naar de naleving van art. 435, eerste lid, Sv leert dat de verdachte op geen enkel moment in de periode vanaf de datum van de bestreden uitspraak tot aan de uitreiking van de mededeling uitspraak in persoon in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente in Nederland opgenomen is geweest. Evenmin blijkt uit de stukken van een andere woon- of verblijfplaats van de verdachte gedurende die periode, ook niet in het buitenland. Volgens de basisadministratie persoonsgegevens is de verdachte op 25 maart 1998 vertrokken naar een onbekend land en is hij op 13 augustus 2004, dus jaren na de uitreiking van een kopie van de aantekening mondeling vonnis, weer in de basisadministratie persoonsgegevens ingeschreven.
- Hoewel, anders dan in HR 5 juli 2005, LJN AT5840, het Openbaar Ministerie na betekening van de verstekmededeling niet eenmaal per jaar heeft gepoogd verdachtes adres in de gemeentelijke basisadministratie te achterhalen, noopt dit niet tot het oordeel dat de tijd die is verlopen tussen 29 maart 1999, toen de verdachte in het opsporingsregister werd opgenomen, en 12 april 2001, de datum van uitreiking van een afschrift van de uitspraak in persoon, voor rekening van het Openbaar Ministerie moet komen. Ook al zou het Openbaar Ministerie wel pogingen hebben gedaan als hiervoor bedoeld, dan zou de verdachte daardoor toch niet van de zijde van het Openbaar Ministerie van de inhoud van het vonnis op de hoogte kunnen zijn gesteld omdat de verdachte in bedoelde periode niet in de basisadministratie persoonsgegevens van enige gemeente in Nederland opgenomen is geweest en in die administratie van hem in het buitenland geen adres bekend was. Voorts in aanmerking genomen dat het Openbaar Ministerie de verdachte kort na het vonnis in het opsporingsregister heeft geplaatst, een middel waarvan anders dan van betekening van de verstekmededeling ter griffie mocht worden verwacht dat de verdachte zodra dat mogelijk was op de hoogte zou worden gesteld van de inhoud van het vonnis, en uit de stukken niet blijkt van bekendheid met enige woon- of verblijfplaats van de verdachte gedurende bedoelde periode, alsmede dat zowel de berechting in eerste aanleg als die in hoger beroep minder dan twee jaar in beslag heeft genomen, zie ik geen reden waarom het Hof niet heeft kunnen