Nr. 00545/05 Mr Machielse Zitting 8 november 2005 Conclusie inzake: [verdachte]
(1)Activiteiten die in deeltijd worden uitgeoefend en niet als full time job kunnen ook een beroepsuitoefening vormen. Het hof heeft in dit verband gewezen op samenhang, frequentie en duurzaamheid van verdachtes activiteiten als turntrainer en aldus geen blijk gegeven van een verkeerde uitleg van het woord beroep in art. 28 Sr. 3.
- Maar ook als verdachtes activiteiten niet als het uitoefenen van een beroep zouden kunnen gelden is de oplegging van de bijkomende straf van de ontzegging uit het beroep voldoende gemotiveerd nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gedurende een lange periode een groot aantal slachtoffers heeft gemaakt tijdens zijn werkzaamheden als turntrainer en dat de ontzegging van het recht om dat beroep uitoefenen is gebaseerd op de wens herhaling te voorkomen. Het eerste middel faalt. 4.
- Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 55 Sr aan te halen omdat er ten aanzien van de feiten 2, 3, 5 en 6 sprake is van eendaadse samenloop van de delicten van art. 247 en 249 Sr. 4.
- Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 6 is er inderdaad sprake van eendaadse samenloop. Feit 5 is gepleegd toen het slachtoffer al ouder was dan 16 jaar en wordt dus niet bestreden door art. 247 Sr. De Hoge Raad kan eigenhandig het verzuim van het hof herstellen en alsnog art. 55 Sr aanhalen.
- Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het arrest behoort te leiden.
- Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad alsnog art. 55 Sr zal aanhalen en het beroep voor het overige zal verwerpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad de der Nederlanden 1 NLR 19/28.