Rolnr. C04/206HR Mr L. Strikwerda Zt. 30 sept. 2005 conclusie inzake London Verzekeringen N.V. tegen Aegon Schadeverzekering N.V. Edelhoogachtbaar College, 1. Het gaat in deze zaak om de vraag of sprake is van samenloop van twee WAM-verzekeringen en, zo ja, onder welk van beide verzekering dekking moet worden verleend. 2. De feiten waarvan in cassatie uitgegaan dient te worden, treft men aan in r.o. 2.1 t/m 2.8 van het arrest van het hof in verbinding met r.o. 1.1 t/m 1.8 van het tussenvonnis van de rechtbank. Zij komen op het volgende neer. (
(2005), nr. 106. 22. In algemene zin kan worden aangenomen dat het een notoir feit is dat in algemene voorwaarden zo regelmatig zeer vergaande exoneratieclausules voorkomen en dat men daarmee rekening moet houden (HR 1 juli 1993, NJ 1993, 688). Toegespitst op verzekeringsovereenkomsten geldt dit, dunkt mij, ook voor in polisvoorwaarden opgenomen dekkingsuitsluitingen; verzekerden (en dus ook [betrokkene 2]) dienen daarop bedacht te zijn. Dit is m.i. echter anders als het gaat om alcoholclausules in WAM-polissen. Daarbij dient bedacht te worden dat een alcoholclausule in een WAM-polis de benadeelde niet regardeert. Slechts de in de WAM genoemde uitsluitingen en beperkingen op de verplicht voorgeschreven dekking kunnen aan de benadeelde worden tegengeworpen indien zij expliciet in de polisvoorwaarden van de aangesproken verzekeraar zijn opgenomen. De alcoholclausule geldt derhalve uitsluitend in de contractuele verhouding tussen verzekeraar en verzekerde en bepaalt de omvang van het verhaalsrecht van de verzekeraar. Zie C.P. Robben, De action directe en de Wet aansprakelijkheidsverzekeringen motorrijtuigen, 1993, blz. 160 en 235-236. Deze twee gezichten van de alcoholclausule doen twijfel rijzen over de vraag of ieder normaal ontwikkeld, doch niet in het verzekeringsrecht geverseerd mens in de overtuiging leeft, en dus als een notoir feit beschouwt, dat in WAM-verzekeringen alcoholclausules plegen te worden opgenomen. Bovendien blijkt uit de literatuur dat het gebruik van alcoholclausules in WAM-polissen niet steeds gebruikelijk is en is geweest. In het Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (editie 1990) wordt de alcoholclausule slechts besproken in het kader van de casco-polisvoorwaarden, 'omdat de meeste motorrijtuigverzekeraars bij de aansprakelijkheidsverzekering geen alcoholclausule kennen' (nr. 420-14). De onderhavige WAM-polis van London bevat, zo valt in dit verband op, geen alcoholclausule (zie r.o. 18 van het bestreden arrest). Dit betekent dat voor de beoordeling van de vraag of in WAM-verzekeringen het besturen van een auto met te veel drank op veelal van dekking is uitgesloten in ieder geval specialistisch onderzoek nodig is, en dat dus niet gesproken kan worden van een feit dat iedereen zonder noemenswaardig onderzoek uit algemeen toegankelijke bronnen te weten kan komen. De kwalificatie van het hof dat hier sprake is van een 'feit van algemene bekendheid' is in dit licht onbegrijpelijk. In zoverre acht ik de vierde klacht gegrond. 23. Voor zover de klacht wil betogen dat het oordeel van het hof, zo dit oordeel aldus moet worden begrepen dat sprake is van een algemene ervaringsregel, eveneens in het licht van art. 149 lid 2 Rv rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is, faalt zij wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft het feit dat in WAM-verzekeringen het besturen van een auto met te veel drank op veelal van dekking is uitgesloten, gekwalificeerd als een feit van algemene bekendheid. De vraag of onderscheid gemaakt kan worden tussen een feit van algemene bekendheid en een algemene ervaringsregel en waar de grens tussen beide begrippen dan precies loopt, kan daarom in het midden blijven. 24. Onderdeel III van het middel klaagt erover dat het hof zonder enige motivering is voorbijgegaan aan het door London in hoger beroep gedane bewijsaanbod met betrekking tot de uitleg van de door Aegon gehanteerde polisvoorwaarden. 25. London heeft blijkens haar memorie van antwoord (onder 29) aangeboden om "door middel van getuigen en deskundigen uit het verzekeringsbedrijf aan te tonen dat aan de gebezigde formuleringen (lees: in de polisvoorwaarden van Aegon, A-G), die (min of meer) een standaardkarakter hebben niet de uitleg moet worden verbonden die Aegon daaraan meent te kunnen geven". Nu de betekenis die in het algemeen aan polisvoorwaarden met een standaardkarakter moet worden toegekend slechts bewezen kan worden door deskundigen en in het bewijsaanbod niet wordt gerept van bewijs van concrete, op het onderhavige geval toegespitste feiten en omstandigheden met betrekking tot de vraag welke zin en strekking [betrokkene 2] in de gegeven omstandigheden van het onderhavige geval aan (art. 2.3.2 van) de polisvoorwaarden van Aegon mocht toekennen en wat hij te dien aanzien van Aegon mocht verwachten, heeft het hof kennelijk en niet onbegrijpelijk het bewijsaanbod van London opgevat als een aanbod om bewijs te leveren door middel van deskundigen. De rechter is vrij al dan niet een deskundigenbericht te gelasten (zie bijv. HR 6 december 2002, NJ 2003, 63). Het onderdeel faalt derhalve. 26. De slotsom is dat onderdeel I en onderdeel II (gedeeltelijk) doel treffen, zodat het bestreden arrest van het hof niet in stand kan blijven. Het voorwaardelijk incidenteel beroep 27. Nu de voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep door Aegon is ingesteld, is vervuld, dient het in het incidenteel beroep voorgestelde middel te worden behandeld. De vraag of Aegon bevoegd was om bij gelegenheid van de schriftelijke toelichting het voorwaardelijk karakter van het door haar ingestelde cassatieberoep in te trekken, kan in het midden blijven. 28. Het middel neemt in twee onderdelen stelling tegen het oordeel van het hof - in r.o. 15 - dat de samenloopclausule in art. 1.2.2 van de polisvoorwaarden van Aegon, gelet op de bewoordingen 'voor zover daarvoor geen andere verzekering van kracht is', gekwalificeerd moet worden als een 'zachte' samenloopclausule. 29. In onderdeel 1 wordt erover geklaagd dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het oordeel berust op de opvatting dat een samenloopclausule slechts als 'hard' kan worden gekwalificeerd indien zij bepaalt dat de verzekering in geval van samenloop moet worden weggedacht ('wegdenktournure'), en dat een samenloopclausule zonder een zodanige tournure derhalve een 'zachte' samenloopclausule is. Volgens het onderdeel miskent het hof aldus (
- i)dat een samenloopclausule met een 'wegdenktournure' slechts een voorbeeld is van een 'harde' samenloopclausule en dat een 'wegdenktoernure' geen noodzakelijke voorwaarde is voor het kwalificeren van een samenloopclausule als 'hard', en (
- ii)dat een samenloopclausule zonder 'wegdenktournure' zelfs als 'harder' moet worden gekwalificeerd dan een samenloopclausule die wel een 'wegdenktournure' bevat. 30. De Hoge Raad heeft het in de verzekeringsrechtelijke literatuur en praktijk gemaakte onderscheid tussen 'harde' en 'zachte' samenloopclausules en de daaraan verbonden regel dat bij samenloop van een verzekering met een 'harde' en een verzekering met een 'zachte' samenloopclausule de laatstgenoemde verzekering dekking moet verlenen, aanvaard (zie HR 10 maart 1995, NJ 1995, 580 nt. MMM). In HR 27 februari 1998, NJ 1998, 764 nt. MMM is dit bevestigd. De Hoge Raad overwoog onder meer (r.o. 5.1.2, onderstrepingen toegevoegd, A-G): "Bij de beoordeling van het middel (...) moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad mede ter wille van de rechtszekerheid in zijn arrest van 10 maart 1995, NJ 1995, 580, - in overeenstemming met wat veelal reeds werd aangenomen in de verzekeringsrechtelijke literatuur en praktijk - heeft aanvaard dat naar de aard verzekeringsovereenkomsten uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat bij samenloop van een verzekering met een 'zachte' samenloopclausule en een verzekering met een 'harde' samenloopclausule, slechts de eerstgenoemde dekking verleent. Uit deze regel vloeit voort dat wanneer in gevallen als hier aan de orde de verzekeraar die de schade heeft afgewikkeld, een 'harde' samenloopclausule hanteert, hij voor het volle bedrag verhaal heeft op de verzekeraar die een 'zachte' samenloopclausule hanteert. In de zin van deze regel, zoals deze tegen voormelde achtergrond moet worden begrepen en toegepast, maakt een zinsnede als hiervoor in de laatste zin van 5.1.1 geciteerd (te weten een 'wegdenktournure', A-G), de desbetreffende clausule zonder meer tot een 'harde' samenloopclausule. Zij sluit immers in geval van samenloop niet alleen de dekking door de verzekeringsovereenkomst waarin zij is opgenomen uit, maar bepaalt tevens dat die verzekering in geval van samenloop geheel moet worden weggedacht. Dit heeft tot gevolg dat de vraag welke verzekering dekking verleent, moet worden beoordeeld alsof zich in het geheel geen samenloop voordoet, zodat ook in de voorwaarden van de andere verzekering opgenomen 'zachte' samenloopclausule niet van toepassing is. Bij dit een en ander verdient nog te worden aangetekend dat, zoals partijen in dit geding kennelijk ook tot uitgangspunt hebben genomen, wanneer de verzekeringsvoorwaarden van de samenlopende verzekeringen samenloopclausules bevatten die van gelijke strekking zijn, deze clausule telkens uitwerking missen." 30. De overweging dat een samenloopclausule met een 'wegdenktournure' zonder meer als 'hard' is te kwalificeren, laat in beginsel - zo moet het middel worden toegegeven - de mogelijkheid open dat ook een samenloopclausule zonder 'wegdenktournure' als 'hard' wordt gekwalificeerd. Over de vraag of de aanwezigheid van een 'wegdenktournure' een noodzakelijke voorwaarde is voor de kwalificatie van een samenloopclausule als 'hard', heeft de Hoge Raad zich niet uitgesproken. Mag daaruit worden afgeleid dat, zoals het middel kennelijk wil, het onderscheid tussen 'harde' en 'zachte' samenloopclausules (dus) een glijdende schaal vertoont en dat bij de plaatsbepaling van een concrete samenloopclausule op deze schaal rekening dient te worden gehouden met, zoals in de namens Aegon gegeven schriftelijke toelichting (onder 5.2.3) wordt bepleit, "de veelheid van mogelijke bewoordingen en systematische inpassingen - met de daaraan inherente verschillen qua rechtsgevolgen - die samenloopclausules kunnen hebben"? Het komt mij voor dat deze aanpak zich niet laat verenigen met het door de Hoge Raad genoemde rechtszekerheidsargument. Zonder een duidelijk en objectief criterium ter onderscheiding van 'harde' en 'zachte' samenloopclausules, zullen uitlegperikelen tussen WAM-verzekeraars blijven voortbestaan. Hierbij is van belang dat de Hoge Raad uitdrukkelijk heeft overwogen dat wanneer de verzekeringsvoorwaarden van de samenlopende verzekeringen samenloopclausules van gelijke strekking bevatten, deze clausules telkens uitwerking missen. De vraag of samenloopclausules van gelijke strekking zijn, is moeilijk te beantwoorden - en levert dus een (extra) bron van rechtsonzekerheid op - indien wordt uitgegaan van de opvatting dat het onderscheid tussen 'harde' en 'zachte' samenloopclausules een glijdende schaal vertoont. Bovendien is, gelet op de uitleg die de Hoge Raad geeft aan de 'wegdenktournure', moeilijk denkaar hoe een samenloopclausule zónder 'wegdenktounure' 'harder' kan zijn dan een samenloopclausule met 'wegdenktournure'. In dit licht kan in het onderhavige geval, waarin in cassatie heeft te gelden dat de door London gehanteerde samenloopbepaling als gevolg van de daarin opgenomen 'wegdenktournure' is aan te merken als een 'harde' samenloopclausule (zie de in cassatie niet bestreden r.o. 13 van het 's hofs arrest), de stelling van Aegon dat haar samenloopclausule ook als 'hard' moet worden gekwalificeerd, Aegon niet veel baat brengen: de clausules missen dan uitwerking, waarbij aantekening verdient dat art. 277 K niet van toepassing is op aansprakelijkheidsverzekeringen (vgl. HR 12 april 1985, NJ 1985, 867 nt. G). 31. Wat van dit laatste ook zij, ik meen dat, terwille van de rechtszekerheid, als uitgangspunt moet worden aanvaard dat slechts samenloopclausules met een 'wegdenktournure' als 'hard' kunnen worden gekwalificeerd en dat samenloopclausules zonder een dergelijke tournure steeds als 'zacht' moeten worden gekwalificeerd en dat, eveneens terwille van de rechtszekerheid, samenloopclausules zonder 'wegdenktournure', ondanks verschillen in gekozen bewoordingen, steeds moeten worden aangemerkt als 'van gelijke strekking'. Onderdeel 1 moet, zo volgt, naar mijn oordeel falen. 32. Onderdeel 2 van het middel bestrijdt 's hofs oordeel met een motiveringsklacht die voortbouwt op de in onderdeel 1 naar voren gebrachte opvatting dat het onderscheid tussen 'harde' en 'zachte' samenloopclausules een glijdende schaal vertoont. Waar die opvatting niet als juist kan worden aanvaard, faalt onderdeel 2 reeds wegens gebrek aan belang. 33. Het voorwaardelijk incidenteel beroep is, zo luidt de slotsom, tevergeefs ingesteld. Conclusie De conclusie strekt in het principaal beroep: tot vernietiging van het bestreden arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing; in het voorwaardelijk incidenteel beroep: tot verwerping. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden