Rek.nr. R05/055HR Mr L. Strikwerda Parket, 18 nov. 2005 conclusie inzake 1. [Verzoeker 1] 2. [Verzoekster 2] tegen 1. [Verweerder 1] 2. [Verweerster 2] Edelhoogachtbaar College, 1. Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen van het gezag ontheven ouders met hun kind. In cassatie gaat het met name om de vraag aan de hand van welke maatstaf het hof dit verzoek had moeten beoordelen: die van art. 1:377f BW of die van art. 1:377a BW. 2. De feiten liggen als volgt (zie r.o. 5 t/m 9 van de beschikking van de rechtbank en de rechtsoverweging onder het hoofdje "Vaststaande feiten" van de beschikking van het hof). (
(2002), nr. 1005-1006a; P. Vlaardingerbroek e.a., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2004, blz. 345/346; T&C Personen- en familierecht, 3e dr. 2004, Art. 1:377a, aant. 1 (M.J.C. Koens); Kluwers Personen- en familierecht, Art. 377a, aant. 1 en 2 en Art. 377f, aant. 1 (S.F.M. Wortmann). Waar vaststaat dat [het kind] is geboren uit hun huwelijk, zijn de ouders aan te merken als juridische ouders van [het kind].
- De vraag rijst of het onderdeel niettemin wegens gebrek aan belang moet falen. Daarbij is het volgende van belang.
- De rechtbank heeft overwogen dat het verzoek van de ouders tot vaststelling van een omgangsregeling met [het kind], blijkens de toelichting van de raadsman van de ouders ter zitting, is gebaseerd op artikel 1:377f BW. De rechtbank heeft het verzoek vervolgens beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 1:377f BW. Uit de gedingstukken blijkt niet - en het hof heeft ook niet vastgesteld - dat de ouders in hoger beroep zich erover hebben beklaagd dat de rechtbank het verzoek heeft beoordeeld aan de hand van de maatstaf van art. 1:377f BW en niet aan de hand van die van art. 1:377a BW.
- Nu ontheft de enkele omstandigheid dat de verzoeker zijn verzoek baseert op - kort gezegd - een verkeerd wetsartikel, de appelrechter niet van zijn uit art. 25 Rv voortvloeiende verplichting om, binnen de door het grievenstelsel omlijnde grenzen van de rechtsstrijd en de feitelijke grenzen van het geschil, ambtshalve en onafhankelijk van enige (impliciet) door de verzoeker aangehangen rechtsbeschouwing te onderzoeken of de door de verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegde feiten het verzoek kunnen dragen. Dit is slechts anders indien moet worden aangenomen dat de verzoeker zijn verzoek uitsluitend beoordeeld wenst te zien op basis van het door hem ingeroepen wetsartikel. Vgl. HR 1 februari 1991, NJ 1991, 598 en HR 15 mei 1998, NJ 1998,
- Zie voorts Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen