Nr. 01225/05 U-II Mr. Knigge Zitting: 25 oktober 2005 Schriftelijke samenvatting inzake: [de opgeëiste persoon]
(3)counts of perjury, in violation of Title 18, Section 1621 of the United States Code". 4. De verzoekende Staat heeft bij het verzoek onder meer overgelegd een "Affidavit in support of request for extradition" van 27 oktober 2004, dat ten aanzien van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd (in de Nederlandse vertaling) inhoudt dat de opgeëiste persoon: "zichzelf geïdentificeerd als [de opgeëiste persoon], een aanvraag voor een paspoort heeft ingevuld en ingediend bij het postkantoor Oglethorpe Station, Savannah, Georgia. Hij beweerde dat hij zijn vorige Amerikaanse paspoort had verloren. Als bewijs van zijn staatsburgerschap diende hij een geboortebewijs van de staat Florida in, nummer [001]. Als bewijs van zijn identiteit gaf hij een identificatiekaart van de staat Georgia, nummer [002], uitgegeven op 19 december 2002 en een Social Security kaart met het nummer [003] op naam van [de opgeëiste persoon]. De afdeling integriteit van de Social Security administratie in Miami, Florida, bevestigde dat Social Security nummer [003] toebehoorde aan [de opgeëiste persoon]. In 1999 heeft [de opgeëiste persoon] zijn naam veranderd in [de opgeëiste persoon]. Er werd een onderzoek ingesteld in de misdaaddossiers dat uitwees dat een persoon genaamd [de opgeëiste persoon] (alias [de opgeëiste persoon]) op dat ogenblik was opgesloten in een gevangenis van de dienst Justitiële Inrichtingen in Florida waar hij sinds maart 2001 in hechtenis zat. Een foto gemaakt door de Dienst Justitiële Inrichtingen in Florida gemaakt van [de opgeëiste persoon] toen hij de gevangenis inging, is vergeleken met de foto die afgegeven werd door de persoon die zichzelf identificeerde als [de opgeëiste persoon] op de paspoortaanvraag en er werd vastgesteld dat de personen op de foto's niet dezelfde zijn. Verder onderzoek van de indexen van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken heeft bevestigd dat op 11 februari 2003, een persoon die zei [de opgeëiste persoon] te zijn een Amerikaans paspoort had aangevraagd bij het postkantoor Oglethorpe Station, Savannah, Georgia en dit had ontvangen. Als bewijs van zijn staatsburgerschap diende hij een geboortebewijs van de staat Florida in, dossiernummer [001]. Als bewijs van zijn identiteit gaf de aanvrager een identificatiekaart van de staat Georgia, nummer [002], uitgegeven op 19 december 2002. Op 25 november 2003 verscheen een persoon die zei [de opgeëiste persoon] te zijn, bij de Amerikaanse ambassade in Amsterdam, Nederland en verklaarde dat hij zijn Amerikaanse paspoort had verloren. Bij het aanvragen van een nieuw paspoort heeft de aanvrager hetzelfde geboortebewijs uit Florida, de identificatiekaart uit Georgia en de Social Security kaart overgelegd die hierboven beschreven zijn. De persoon die getoond werd in foto's ingediend bij alle drie de aanvragen kwamen met elkaar overeen. Het paspoort is afgegeven. De consulaire ambtenaren wisten niet dat de ware [de opgeëiste persoon] (alias [de opgeëiste persoon]) in de gevangenis zat en dat de aanvrager een oplichter was. Later kregen de consulaire ambtenaren achterdocht door de regelmatige aanvragen en hebben alle paspoorten die op naam van [de opgeëiste persoon] zijn aangevraagd en uitgegeven ongeldig gemaakt." 5. Ter ondersteuning van het onderhavige uitleveringsverzoek heeft de verzoekende Staat de volgende (bewijs)stukken overgelegd: (
- i)de tekst van de relevante Amerikaanse wettelijke bepalingen; (
- ii)een "criminal complaint" tegen de opgeëiste persoon, van 1 september 2004; (iii) een gewaarmerkt afschrift van een door G.R. Smith, "United States Magistrate Judge", gegeven arrestatiebevel betreffende de opgeëiste persoon; (
- iv)het hiervoor onder 4 vermelde "Affidavit in support of the request for extradition" van 27 oktober 2004, opgesteld door M.A. Murphy, "special agent" van de "Diplomatic Security Service"; (
- v)afschriften inhoudende de vingerafdrukken en een foto van de opgeëiste persoon. 6. Daarnaast heeft de verzoekende Staat naar aanleiding van bij de Rechtbank gerezen vragen aanvullende informatie verschaft. 7. Uit de gedingstukken blijkt dat de opgeëiste persoon de Amerikaanse nationaliteit heeft. 8. Bij de stukken bevindt zich een aantekening mondeling vonnis waaruit volgt dat de opgeëiste persoon op 27 augustus 2004 door de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam is veroordeeld wegens - kort gezegd - valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) en een reisdocument op grond van valse gegeven doen verstrekken, gepleegd tussen 25 november 2003 en 18 augustus 2004 (feit 1) en tussen 25 november 2003 en 2 december 2003 (feit 2). Naar aanleiding van dit vonnis ben ik de verdere loop van dit geding nagegaan, met de volgende resultaten. De opgeëiste persoon heeft op 10 september 2004 tegen het bedoelde vonnis hoger beroep ingesteld. Uit een afschrift van het in hoger beroep gewezen arrest volgt dat de opgeëiste persoon door het Hof te Amsterdam op 4 februari 2005 voor de eerdergenoemde misdrijven is veroordeeld tot acht weken gevangenisstraf. Dit arrest is - voorzover bekend - nog niet onherroepelijk. 9. Hieruit leid ik af dat de opgeëiste persoon reeds (in Nederland) is veroordeeld wegens één van de drie feiten waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, namelijk - kort gezegd - de (valse) aanvraag van een paspoort op de Amerikaanse ambassade (waarschijnlijk wordt bedoeld: het Amerikaanse consulaat) te Amsterdam op 25 november 2003. Voor de consequentie van deze veroordeling voor de toelaatbaarheid van de uitlevering ter zake van dit feit is van belang of het bedoelde arrest van het Hof (reeds) onherroepelijk is geworden. Als dit het geval is dan moet de uitlevering van de opgeëiste persoon voor het bedoelde feit op grond van art. 5 Uitleveringsverdrag NL-VS en art. 9 lid 1 sub d onder 1 Uitleveringswet ontoelaatbaar worden verklaard. Als dit niet het geval is, en het gaat om een feit ter zake waarvan ten tijde van de beslissing op het verzoek tot uitlevering een strafvervolging gaande is, dan is de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek wat betreft dit feit voorbehouden aan de Minister van Justitie.